Naar hoofdinhoud

Hoe werkt TheModus Professional - Documentatie?

How to

Laatst gewijzigd op 4 maart 2022


INHOUDSOPGAVE


Documentatie

‘TheModus Documentation’ ondersteunt gebruikers bij het generen van documentatie van elementen, gebouwdelen of hele gebouwen. Het voorziet de bladen van de juiste weergaven van elementen, eventueel aangevuld met uittrekstaten en legenda’s.

 

‘TheModus Documentation’ dupliceert niet zomaar bestaande ‘Views’ en ‘Sheets’. Het genereert nieuwe ‘Views’ en ‘Sheets’ op basis van de beschikbare project informatie én gedefinieerde bureaustandaarden. Het zorgt ervoor dat de uitstraling van alle project tekeningen met elkaar overeenkomen. Het geeft een professioneel resultaat aan de documentatie, en reviseert zelfs tekeningen als elementen zijn gewijzigd of verwijderd.

 

‘TheModus Documentation’ ondersteunt de modelleur in het snel genereren van de projectdocumentatie. Het bespaart manweken aan tijd. Daar waar modelleurs soms weken moeten investeren in het genereren van documentatie materiaal, doet ‘TheModus Documentation’ dat in enkele minuten of uren. Daarnaast wordt de BIM Manager ontlast. Hij is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de BIM modellen én alle uittreksels daarvan. De BIM Manager heeft met ‘TheModus Documentation’ de juiste hulpmiddelen in handen om ervoor te zorgen dat informatie keurig en correct beschikbaar is op de documenten. En dit volgens de eigen gewenste bureaustandaarden!

 

‘TheModus Documentation’ maakt het mogelijk dat modelleurs in slechts enkele klikken de juiste documentatie kunnen genereren. Alles wat daarvoor nodig is, is een BIM-model en de juiste sjablonen, waarin de bureaustandaard is verwerkt. Cadac TheModus biedt een aantal standaard sjablonen. Op basis van deze sjablonen kunnen BIM-managers zelf sjablonen maken, specifiek voor hun eigen business en bedrijf.


Terug naar Inhoudsopgave


Voorbereiden BIM-model

Voordat u 'TheModus Documentation' gebruikt zijn er een aantal voorbereidingen nodig. 

 

Ten eerste moeten enkele voorbereidingen in uw project zijn getroffen. Om ervoor te zorgen dat u dit niet in ieder project moet doen, adviseren wij u deze voorbereidingen in uw project templates door te voeren.

 

'TheModus Documentation' genereert views. Deze views zijn van een 'ViewType'. Iedere 'ViewType' maakt gebruik van een 'ViewTemplate'. In deze 'ViewTemplate' moet een project parameter beschikbaar zijn van het type 'Text' met de naam 'Sub-Discipline' (hoofdletter gevoelig). In deze parameter geeft u een waarde op welke refereert naar het proces waarvoor de documenten gemaakt worden. Voorbeelden zijn "Elektra, Productie prefab, Kozijnstaten, ...)

Voorzie uw project en project templates van alle gewenste 'ViewTypes'.

 

Vervolgens maakt 'TheModus Documentation' gebruik van zeer veel informatie, welke veelal beschikbaar is bij de gekozen elementen. Tevens maakt 'TheModus Documentation' gebruik van TheModus Groepen. Maak daarom gebruik van 'TheModus Informatie Structureren en Groeperen' om uw informatie snel en efficiënt te organiseren in uw model. 

 

Sla voordat u begint met 'TheModus Documentation' altijd uw model op. 


Terug naar Inhoudsopgave


Werkstromen

'TheModus Documentation' biedt in hoofdlijn 3 type werkstromen, namelijk de elementen werkstroom, de project werkstroom en de ruimte werkstroom. 

  1. De elementen werkstroom is met name bedoelt voor het documenteren van elementen of prefab sets. 
  2. De project werkstroom heeft als doel het documenteren van complete gebouwen of delen daarvan. 
  3. De ruimte werkstroom is specifiek voor het documenteren van ruimte informatie.

De werkstromen worden in de volgende paragrafen in detail uitgelegd.


Terug naar Inhoudsopgave


Documenteren elementen

De 'Elementen werkstroom' is specifiek bedoelt voor het documenteren van elementen of collecties van elementen, zoals prefab onderdelen en samenstellingen. Bij de 'Elementen werkstroom' wordt voor alle sneden, dus ook plattegronden, bovenaanzichten, onderaanzichten en plafondaanzichten, gebruik gemaakt van ‘Detail Sections’. De positie en de kijkrichting van iedere weergave worden berekend op basis van de collectie van elementen. Dit heeft als grote voordeel dat de weergaven niet gehinderd worden door typische eigenschappen zoals verdieping informatie.

 

Voor de 'Elementen werkstroom' kunnen ‘2D Views’, ‘3D Views’, ‘Schedules’ en ‘Legends’ worden gegenereerd en geplaatst worden op één of meerdere ‘Sheets’.

 

De werkstroom is beschikbaar voor 4 verschillende element typen:

  • Revit elements.
    ‘Revit elements’ wordt gebruikt voor het documenteren van Revit families. Deze eenvoudige werkstroom maakt het mogelijk om aanzichten, sneden, plattegronden en 3D’s te maken van geplaatste Revit families. U selecteert één of meerdere categorieën, families en/of familietypen. Er wordt documentatie gegenereerd voor ieder geselecteerd element. De weergaven worden altijd berekend ten opzichte van het element. Een vooraanzicht is dan ook altijd een vooraanzicht van het element, en niet beredeneerd vanuit het project. De werkstroom ‘Revit elements’ wordt het meest toegepast bij het genereren van documentatie voor specifieke maatwerkproducten, die vooral uniek zien. Denk bijvoorbeeld aan kozijnstaten van utiliteitsgebouwen, maatwerk meubels of speciale technische objecten.
  • Revit assemblies.
    ‘Revit assemblies’ functioneert in feite hetzelfde als ‘Revit elements’, echter met de voordelen van de samenstelling. Alleen de samenstelling inclusief al zijn elementen, wordt gedocumenteerd, en niet alle geplaatste samenstellingen. De weergaven worden altijd berekend ten opzichte van de ‘Revit Assembly’. Een Revit Assembly heeft een eigen assenstelsel waarmee u zelf controle kunt uitoefenen op de weergaven. Wilt u losse elementen documenteren, doch echter alleen per type, dan biedt de ‘Revit Assembly’ werkstroom een goede oplossing. De werkstroom ‘Revit Assemblies’ wordt het meest toegepast bij het generen van documentatie van repeterende maatwerkproducten. Denk bijvoorbeeld aan kozijnstaten van woningen, maatwerk kasten of prefab samenstellingen.
  • Revit Group.
    ‘Revit Groups’ wordt gebruikt als u documentatie wilt genereren van een collectie van Revit objecten. Iedere geplaatste groep wordt gedocumenteerd, ook al is de groep hetzelfde. De weergaven worden altijd berekend ten opzichte van de collectie van elementen, doch gezien vanuit het project. Een vooraanzicht van een ‘Revit Group’ is dan niet noodzakelijk een vooraanzicht van het element, maar is beredeneerd vanuit het project. De werkstroom ‘Revit Group’ wordt gebruikt bij het generen van documentatie van fragmenten uit het gebouw. 
  • TheModus Group.
    ‘TheModus Group’ is een optimalisatie ten opzichte van de workflow ‘Revit Group’. Ten eerste is het mogelijk om de groepen automatisch te genereren, op basis van kenmerken van de objecten. Ten tweede bepaalt u zelf de oriëntatie, op basis van een beschikbaar element in de groep. Zo kunnen groepen worden gedocumenteerd, met altijd dezelfde projectie uitgangspunten. Daarnaast kan in één handeling gekozen worden dat bij het generen van documentatie voor een groep:
    • De hele groep wordt gedocumenteerd; Alleen de hele groep met al zijn elementen wordt gedocumenteerd. Dit kan bijvoorbeeld een prefab set voor riolering zijn.
    • Alleen de detail items worden gedocumenteerd. In een prefab set van riolering zou dit betekenen dat alle elementen in de set afzonderlijk wordt gedocumenteerd;
    • Alleen de hoofd items worden gedocumenteerd. In een prefab set van riolering zou dit betekenen dat alleen het item welke de projectie vertegenwoordigd wordt gedocumenteerd. Voor een prefab set is dit een slecht voorbeeld, maar bij een kozijnstaat kan dit wenselijk zijn. Er wordt dan namelijk alleen het kozijn gedocumenteerd.
    • De hele groep met de detail items wordt gedocumenteerd. In dit voorbeeld wordt de prefab set van de riolering gedocumenteerd én ieder element nog eens afzonderlijk. Dat maakt de documentatie van een prefab set helemaal compleet.
      ‘TheModus Group’ wordt veel gebruikt bij technische plannen zoals elektra plannen en prefab rioleringen.

