Naar hoofdinhoud

Elektra -06- Goten, railkokers en zuilen - TheModus Suites (Nordined)

How to - Elektra

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Goten, railkokers en zuilen


Plaatsen goten en lichtlijnen


Algemeen

  • Verschillende soorten goten kunnen worden getekend
    • Kabelgoten
    • Kabelladders
    • Wandgoten
    • Plintgoten
    • Vloergoten
    • Lichtlijnen voor armaturen
    • Draadgoten
    • Mantelbuizen
  • Voor armaturen kunnen Lichtlijnen worden gegenereerd of getekend
  • Speciale Undo-functie
    • Bij de start van elk commando wordt een Mark geplaatst. Met een speciale Undo-functie kan tot de laatste Mark teruggesprongen worden:
      Alle tussenliggende acties worden dan ongedaan gemaakt, ook de standaard-AutoCAD commando’s.
  • 3D
    • Bij alle goten moeten afmetingen en ophanghoogtes worden opgegeven. 
    • De tekening wordt in 3D getekend. Dit is in het platte vlak niet zichtbaar; pas vanuit een 3D Viewpoint wordt dit zichtbaar.
    • Enkele standaard AutoCAD commando’s voor het bekijken van de tekening in 3D zijn bereikbaar vanuit pull-downmenu Applicatie, Bekijken in 3D.
      De commando’s in het pull-downmenu zijn vertaald, maar verder gelijk aan de standaard commando’s.
      Voor een nadere uitleg over VIEW en 3D-Viewport wordt verwezen naar de AutoCAD Help en handboeken.
  • UCS / WCS
    • Tot en met versie 5.0 moest gewerkt worden met het standaard coördinatenstelsel (Wereld Coördinaten Stelsel - WCS).
      Vanaf versie 5.1 is het gebruik van een aangepast coördinatenstelsel (User Coördinaten Stelsel - UCS) toegestaan onder de volgende voorwaarden:
      • Verschuiving in het X-Y-vlak
      • Verschuiving over de Z-as
      • Rotatie om de Z-as
        Een gekanteld X-Y-vlak (voor bijvoorbeeld het dakvlak) is niet mogelijk.
    • In de dialoogvensters worden de peilmaten als volgt getoond:
      • In vak Vloer: hoogte t.o.v. het UCS
      • In vak Peil: hoogte t.o.v. het WCS
Bij het doortekenen van een goot,  railkoker of lichtlijn worden hoekstukken automatisch geplaatst.
Aangegeven kan worden of ook automatisch een T-aansluiting gemaakt moet worden.

Goten tekenen

  1. Selecteer soort goot met een van de volgende knoppen
    •  Kabelgoot
    •  Kabelladder
    •  Vloergoot
    •  Wandgoot
    • Plintgoot
      of
      selecteer 'Goten-Trace' in pull-downmenu 'Centraal', het soort goot in het vervolgmenu
  2. Wijzig eventueel gegevens in dialoogvenster 'Kabeldraagsysteem Horizontaal'
    • Soort
      • Knop [ Pick ] neemt alle gegevens van referentiegoot over
    • Maten, BxD
      • Knop [ Pick ] neemt alleen gegevens van referentiegoot over als deze ook voorkomen in de lijst met beschikbare maten
    • Maten, Hoogte (hoogte: tot onderkant goot)
      • Knop [ Pick ] neemt ook de hoogte over van andere symbolen
    • Attributen
      • Knop [ Pick ] neemt attribuutgegevens over 
    • Tekenwijze
      • Bij wand- en plintgoten alleen de opties 'Rechts' en 'Links' mogelijk
    • Automatische T-aansluiting
      • Wordt bij begin- en eindpunt toegepast als die aansluiten op een andere goot
      • Als wordt aangesloten op goot met andere ophanghoogte wordt een verticale goot ingevoegd. Bij gebruik van ObjectSnap blijft de getekende goot horizontaal in het platte vlak lopen
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Geef beginpunt goot
    • Ref- voor Referentiepunt
    • Par- voor evenwijdig aan geselecteerde lijn (bij ORTHO AAN) (niet bij wand- en plintgoot)
      Hierbij kan ook een offset worden opgegeven;
      deze wordt opgeteld bij de in het dialoogvenster opgegeven offset.
    • Menu - voor oproepen venster 'Goten' voor aanpassen gootinstellingen
      Deze opties kunnen ook met de rechter muistoets worden opgeroepen.
  5. Geef volgende (knik)punten van de goot.
    Deze punten behoren voor wand- en plintgoten op de wand te liggen;
    Gebruik de OSNAP-functies <endpoint> of <nearest>
    • Undo - laatst getekende goot+hulpstuk wordt weggehaald;
    • Menu - voor oproepen venster 'Goten' voor aanpassen gootinstellingen .
  6. Beëindigen goot: Toets <Enter>
    • Bij gebruik van de optie Automatische T-aansluiting wordt de functie beëindigd na het maken van de T-aansluiting