 

Volg onderstaande stappen voor het documenteren van elementen:

  • Zorg ervoor dat uw project is opgeslagen.
  • Ga naar de knoppenbalk [ Cadac Revit ]
  • Klik op [ Documentatie ] in het paneel [ Productiviteit ] en klik op [ Project documentatie ]
  • Selecteer het gewenste type bij '1. Select type'
    U kunt kiezen uit:
    • Revit Elements
    • Revit Assembly
    • Revit Group
    • TheModus Group
    • TheModus Group alleen detail items
    • TheModus Group alleen hoofditem
    • TheModus Group met detail items
  • Kies de gewenste elementen. U kunt met de <CTRL> toets meerdere elementen kiezen. U kunt de specifieke elementen kiezen of de groepen en daarmee alle elementen onder een groep kiezen.
  • Klik [ VOLGENDE ]
  • Selecteer het gewenste sjabloon. U moet een sjabloon hebben waarin alle instellingen zijn gedefinieerd. Voor meer informatie zie “Inrichten sjabloon”. U kunt met de <CTRL> toets meerdere sjablonen kiezen. Zo kunnen van een element meerdere documenttypen gemaakt worden in één handeling.
  • Klik [ START ]
    De documenten worden gegenereerd.


Terug naar Inhoudsopgave


Documenteren project

De project werkstromen zijn specifiek bedoelt voor het documenteren van grote projectdelen of het hele project. De project werkstromen maken gebruik van ‘Sections’ voor de aanzichten en doorsneden. Voor de plattegronden, bovenaanzichten, onderaanzichten en plafondaanzichten worden zogenaamde ‘Planviews’ gebruikt. Voor de project werkstromen is in beginsel de project oriëntatie leidend voor de berekening van de projecties. Doch kunnen met behulp van ‘Scope Boxen’ of ‘TheModus Project Groepen’ andere oriëntaties worden afgedwongen.

 

Voor de project werkstromen kunnen ‘2D views’, ‘3D views’, ‘Schedules’ en ‘Legends’ worden gegenereerd en geplaatst worden op één of meerdere ‘Sheets’.

 

Er zijn 3 project werkstromen beschikbaar:

  1. Bladen met aanzichten, doorsneden, plattegronden, 3D weergaven, uittrekstaten en legenda’s op basis van een vastgesteld aantal verdiepingen.
    Voor deze werkstroom activeert u de optie [] 'Gebruik gespecificeerde levels van documentatie layout' in het eerste formulier van ‘TheModus Documentation’.
  2. Bladen met plattegronden, op basis van een selectie van verdiepingen.
    Voor deze werkstroom deactiveert u de optie [] 'Gebruik gespecificeerde levels van documentatie layout' in het eerste formulier van ‘TheModus Documentation’, en selecteert u de gewenste verdiepingen. De verdiepingen die worden getoond zijn alle verdiepingen die in Revit als ‘Building Story’ zijn gemarkeerd.
  3. Bladen met afhankelijke weergaven, op basis van een selectie van weergaven.
    Voor deze werkstroom selecteert u de typen ‘…Dependencies’ in de lijst '1. Select type'. Vervolgens selecteert u de gewenste ‘Views’. De afhankelijke weergaven worden afhankelijk gemaakt van deze selectie weergaven. Belangrijk is dat de ‘Viewtypes’ van de geselecteerde weergaven overeenkomen met de ‘Viewtypes’ zoals beschikbaar in het geselecteerde sjabloon!

 

Deze 3 werkstromen zijn beschikbaar voor 3 verschillende element typen:

  1. Het hele project, waarbij wordt uitgegaan van een vaste ‘Bounding Box’ van 300 m breed bij 200 m diep.
    In de lijst '1. Select type' is dit het type:
    • Revit Project.
    • Revit Project Dependencies.
  2. Op basis van de ‘Scope Box’ waarbij de afmetingen en de oriëntatie van de ‘Scope Box’ bepalend is voor de projecties. In de lijst '1. Select type' is dit het type:
    • Revit Scope Box.
    • Revit Scope Box Dependencies.
  3. Op basis van de ‘TheModus Project Groep’ waarbij de afmetingen en de oriëntatie van de ‘Bounding Box’ van de  ‘TheModus Project Groep’ bepalend zijn voor de projecties.
    In de lijst '1. Select type' is dit het type:
    • TheModus Projectgroup.
    • TheModus Projectgroup Dependencies.

 

Op basis van de 3 werkstromen en de 3 typen zijn er 9 procedures mogelijk. Onderstaand wordt uitgelegd welke procedure het meest geschikt is voor welke toepassing:

  1. Revit Project met gespecificeerde levels. Met deze procedure kunt u snel weergaven generen van het hele project. Deze procedure wordt geadviseerd voor het genereren van weergaven voor het modelleren van woningbouw projecten. 
  2. Revit Project met variabel aantal verdiepingen. Met deze procedure kunt u snel weergaven generen van het hele project. Deze procedure wordt geadviseerd voor het genereren van plattegronden voor het modelleren van utilitaire projecten. 
  3. Revit Project Dependencies. Met deze procedure kunt u snel afhankelijke weergaven generen van het hele project. Deze procedure wordt geadviseerd voor het genereren van weergaven voor het modelleren van woningbouw en utilitaire projecten.
  4. Revit Scope Box met gespecificeerde levels. Met deze procedure kunt u snel weergaven generen van het hele project. Deze procedure wordt geadviseerd voor het genereren van weergaven voor het documenteren van woningen of woonblokken van woningbouw projecten. Denk hierbij aan schets ontwerpen, bestektekeningen, verkoopdocumentatie, technische tekeningen.
  5. Revit Scope Box met variabel aantal verdiepingen. Met deze procedure kunt u snel weergaven generen van het hele project. Deze procedure wordt geadviseerd voor het genereren van plattegronden voor het documenteren van utilitaire projecten of delen daarvan. Denk hierbij aan schets ontwerpen, bestektekeningen, verkoopdocumentatie, technische tekeningen. Voor utilitaire projecten wordt deze procedure vaak gecombineerd met ‘Revit Scope Box, weergaven afhankelijk van sjabloon verdiepingen’.
  6. Revit Scope Box Dependencies. Met deze procedure kunt u snel afhankelijke weergaven generen van het hele project. Deze procedure wordt geadviseerd voor het genereren van weergaven voor het documenteren van woningbouw projecten of utilitaire projecten. Denk hierbij aan schets ontwerpen, bestektekeningen, verkoopdocumentatie, technische tekeningen. Deze procedure wordt vooral toegepast in combinatie met ‘Revit Scope Box, weergaven afhankelijk van sjabloon verdiepingen’ en ‘Revit Scope Box, variabel aantal verdiepingen’, waar op de basis weergaven alle labels, teksten en maatvoering wordt aangebracht, en via scope boxen alleen fragmenten of bouwdelen van het gebouw worden gedocumenteerd die dan automatisch deze maatlijnen, labels en teksten overnemen.
  7. TheModus Project Group met gespecificeerde levels. Deze procedure doet nagenoeg hetzelfde als de procedure ‘Revit Scope Box...’. Het bijkomende voordeel van deze procedure is dat uittrekstaten veel gedetailleerder kunnen worden weergegeven omdat de elementen behorende bij de groep allemaal dezelfde kenmerken bevatten.
  8. TheModus Project Group met variabel aantal verdiepingen. Deze procedure doet nagenoeg hetzelfde als de procedure ‘Revit Scope Box...’. Het bijkomende voordeel van deze procedure is dat uittrekstaten veel gedetailleerder kunnen worden weergegeven omdat de elementen behorende bij de groep allemaal dezelfde kenmerken bevatten.
  9. TheModus Project Group Dependencies. Deze procedure doet nagenoeg hetzelfde als de procedure ‘Revit Scope Box...’. Het bijkomende voordeel van deze procedure is dat uittrekstaten veel gedetailleerder kunnen worden weergegeven omdat de elementen behorende bij de groep allemaal dezelfde kenmerken bevatten.


Volg onderstaande stappen voor het documenteren van projecten:

  • Ga naar de knoppenbalk [ Cadac Revit]
  • Klik op [ Documentatie ] in het paneel [ Productiviteit ] en klik op [ Project documentatie ]
  • Selecteer het gewenste type bij '1. Select type'.
    U kunt kiezen uit:
    • Revit Project.
    • Revit Project Dependencies.
    • Revit Scope Box.
    • Revit Scope Box Dependencies.
    • TheModus Project Group.
    • TheModus Project Group Dependencies.
  • Selecteer het project of kies de gewenste ‘Scope Boxen’ of ‘TheModus Project groepen’. U kunt met de <CTRL> toets meerdere elementen kiezen. U kunt de specifieke elementen kiezen of de groepen en daarmee alle elementen onder een groep kiezen.
  • Maak een keuze bij '3. Selecteer levels / views'.
    • Activeer [] 'Gebruik gespecificeerde levels van documentatie layout' om complete documentatiesets te genereren op basis van de opgegeven weergaven in de sjablonen.
    • Deactiveer [] 'Gebruik gespecificeerde levels van documentatie layout' en selecteer de gewenste verdiepingen om documentatiesets te genereren van een selectie van verdiepingen.
    • In geval van ‘…Dependencies’; selecteer de weergaven waarvan afhankelijke weergaven moeten worden gegenereerd.
  • Klik [ VOLGENDE ]
  • Selecteer het gewenste sjabloon. U moet een sjabloon hebben waarin alle instellingen zijn gedefinieerd.
    Let op!
    Dat u bij ‘…Dependencies’ een sjabloon kiest waarvan de ‘Viewtype’ van de geselecteerde ‘View’ overeenkomt met het sjabloon. Voor meer informatie zie Inrichten sjabloon. U kunt met de <CTRL> toets meerdere sjablonen kiezen. Zo kunnen van de selecties meerdere documenttypen gemaakt worden in één handeling.
  • Klik [ START ]
    De documenten worden gegenereerd.

 

N.B.

Voor de Revit scopebox gelden een aantal beperkingen. Revit scope boxen hebben maar een beperkt aantal eigenschappen beschikbaar. Als gevolg is het niet mogelijk om bepaalde eigenschappen te gebruiken voor het opbouwen van de viewnamen, de sheetnamen, het zetten van viewfilters en het zetten van schedule filters. Gebruik indien gewenst TheModus Project Groepen.


Terug naar Inhoudsopgave


Ruimte werkstroom

De 'Ruimte werkstroom' is specifiek bedoelt voor het documenteren van ruimten, ofwel ‘Rooms’ en ‘Spaces’. De 'Ruimte werkstroom' lijkt veel op de 'Elementen werkstroom'.

De 'Ruimte werkstroom' maakt gebruik van ‘Sections’ voor de aanzichten en doorsneden.


De 'Ruimte werkstroom' is uitermate geschikt om een goed beeld te krijgen van het model per ruimte. De 'Ruimte werkstroom' ondersteund 2 principes:

  1. Een ruimte documenteren.
  2. De wanden van een ruimte documenteren.


Bij het eerste principe wordt gebruik gemaakt van standaard sneden die:

  • in het midden van de ruimte geplaatst worden, kijkend naar buiten.
    of
  • buiten de ruimte geplaatst worden, kijkend naar de ruimte.

Bij het tweede principe wordt de ruimte geanalyseerd. Er wordt eerst onderzocht welke wanden er zijn in de ruimte. 'TheModus Documentatie' genereert vervolgens voor iedere wand een snede. Om gebruik te maken van di ttype, is een standaard projectie beschikbaar genaamd 'Placeholder wand aanzicht'.


Behalve de nodige aanzichten kan een 'ruimte uitslag' voorzien worden van een plattegrond, plafondaanzicht, '3D views', 'Schedules' en 'Legends'.

 

Volg onderstaande stappen voor het documenteren van ruimten:

  • Ga naar de knoppenbalk [ Cadac Revit ]
  • Klik op [ Documentatie ] in het paneel [ Productiviteit ] en klik op [ Project documentatie ]
  • Selecteer bij '1. Select type':
    • ‘Revit Rooms and Spaces
  • Kies de gewenste ruimten. U kunt met de <CTRL> toets meerdere elementen kiezen. U kunt de specifieke elementen kiezen of de groepen en daarmee alle elementen onder een groep kiezen.
  • Klik [ VOLGENDE ]
  • Selecteer het gewenste sjabloon. U moet een sjabloon hebben waarin alle instellingen zijn gedefinieerd. Voor meer informatie zie Inrichten sjabloon. Zo kunnen van de selecties meerdere documenttypen gemaakt worden in één handeling.
  • Klik [ START ]
    De documenten worden gegenereerd.


Terug naar Inhoudsopgave


Inrichten sjabloon

Voor het documenteren van elementen, gebouwdelen of gebouwen zijn vele instellingen nodig. Dit zijn allemaal standaard instellingen op basis van standaard Revit eigenschappen van views en sheets. Deze instellingen worden opgeslagen in een sjabloon. 

 

Voor het inrichten van een sjabloon is redelijke Revit kennis nodig. Met name hoe viewinstellingen in Revit werken is van belang. Er wordt dan ook geadviseerd om een BIM-manager de sjablonen in te laten richten. Cadac kan uiteraard ook op basis van consultancy ondersteunen.

 

Het inrichten van de sjablonen heeft de volgende doelen:

  • Te komen tot een maximale tijdsbesparing voor de modelleur.
  • Te komen tot een goede proces ondersteuning.
  • Te komen tot een maximaal kwaliteitsniveau van de documentatie.

Afhankelijk van de soort documentatie, zullen meerdere sjablonen noodzakelijk zijn. Een elektra plan zal een totaal ander sjabloon behoeven dan een kozijnstaat. Een sjabloon is afhankelijk van uw discipline en de soort documenten die u doorgaans oplevert voor de uit te voeren werkzaamheden.

 

U kunt sjablonen maken, hernoemen, kopiëren, verwijderen en wijzigen.