Genereren lichtlijn

  • Over/tussen twee (of meer) in één lijn geplaatste armaturen wordt een lichtlijn getekend.
  1. Selecteer 'Armaturen' in pull-downmenu 'Licht'
  2. Selecteer Lichtlijn  in het iconenvenster
  3. Selecteer het eerste armatuur
  4. Selecteer het laatste armatuur van de reeks armaturen (op één) lijn
    Als lengte wordt voorgesteld: het aantal armaturen x gemiddelde afstand
  5. Bevestig de lengte met <Enter>of geef zo nodig een afwijkende lengte op
    Een lichtlijn met de opgegeven lengte wordt gecentreerd geplaatst.

Tekenen van een lichtlijn

  1. Selecteer een van de knoppen:
    •  Kabelgoot
    •  Kabelladder
    •  Vloergoot
    •  Wandgoot
    • Plintgoot, in het pull-downmenu 'Centraal', het soort goot in het vervolgmenu
  2. Wijzig in venster 'Kabeldraagsysteem Horizontaal' het soort goot in 'Lichtlijn'.
  3. Teken de lichtlijn alsof het een goot is


Plaatsen mantelbuizen

  • Kabel getekend
  1. Klik op knop of selecteer 'Aarding in terrein' in pull-downmenu 'Centraal'
  2. Selecteer mantelbuis in iconenvenster 'Terreinaarde / Algemeen'
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Wijs het beginpunt van de mantelbuis aan op een kabel of leiding
  5. Wijs het eindpunt van de mantelbuis op de kabel of leiding aan
    De laag van de leiding bepaalt de laag van de mantelbuis.
    De mantelbuis wordt getekend.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen en coderen railkokers en aftakkasten


Algemeen

Railkokers worden getekend als goten, maar worden in de database beschouwd als kasten.

  • Railkokersystemen van de merken Betobar, Canalis, Moeller en EAE Elektrik AS kunnen getekend worden en bewerkt worden.
  • Het bewerken en maatvoeren van railkokersystemen gebeurt identiek aan de werkwijze bij goten.
  • Aftakkasten kunnen op de railkoker geplaatst worden. Deze kunnen slechts op bepaalde plaatsen op de rail worden gemonteerd.
    Voedingskasten kunnen alleen op het einde van een railkoker of op een verbindingspunt worden geplaatst.
    De afstanden kunnen via menu 'Instellingen' worden opgegeven. 
  • Om het installatieschema van  een railkokersysteem automatisch te kunnen genereren moeten rail, aftakkasten en aansluitpunten als volgt worden genummerd: 
    • Elke rail heeft een code met volgnummer; dit is tevens de kastcode in de E-database
      Bijv. R7
    • Per rail worden de aftakkasten genummerd
      Bijv. R7-01, R7-02, R7-03
    • Per aftakkast worden de aansluitpunten genummerd
      Bijv. R7-03-1, R7-03-2, R7-03-3
    • Deze nummering kan met de functie 'Nummeren' worden toegekend.
  • De inhoud van een aftakkast moet bekend zijn om het installatieschema te kunnen genereren. Daartoe moet aan de aftakkast een type worden toegekend

Railkokers tekenen

  1. Klik op één van de knoppen
    Railkoker Voeding
    Railkoker Kracht
    Railkoker Licht
    of
    selecteer 'Railkokersysteem' in pull-downmenu 'Centraal', 'Kracht' of 'Licht'
  2. Wijzig eventueel gegevens in dialoogvenster Railkokersysteem Horizontaal
    • Soort:
      Knop [ Pick ] neemt Merk, Type, Afmetingen en Ophanghoogte en de attributen van referentiekoker over
    • Ophanghoogte (hoogte: tot onderkant koker)
      Knop [ Pick ] neemt ook de hoogte over van andere symbolen
    • Attributen
      Knop [ Pick ] neemt gegevens over 
    • Tekenwijze
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Geef beginpunt goot
    • Ref - voor Referentiepunt
    • Par - voor evenwijdig aan aan te wijzen lijn ORTHO aan
      Hierbij kan ook een offset worden opgegeven;
      deze wordt opgeteld bij de in het dialoogvenster opgegeven offset.
    • Menu - voor oproepen venster Stroomrailsysteem voor aanpassen railkokerinstellingen.
      Deze opties kunnen ook met de rechter muistoets