 

Volg onderstaande stappen voor het maken en onderhouden van sjablonen:

  • Ga naar de knoppenbalk [ Cadac Revit ]
  • Klik op [ Documentatie ] in het paneel [ Productiviteit ] en klik op [ Project documentatie ]
  • Selecteer het gewenste type bij '1. Select type':
    • Voor Elementen:
      • Revit Elements
      • Revit Assembly
      • Revit Group
      • TheModus Group
      • TheModus Group alleen detail items
      • TheModus Group alleen hoofditem
      • TheModus Group met detail items
    • Voor project:
      • Revit Project
      • Revit Project Dependencies
      • Revit Scope Box
      • Revit Scope Box Dependencies
      • TheModus Project Group
      • TheModus Project Group Dependencies
    • Voor Rooms/Spaces:
      • Revit Rooms and Spaces
  • Selecteer de gewenste elementen bij '2. Selecteer Elementen'
    Afhankelijk van de gemaakte keuze bij '1. Select type' en '2. Selecteer elementen':
    • Bij '3. Selecteer levels / views'
    • Activeer [] 'Gebruik gespecificeerde levels van documentatie layout'
      of
    • Selecteer één of meerdere levels/views
  • Klik [ VOLGENDE ]
    De pagina ‘SELECTEER LAYOUT’ is nu geopend.
  • Een nieuw sjabloon maken:
    • Klik  (Maak een nieuwe layout) om een nieuw sjabloon te maken;
    • Geef de naam van het sjabloon op.
    • Klik [ OK ]
      Het sjabloon wordt opgeslagen. De pagina 'VIEW DEFINITIES AANMAKEN' wordt geopend.
    • Volg de stappen genoemd in: Viewdefinities aanmaken
    • Klik [ Volgende ]
      De pagina 'VIEW PROPERTIES INSTELLEN' wordt geopend.
    • Volg de stappen genoemd in: View properties instellen
    • Klik [ OPSLAAN EN VOLTOOIEN ]
    • Klik [ OK ]
  • Een bestaand sjabloon kopiëren:
    • Klik (Kopiëer bestaande layout) om een kopie te maken van een bestaand sjabloon;
    • Selecteer het bron sjabloon.
    • Klik [ OK ]
      De nieuwe sjabloon verschijnt in de lijst; <Sjabloonnaam>_Kopie
    • Selecteer het gekopieerde sjabloon het hernoem deze.
  • Een bestaand sjabloon hernoemen:
    • Selecteer het sjabloon welke u wilt hernoemen.
    • Klik [ Layout hernoemen ]
    • Geef de nieuwe naam van het sjabloon op.
    • Klik [ OK ]
      De sjabloonnaam wordt gewijzigd.
  • Een bestaand sjabloon verwijderen:
    • Selecteer het sjabloon welke u wilt verwijderen.
    • Klik [ Verwijder layout ]
    • Klik:
      • [ JA ] om het sjabloon te verwijderen
      • [ NEE ] om het sjabloon te behouden
  • Een bestaand sjabloon wijzigen:
    • Selecteer het sjabloon welke u wilt wijzigen of instellen.
    • Klik [ Layout configureren ]
      Het stappenplan voor het inrichten van een sjabloon wordt geopend.
      Voor het inrichten van de sjablonen zijn 4 stappen die doorlopen moeten worden. In de volgende paragrafen worden deze stappen tot in detail uitgelegd. U kunt ervoor kiezen om alleen ‘Views’ in te stellen in een sjabloon. U kunt ervoor kiezen om de ‘Views’ te laten plaatsen op ‘Sheets’. 
    • Stel in stap 1 (Viewdefinities aanmaken) de gewenste projecties in;
    • Stel in stap 2 (View properties instellen) de eigenschappen van de weergaven in;
    • Om alleen ‘Views’ te genereren, klik [ OPSLAAN EN VOLTOOIEN ]
      of
    • Om de weergaven ook op het blad/sheet te laten plaatsen, klik [ SHEETS INSTELLEN ]


Terug naar Inhoudsopgave


Viewdefinities aanmaken

De weergave van de documentatie is gebaseerd op de viewinstellingen zoals u kent van Revit. Er worden ‘Viewtypes’ gebruikt waaraan ‘Viewtemplates’ zijn gekoppeld, met daarin alle gewenste viewinstellingen, zoals actieve categorieën, schaal etc. 

 

Het is ontzettend belangrijk om de ‘Viewtypes’ en de bijbehorende ‘Viewtemplates’ goed in te richten. Schakel alleen die modelcategorieën vrij, welke van belang zijn voor uw documentatie. Het proces waarvoor u de documentatie nodig heeft, bepaald dus hoe de ‘Viewtemplate’ moet worden ingericht.

 

Op basis van de beschikbare ‘Viewtypes’ begrijpt 'TheModus Documentation' ook welke projecties gemaakt kunnen worden. 

Zo worden voor de 'element' werkstromen en de 'ruimte' werkstroom ‘Detail sections’ gebruikt voor alle aanzichten, sneden, en plattegronden. Voor de 'project' werkstromen worden ‘Sections’ gebruikt voor de aanzichten en sneden. Voor de plattegronden worden ‘Planviews’ gebruikt. Verder kunnen voor alle werkstromen ‘3D views’, ‘Schedules’ en ‘Legends’ worden gemaakt.

 

De 'Detail sections' worden altijd geplaatst ten opzicht van de 'Bounding Box'. In geval van de aanzichten worden de sneden aan de buitenzijde van deze box geplaatst, kijkend naar de box. In geval van de sneden wordt de snede geplaatst in het midden van de box, kijkend naar buiten.

Bij de 'Ruimte' werkstroom is er een uitzondering, namelijk de 'Placeholder wand aanzicht'. In dit geval wordt geanalyseerd welke wanden zicht bevinden langs de ruimten, en wordt er vervolgens aan de ruimte zijde een snede geplaatst, kijkend naar de wand.


In het sjabloon wordt vastgelegd welke projecties gemaakt moeten worden en van welk ‘Viewtype’ deze moeten zijn. 

 

Volg onderstaande stappen voor het vastleggen van de juiste projecties in het sjabloon:

  • Het formulier [ VIEW DEFINITITES AANMAKEN ] is geopend;
  • Selecteer in kolom '1. Selecteer viewtype' één of meerdere weergaven (met <CTRL> + klik). De weergaven zijn gesorteerd op Discipline -> Sub discipline -> Viewtype.
    Documentatie kan gegenereerd worden over meerdere Disciplines of Sub-disciplines. Dit is vaak gewenst bij installatieplannen;
  • Selecteer in de kolom '2. Selecteer projecties' één of meerdere projecties (met <CTRL> + Klik.
  • Klik [ Maak nieuwe view definitie ] om de selectie toe te voegen als weergave definitie. Deze worden vervolgens getoond onder '3. Gemaakte view definities'.
    Als er ‘Viewtypen’ van verschillende Disciplines of Sub-disciplines zijn geselecteerd, dan wordt er voor al deze een viewdefinitie gemaakt.
  • Herhaal bovenstaande stappen totdat alle 'view definities' gemaakt zijn.
  • Een 'view definitie' kan verwijderd worden:
    • Selecteer de te verwijderen 'view definitie(s)' onder '3. Gemaakte view definities'
    • Klik (Verwijder geselecteerde viewdefinitie(s))
    • Klik:
      • [ Ja ] om de geselecteerde view definitie(s) te verwijderen.
      • [ NEE ] om de geselecteerde view definitie(s) te behouden.
  • Klik [ VOLGENDE ]
  • Ga verder met View properties instellen

N.B. 

  • In de navigatiebomen kunt u met de rechtermuisknop alle informatie in of uit klappen. 
  • In de navigatiebomen gebruikt u de <CTRL> toets om meerdere regels te selecteren. 


Terug naar Inhoudsopgave


View properties instellen

In de 'View properties' worden specifieke weergave eigenschappen opgegeven zoals de naam, de fase, eventuele filters en nog overige eigenschappen van de view.


De ‘View’ naam instellen

Op basis van eigenschappen van de geselecteerde elementen of de ‘Viewtypen’ kunt u een naam van de weergave samenstellen. De naam dient uniek te zijn, daarom wordt er een identificatienummer aan toegevoegd. De waarde wordt ook toegevoegd aan de viewparameter “Title on Sheet”, zodat de correcte naam ook op een ‘Sheet’ getoond kan worden.

 

Volg onderstaande stappen voor het inrichten van de naam:

  • Het formulier 'VIEW PROPERTIES INSTELLEN' is geopend;
  • Klik op (View naam syntax aanpassen).
    Een nieuw formulier opent met daarin alle beschikbare eigenschappen voor de viewnaam;
  • Selecteer een gewenst scheidingsteken en één of meerdere eigenschappen, in de volgorde zoals u deze in de naam wenst, gebruik de <CTRL> toets om meerdere componenten te selecteren. Tevens kan een vaste tekst toegevoegd worden:
    • Type de tekstwaarde achter 'Vrije tekst:
    • Klik (Voeg vrije tekst toe)
      De waarde wordt toegevoegd onder “Vrije tekst” en kan worden geselecteerd.
  • Klik [ OK ]
    Het scherm sluit en de syntax voor de ‘View naam' wordt nu weergegeven onder 'View naam syntax'. In deze syntax balk kunnen volgende handelingen uitgevoerd worden:
    • Schuiven met de eigenschappen; Klik een eigenschap aan en schuif deze naar de gewenste positie.
    • Het scheidingsteken wijzigen; Klik op het 'uitrolmenu' en kies het gewenste scheidingsteken.
    • Een eigenschap verwijderen; Klik op de eigenschap en klik (Verwijder eigenschap)

N.B.

  • U kunt vrije tekst verwijderen. Klik de tekstwaarde aan en klik (Verwijder geselecteerde vrije tekst)
  • Er zijn diverse categorieën eigenschappen beschikbaar:
    • Project informatie parameter: dit zijn algemene project eigenschappen die in Revit terug te vinden zijn onder Project Information;
    • Project parameter: dit is informatie van het geselecteerde element afkomstig uit een project parameter;
    • View parameter: dit is informatie afkomstig van de viewtemplate;
    • Documentatieparameter:
      • Elementnaam: vertegenwoordigd de naam van het element, groepnaam of naam ‘Scopebox’ afhankelijk van de selectie van de workflow en het element;
      • Projectienaam: vertegenwoordigd de projectie;
      • Viewtemplate naam: vertegenwoordigd de naam van de viewtemplate.
    • Familie Parameter: dit is informatie afkomstig uit het familietype, inclusief shared parameters.
    • Level Parameter: dit is informatie afkomstig van het Level.


Terug naar Inhoudsopgave


Een ‘View’ filter instellen

U kunt een viewfilter instellen waarmee u bepaalde informatie kunt weglaten uit de view.

De viewfilter werkt gelijkwaardig als dat een viewfilter in Revit wordt ingesteld. De viewfilter maakt gebruik van project parameters.

 

Volg onderstaande stappen voor het instellen van de ‘View’ filter:

  • Het formulier 'VIEW PROPERTIES INSTELLEN' is geopend;
  • Selecteer bij 'Filter parameter' de gewenste parameter. Deze parameter wordt gebruikt om de filter op toe te passen én het criterium uit te lezen. Het criterium wordt uitgelezen bij het element waarvan de documentatie wordt gegenereerd;
  • Selecteer bij 'Filter Criteria' de operator hoe de filter moet worden toegepast;
    • Begint met
    • Begint niet met
    • Bevat
    • Bevat niet
    • Eindigt met
    • Eindigt niet met
    • Gelijk =
    • Groter dan >
    • Groter of gelijk >
    • Heeft parameter
    • Kleiner dan <
    • Kleiner of gelijk <=
    • Ongelijk <>
  • Selecteer bij 'Filter positie':
    • Eerste; als dit filter als eerste filter mag worden toegepast in de view.
    • Laatste; als dit filter als laatste filter mag worden toegepast in de view.
    • Vervang; als dit filter alle andere filters mag verwijderen.

N.B. 

  • De filter wordt aangemaakt met het kenmerk "visibility" uitgeschakeld!
  • Een filter kan alleen worden ingesteld, als dit toegestaan is in de viewtemplate. Het vinkje 'Include' in het instellingen scherm van de Revit ‘View’ Template moet dan zijn uitgevinkt!
    Image


View fase instellen

U kunt instellen welke fase de ‘View’ moet presenteren. Alle beschikbare fasen van het project kunnen worden geselecteerd. 

 

Volg onderstaande stappen voor het inrichten van de ‘View’ fase:

  • Het formulier 'VIEW PROPERTIES INSTELLEN' is geopend;
  • Klik achter 'View fase' op het afrolmenu;
  • Selecteer de gewenste fase.


View marges

Ieder element heeft heeft een 'Bounding Box'. Dit is een doos die de maximale lengte, breedte en hoogte vertegenwoordigd van het element. Deze 'Bounding Box' wordt gebruikt voor de berekeningen in 'TheModus Documentation'.


In sommige gevallen wilt u extra marge creëren rondom de 'Bounding Box'. Meestal omdat maatgevende elementen het element raken. Een voorbeeld is een ruimte. Bij dit element is het vaak wenselijk om de muren mee te nemen. U kunt in dit geval de 'Bounding Box' vergroten, zodat de muren niet buiten de kaders vallen.


Volg onderstaande stappen om de 'Bounding Box' te vergroten:

  • Het formulier 'VIEW PROPERTIES INSTELLEN' is geopend;
  • Geef bij 'View merges'de offset (in mm) op voor de:
    • Bovenzijde;
    • Zijkant;
    • Onderzijde.

N.B.

  • Indien de waarde "0" is opgegeven zal er altijd een minimale offset plaatsvinden zodat het object ook altijd zichtbaar is in de view.


View eigenschappen instellen

De tabel onder 'View eigenschappen' toont alle geselecteerde projecties. Per projectie kunt u diverse viewinstellingen instellen. 

 

Volg onderstaande stappen voor het inrichten van de ‘View’ eigenschappen:

  • Het formulier [ VIEW PROPERTIES INSTELLEN ] is geopend;
  • Voor alle werkstromen zijn de volgende eigenschappen beschikbaar:
    • Viewport: Geef aan met welke viewport de ‘View’ geplaatst mag worden op een ‘Sheet’. 
    • Link template: Geef aan of de viewtemplate gekoppeld moet worden aan de view.
    • Toon Cropregion: Geef aan of het viewkader voor modelcategorieën getoond moet worden.
    • Annotation Crop: Geef aan of de ‘View’ afgebakend moet worden op basis van het annotatie kader.
  • Voor de 'element' werkstromen zijn ook de volgende eigenschappen beschikbaar:
    • Meervoudige secties: Deze maakt het mogelijk om meerdere sneden te genereren op basis van een element. In dit geval wordt er gerekend met een marge. Lijnen binnen deze marge worden gezien als één geheel. Op basis van deze collectie lijnen wordt de ‘Bounding Box’ van het element verdeelt in meerdere delen, en voor ieder deel wordt een extra snede gegenereerd. Een typisch voorbeeld is een kozijn met meerdere vlakken, waarbij voor ieder vlak een snede gemaakt moet worden. De marge is 100 mm, en is beschikbaar in de definities onder “SectionWidth”.
    • Verberg elementen: Deze activeert de Hide functie van Revit en verbergt alle elementen in de ‘View’ behalve het geselecteerde element.
      Let op!
      Deze functie kan de performance van het hele model beïnvloeden!.
    • Far Clip: Hiermee kan de kijkdiepte van de ‘View’ ingesteld worden. Indien de waarde op 0 staat, wordt de kijkdiepte bepaald door de ‘Bounding Box’ van het element.
  • Indien gebruik gemaakt wordt gemaakt van de projectie 'Placeholder voor wand' zijn extra eigenschappen beschikbaar:
    • Sectie Offset: deze vertegenwoordigd de afstand van de snede ten opzichte van de wand;
    • Min. wand lengte: deze vertegenwoordigd de minimale lengte van de wand (vanuit de ruimte gezien). Indien de lengte kleiner is dan de opgegeven waarde zal geen view worden aangemaakt.

N.B.

  • Indien u het viewport type van een rij wilt toepassen op alle rijen, klik dan met de rechter muis knop op de gewenste waarde en klik 'Op alle toepassen'.
  • Indien u een wijziging (vinkje aan/uit) van een rij wilt aanpassen:
    • Voor alle rijen. Klik dan met de rechter muis knop op de gewenste waarde en klik:
      • 'Alle aanvinken'
        of
      • 'Alle uitvinken'
    • De instelling wilt converteren: Klik dan met de rechter muis knop op de gewenste waarde en klik 'Alle omkeren'
  • Als een "shared nested family" als input dient, dan is het niet mogelijk om "verberg elementen" toe te passen. Deze verbergt dan namelijk de hoofdfamily waardoor Revit ook alle geneste families ook verbergt.


Terug naar Inhoudsopgave


Uittrekstaten en legenda’s instellen 

'TheModus Documentation' kan bij het genereren van de documentatie ook een uittrekstaat en legenda toevoegen. Deze worden dan gedurende de procedure aangemaakt, en altijd op de correcte plaats op het blad geplaatst.


Naam 'Schedule' instellen

Op basis van eigenschappen van de geselecteerde elementen kunt u een naam van de uittrekstaat samenstellen. De naam dient uniek te zijn, daarom wordt er een identificatienummer aan toegevoegd.

 

Volg onderstaande stappen voor het inrichten van de naam:

  • Het formulier [ SCHEDULES EN LEGENDS INSTELLEN ] is geopend.
  • Klik  [ Potlood ]
    Een nieuw formulier opent met daarin alle beschikbare eigenschappen voor de uittrekstaat;
  • Selecteer een gewenst scheidingsteken en één of meerdere eigenschappen, in de volgorde zoals u deze in de naam wenst. U kunt ook vaste tekst toevoegen:
    • Type de tekstwaarde achter [ Vrije tekst ]
    • Klik [ + ]
      De waarde wordt toegevoegd onder “Vrije tekst” en kan worden geselecteerd.
  • Klik [ OK ]
    Het scherm sluit en de syntax voor de ‘Schedule' naam wordt nu weergegeven onder [ Schedule naam syntax ].
    U kunt hier in deze syntax balk:
    • schuiven met de eigenschappen. Klik een eigenschap aan en schuif deze naar de gewenste positie.
    • het scheidingsteken wijzigen.
    • een eigenschap verwijderen. Klik op de eigenschap en klik [ Prullenbak ]

N.B.

  • U kunt vrije tekst verwijderen. Klik de tekstwaarde aan en klik [ Prullenbak ]
  • Er zijn diverse categorieën eigenschappen beschikbaar:
    • Project informatie parameter: dit zijn algemene project eigenschappen die u in Revit terug vind onder Project Information;
    • Project parameter: dit is informatie van het geselecteerde element afkomstig uit een project parameter;
    • View parameter: dit is informatie afkomstig van de viewtemplate
    • Documentatieparameter:
      • Elementnaam: vertegenwoordigd de naam van het element, groepnaam of naam ‘Scopebox’ afhankelijk van de selectie van de workflow en het element;
      • Projectienaam: vertegenwoordigd de projectie;
    • Familie Parameter: dit is informatie afkomstig uit het familietype, inclusief shared parameters.


Terug naar Inhoudsopgave


Maak ‘Schedule’ definitie

U kunt een ‘Schedule’ laten maken en deze automatisch plaatsen op een blad. Voordat een ‘Schedule’ kan worden gegenereerd, moet er een ‘Schedule’ template beschikbaar zijn in het Revit project. Deze ‘Schedule’ template is een normale ‘Schedule’, met daarin de gewenste kolommen en instellingen. Belangrijk is dat er een parameter is toegevoegd in de filterlijst. Deze wordt namelijk door 'TheModus Documentation' gevuld om zo de lijstinhoud te beperken tot de noodzakelijke informatie behorende bij het element.

 

Volg onderstaande stappen voor het inrichten van een ‘Schedule’:

  • Het formulier 'SCHEDULES EN LEGENDS INSTELLEN' is geopend;
  • Klik  [ Maak een nieuwe schedule ] achter 'Maak schedule definitie'.
    Er wordt een ‘Schedule’ regel aangemaakt;
    • Selecteer de gewenste 'schedule' template onder 'Schedule template'
    • Selecteer de parameter waarop gefilterd kan worden onder 'Filter parameter'
    • Selecteer de filter operator onder 'Filter type'
      De kolommen worden uitgelezen. Er wordt automatisch een kolombreedte geplaatst. Pas eventueel de breedte van de kolommen aan.
  • U kunt een ‘Schedule’ verwijderen door de ‘Schedule’ te selecteren en te klikken op (Verwijder schedule)
  • Voeg eventueel een 'Legend' toe
    of
  • Klik [ VOLGENDE ]

 

N.B.

  • Gebruik parameters die een unieke waarde van het element vertegenwoordigen, zoals een ‘Assembly code’ of ‘Mark’.


Terug naar Inhoudsopgave


Legend toevoegen

U kunt een legenda toevoegen op een blad. Hiervoor moet een bestaande 'Legend' in het project beschikbaar zijn. 'TheModus Documentation' plaatst de 'Legend' op de gewenste plek op het blad.

 

Volg onderstaande stappen voor het inrichten van een legenda:

  • Het formulier 'SCHEDULES EN LEGENDS INSTELLEN' is geopend;
  • Klik  (Maak een nieuwe legend) achter 'Legend toevoegen'
    Er wordt een legend regel aangemaakt;
    • Selecteer de gewenste 'legend' template onder 'Legend'
    • Selecteer de gewenste viewport onder 'Viewport'
  • Een 'legend' kan verwijderd worden door de 'legend' te selecteren en te klikken op (Verwijder legend ]
  • Klik [ VOLGENDE ]


Terug naar Inhoudsopgave


Ontwerp sheets

De laatste stap is het inrichten van de bladen ofwel ‘Sheets’.


De 'Views' die het bouwdeel weergeven kunt u laten plaatsen op 'Sheets'. Er zijn enkele mogelijkheden:

  • U kunt alle 'views' van ieder bouwdeel documenteren op één 'sheet'.
    Voorbeeld: een prefabset voor leidingwerk of wanden. 
  • U kunt alle 'views' van ieder bouwdeel verdelen over meerdere 'sheets'.
    Voorbeeld: een boekwerk voor woningen.
  • U kunt alle 'views' van meerdere bouwdelen verdelen over één of meerdere 'sheets'.
    Voorbeeld: een kozijnstaat met alle kozijnen verdeel dover groot formaat bladen. 


Met behulp van een matrix kunnen de ‘Views’ worden geplaatst op de gewenste posities op het blad. 


Terug naar Inhoudsopgave


Sheet naam en nummer definiëren

U kunt een 'Sheet' automatisch voorzien van een naam, gebaseerd op eigenschappen van de geselecteerde elementen en gebruikte viewtypen.

 

Volg onderstaande stappen voor het inrichten van de 'Sheet' naam:

  • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend;
  • Klik binnen de sectie 'Sheet naam syntax' op (Stel sheet naam samen)
    Een nieuw formulier opent met daarin alle beschikbare eigenschappen voor de sheetnaam;
  • Selecteer een gewenst scheidingsteken en één of meerdere eigenschappen, in de volgorde zoals u deze in de naam wenst, gebruik de <CTRL> toets om meerdere componenten te selecteren. Tevens kan een vaste tekst toegevoegd worden:
    • Type de tekstwaarde achter 'Vrije tekst:
    • Klik (Voeg vrije tekst toe)
      De waarde wordt toegevoegd onder “Vrije tekst” en kan worden geselecteerd.
  • Klik [ OK ]
    Het scherm sluit en de syntax voor de ‘Sheet’ naam wordt nu weergegeven onder 'Sheet naam syntax'In deze syntax balk kunnen volgende handelingen uitgevoerd worden:
    • Schuiven met de eigenschappen; Klik een eigenschap aan en schuif deze naar de gewenste positie.
    • Het scheidingsteken wijzigen; Klik op het 'uitrolmenu' en kies het gewenste scheidingsteken.
    • Een eigenschap verwijderen; Klik op de eigenschap en klik (Verwijder eigenschap)

U kunt het sheetnummer instellen. Volg onderstaande stappen voor het instellen van het sheetnummer:

Binnen  de sectie 'Blad instellen':

Selecteer achter 'Sheet nummer prefix' de projectparameter welke een waaarde bevat voor een voorvoegsel. U mag hier ook een waarde typen

Geef bij 'Sheet nummer start' het startnummer op. U kunt voorafgaand aan dit startnummer een symbool opegven, bijv. " - 100". De bladnummering start nu bij nummer 100.



N.B.

  • U kunt vrije tekst verwijderen. Klik de tekstwaarde aan en klik (Verwijder geselecteerde vrije tekst)
  • Er zijn diverse categorieën eigenschappen beschikbaar:
    • Project informatie parameter: dit zijn algemene project eigenschappen die u in Revit terug vind onder Project Information;
    • Project parameter: dit is informatie van het geselecteerde element afkomstig uit een project parameter;
    • Sheet parameter: 
      • Elementnaam: vertegenwoordigd de naam van het element, groepnaam of naam ‘Scopebox’ afhankelijk van de selectie van de workflow en het element;
      • Sheetnaam: dit is de naam van het (tab)blad welke u handmatig aanmaakt. Dit is erg handig als u het element of gebouw documenteert over meerdere bladen.
    • Documentatieparameter:
      • Elementnaam: vertegenwoordigd de naam van het element, groepnaam of naam ‘Scopebox’ afhankelijk van de selectie van de workflow en het element;
      • Projectienaam: vertegenwoordigd de projectie;
      • Viewtemplate naam: vertegenwoordigd de naam van de viewtemplate.
    • Familie Parameter: dit is informatie afkomstig uit het familietype, inclusief shared parameters.
    • U kunt ‘View’ parameters gebruiken in de bladnaam. Echter als er meerdere ‘Views’ op de ‘Sheet’ worden geplaatst, dan wordt de eerste gevonden template gebruikt.


Terug naar Inhoudsopgave


Sheets definiëren

In de sectie 'Blad indelen' kunt u tabbladen inrichten waarbij ieder tabblad een 'sheet' representeert. U kunt hier:

  • bepalen of de 'views' van een bouwdeel verdeeld worden over één of meerdere 'sheets';
  • stelt u het titelkader in;
  • kunt u 'sheet' parameters instellen welke u kunt gebruiken in uw titelkader of gebruiken voor de organisatie van de sheets én schedules;
  • plaatst u de gewenste 'views' op de gewenste locaties;
  • geeft u de juiste marges tussen de 'views' op;


Volg onderstaande stappen voor:

  • Het toevoegen van een nieuwe sheetindeling:
  • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend.
  • Klik (Sheet toevoegen)
  • Geef de gewenste naam op voor de sheetindeling.
  • Klik [ OK ]
    De nieuwe sheetindeling (tabblad) wordt actief
  • Het hernoemen van een sheetindeling (tabbladnaam):
  • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend;
  • Activeer de te wijzigen sheetindeling (tabblad).
  • Klik (Sheet hernoemen)
  • Geef de gewenste naam op voor de sheetindeling;
  • Klik [ OK ]
    De naam wordt gewijzigd.
  • Het verwijderen van een sheetindeling:
  • Het formulier [ ONTWERP SHEETS ] is geopend;
  • Activeer de te verwijderen sheetindeling (tabblad);
  • Klik (Sheet verwijderen);
  • Klik:
    • [ Ja ] om de sheetindeling te verwijderen.
      Eventuele ‘Views’ die op het blad stonden moeten worden toegevoegd op andere beschikbare bladen.
    • [ NEE ] om de sheetindeling te behouden.
  • Een sheetindeling (tabblad) voorzien van een titelkader:
    Iedere sheetindeling kan voorzien worden van een eigen titelkader. Het Revit model moet zijn voorzien van 'Title blocks'. TheModus maakt gebruik van deze 'title blocks':
    • Het formulier [ ONTWERP SHEETS ] is geopend;
    • Activeer de aan te passen sheetindeling (tabblad);
    • Selecteer het gewenste titelkader achter 'Titel blok'.
  • Een 'Sheet' voorzien van eigenschappen:
    • Eigenschappen instellen specifiek per element.
      U kunt eigenschappen van het element gebruiken als kenmerk in het titelkader. Hiervoor moet het titelkader de parameters "CDC Sheet Namesuffix 1" en "CDC Sheet Namesuffix 2"hebben. Dit zijn shared project parameters, type tekst, gekoppeld aan de categorie 'Sheets'. Deze parameters kunt u in het titelkader verwerken. Volg onderstaande stappen om de kenmerken op het bald terug te laten komen:
      • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend;
      • Ga naar de sectie 'Blad instellen'
      • Selecteer achter 'Sheet parameter 1' de projectparameter welke een waarde bevat.
        Deze vult de parameter "CDC Sheet Nameprefix 1"
      • Selecteer achter 'Sheet parameter 2' de projectparameter welke een waarde bevat.
        Deze vult de parameter "CDC Sheet Nameprefix 2"
    • Eigenschappen instellen per tabblad:
      • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend;
      • Ga naar de sectie 'Blad indelen'
      • Activeer de gewenste sheetindeling (tabblad)
      • Selecteer achter 'Sheet Parameter 1' de gewenste 'sheet' parameter. De parameter moet een 'Project parameter' zijn gekoppeld aan 'sheets'. Geef vervolgens achter 'vullen met' de waarde die u wilt invullen. U kunt hier zelf een waarde opgeven, u kunt ook een waarde selecteren afkomstig uit een project parameter van het gekozen element.
      • Selecteer achter 'Sheet Parameter 2' de gewenste 'sheet' parameter. De parameter moet een 'Project parameter' zijn gekoppeld aan 'sheets'. Geef vervolgens achter 'vullen met' de waarde die u wilt invullen. U kunt hier zelf een waarde opgeven, u kunt ook een waarde selecteren afkomstig uit een project parameter van het gekozen element.
  • Marges instellen:
    • Stel de linker marge in; Dit is de afstand tussen de linkerzijde van het blad en de linkerzijde van de eerste view.
      • Geef een waarde, in mm, op achter (offset links rij).
      • Herhaal dit voor elke rij (horizontaal)
        of
      • Klik op om de marge in te stellen voor alle rijen. De linker marge wordt ingesteld voor iedere rij van de matrix. 
    • Stel de boven marge in; Voor de bovenste rij is dit de afstand tussen de bovenzijde van het blad en de bovenzijde van de eerste view. Voor de overige rijen is dit de afstand tussen de onderste zijde van de hoogste ‘view’ en de bovenzijde van de ‘view’ van de volgende rij.
      • Geef een waarde, in mm, op achter (offset top rij).
      • Herhaal dit voor elke rij (horizontaal)
        of
      • Klik op om de marge in te stellen voor alle rijen.  De boven marge wordt ingesteld voor iedere rij van de matrix. 
    • Verdeel de ‘views’ gelijkmatig in een rij over de breedte van het blad;
      Activeer [] (Verdeel views gelijk over rij). De ‘views’ in de rij worden dan niet van links naar rechts geplaatst, maar verdeeld over de breedte.
    • Geef de horizontale marge op tussen de ‘views’; Dit is de horizontale afstand tussen de views onderling.
      Geef bij 'Horizontale offset' een waarde, in mm, op voor de horizontale afstand tussen de verschillende 'views'.
    • Plaats ‘views’ in kolomvorm onder elkaar;
      Activeer [] 'Vaste kolom breedte' om de ‘views’ onder elkaar te plaatsen. De breedte en het midden van de verschillende ‘Views’ worden dan geanalyseerd om de ‘views’ netjes onder elkaar te plaatsen.
  • Meerdere bouwdelen verzamelen op één of meerdere bladen; Alle views die een bouwdeel representeren wordt in dit geval een 'viewset' genoemd. De 'viewset' wordt ingericht in de matrix. De 'viewsets' worden vervolgens van links naar rechts en van boven naar beneden geplaatst, totdat de 'sheet' vol is.  Als er geen plaats meer is op de 'sheet', dan wordt een nieuwe 'sheet' aangemaakt. U kunt in dit geval niet meerdere tabbladen maken. Deze procedure wordt ook gebruikt indien de 'Placeholder voor wand' is gekozen, echter moet dan alleen de titelblok gegevens worden opgegeven.
    • Ga naar de sectie 'Blad instellen';
    • Activeer 'Meerdere elementen op blad' [].
      Er worden enkele eigenschappen vrij geschakeld;
    • Geef bij 'Viewset offset horizontaal' de horizontale afstand, in mm, aan tussen de verschillende viewsets;
    • Geef bij 'Viewset offset verticaal' de verticale afstand, in mm, aan tussen de verschillende viewsets;
    • Geef bij 'Titelblok breedte' de breedte van het titelkader aan. Hier wordt rekening mee gehouden bij de berekening of er voldoende ruimte is voor een volgende viewset;
    • Geef bij 'Titelblok hoogte' de hoogte van het titelkader aan. Hier wordt rekening mee gehouden bij de berekening of er voldoende ruimte is voor een volgende viewset;


Terug naar Inhoudsopgave


Views plaatsen op sheets

Ieder tabblad heeft een matrix van 4 kolommen en 4 rijen. In iedere cel kan een ‘View’ worden toegevoegd.

Een ‘View’ kan één keer worden toegevoegd. Uitgezonderd zijn 'Schedules' en 'Legends'. Die kunnen meerdere malen worden toegevoegd.

 

De exacte positie van de ‘View’ wordt berekend door TheModus. Deze berekening gebeurt op basis van de ‘Bounding Box’ van de elementen, en de opgegeven marges. Dit geld voor alle ‘Views’, met uitzondering van een '3D view', een ‘Schedule’ of een 'Legend'. Voor deze ‘Views’ moeten exacte coördinaten worden opgegeven waar de ‘View’ komt te staan op het blad. Voor de overige ‘Views’ is het ook mogelijk om coördinaten op te geven. De coördinaten worden berekend vanaf de linker bovenhoek van de ‘View’ ten opzichte van de linker bovenhoek van het blad.

 

Het is ook mogelijk om een ‘View’ te roteren. Een ‘View’ kan 90° naar links worden gekanteld, of 90° naar rechts.

 

De berekening van de positionering van de ‘Views’ is afhankelijk van de afmetingen van de views, de ingestelde marges en de eventuele centreeropties.

 

Volg onderstaande stappen voor het toevoegen van een ‘View’ in een matrix cel:

  • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend;
  • Klik op de gewenste cel.
  • Selecteer de gewenste ‘View’, 'Schedule' of 'Legend' uit de lijst; Klik [ OK ]
    • Geef eventueel een rotatie op.
    • Geef indien gewenst coördinaten op (verplicht voor de '3D view', ‘Schedule’ of 'Legend').
  • Herhaal deze voor alle views.

U kunt een geplaatste ‘View’ verslepen naar een andere cel.

U kunt een geplaatste 'View' verwijderen door te klikken op het kruisje rechtsboven in de matrix cel.

N.B.

  • Het uitrekenen van de coördinaten voor de '3D views', 'Schedules' en 'Legends' is altijd complex. Gebruik daarom eerst een aantal representatieve elementen bij het inrichten van een layout.
  • Indien er gebruik wordt gemaakt van de 'Placeholder voor wand' moet er rekening mee gehouden worden dat 'TheModus Documentation' automatisch de views van de wanden áchter' elkaar blijft plaatsen totdat het einde van de bladkader is bereikt of het einde van het titelkader. Rekening houdend met de instellingen 'Titelblok breedte' en 'Titelblok hoogte'. Zodra dit einde is bereikt worden views automatisch op een volgende regel geplaatst. Indien het blad 'vol' is wordt er automatisch een nieuw blad aangemaakt.

 

Terug naar Inhoudsopgave


Revisie beheer

Revisiebeheer is één van de belangrijkste aspecten als we praten over 'Document Management'. In 'TheModus Documentation' zijn enkele functies ingebouwd om te ondersteunen bij het onderhoud van documenten als er wijzigingen plaatsvinden in het BIM model.

 

Er zijn in het kader van revisiebeheer een aantal aspecten waar 'TheModus Documentation' rekening mee kan houden, mits opgegeven door de gebruiker:

  • Als 'TheModus Documentation' de eerste keer wordt uitgevoerd, dan worden ‘Views’ gemaakt van het element;
  • Als 'TheModus Documentation' vervolgens nog eens wordt uitgevoerd, dan worden eerder aangemaakte ‘Views’ van elementen niet verwijderd. Eventuele tags en maatlijnen blijven daarmee behouden;
  • 'TheModus Documentation' controleert of een element is gewijzigd. Als een element wordt gewijzigd, dan is dat zichtbaar in de gemaakte ‘Views’. Echter kunnen de afmetingen van deze ‘Views’ te groot of te klein zijn na de wijziging. In 'TheModus Documentation' kan bepaald worden of de ‘Views’ van een gewijzigd element moeten worden behouden, of dat nieuwe ‘Views’ gemaakt moeten worden. De bestaande ‘Views’ worden dan gewijzigd. Als een gebruiker kiest om de bestaande ‘Views’ te behouden, dan kan de gebruiker per ‘Sheet’ zien, in welke ‘Sheet’ gewijzigde elementen staan. Dit is het eenvoudigst met een ‘Sheet schedule’. De gebruiker kan dan voor zichzelf markeren of hij de ‘Views’ handmatig heeft gecorrigeerd. De status wordt dan de volgende keer bijgewerkt. Als een gebruiker kiest om de bestaande ‘Views’ te vervangen, dan worden nieuwe ‘Views’ gegenereerd. Er moeten dan nieuwe tags en maatvoering worden toegevoegd indien van toepassing.
  • Als een element is verwijderd kan de gebruiker ervoor kiezen dat ook de bladen van dit element worden verwijderd. Indien niet, dan worden de bladen gemarkeerd als “verwijderd”.
  • Voor het onderhouden van de bladen worden een aantal eigenschappen toegevoegd aan de ‘Views’ en de 'Sheets':
    • ‘CDC_Document status’, welke de status van het element op het document weergeeft.
      De beschikbare statussen zijn:
      • Up to date”. De ‘View’ of ‘Sheet’ is up to date
      • Revise”. De gebruiker moet de ‘View’ of ‘Sheet’ controleren. Het element is namelijk gewijzigd.
      • Obsolete”. Het element is verwijderd. De gebruiker moet controleren of hij het blad wilt verwijderen.
    • ‘CDC_Documentation updated by user’. De gebruiker kan hier aanvinken als de ‘Views’ of ‘Sheets’ zijn bijgewerkt van een gewijzigd element;
    • ‘CDC_Document Bounding Box’, met daarin de gegevens van de ‘Bounding Box’ van het element. Op basis van deze gegevens controleert 'TheModus Documentation' of er een wijziging heeft plaatsgevonden;
    • ‘CDC_Document_ID’, met daarin het ID nummer van het element;
    • ‘CDC_Documentation code’, uniek ID voor 'TheModus Documentation'.
    • ‘CDC_Documentation level’, alleen bij de ‘Sheets’, waar het ID van de bijbehorende levels wordt gevuld.


Volg onderstaande stappen om in te stellen dat ‘Views’ en ‘Sheets’ moeten worden verwijderd als het element is verwijderd:

  • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend;
  • Activeer 'Verwijder als gewist' [ ].
    Iedere keer als 'TheModus Documentation' draait voor dezelfde collectie elementen, dan wordt gecontroleerd of het element nog bestaat. Als het element niet meer bestaat worden de ‘Views’ en ‘Sheets’ verwijderd.


Volg onderstaande stappen om in te stellen dat ‘Views’ en ‘Sheets’ moeten worden overschreven als het element is gewijzigd:

  • Het formulier 'ONTWERP SHEETS' is geopend;
  • Activeer 'Overschrijf als gewijzigd' [ ].
    Iedere keer als 'TheModus Documentation' draait voor dezelfde collectie elementen, dan wordt gecontroleerd of het element is gewijzigd. Indien gewijzigd, dan worden de ‘Views’ en ‘Sheets’ verwijderd en worden nieuwe ‘Views’ en ‘Sheets’ gegenereerd.


Als u ervoor kiest dat ‘Views’ of ‘Sheets’ handmatig moeten worden bijgewerkt, activeer dan  de ‘View’ of ‘Sheet’ parameter
'CDC_Documentation updated by user' in de properties van de 'View'of 'Sheet'. Nadat alle ‘Views’ handmatig zijn bijgewerkt, klik [ REVISEER ] op de eerste pagina ('SELECTEER ELEMENTEN') van 'TheModus Documentation', en alle vinkjes worden hersteld en de status wordt bijgewerkt.


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld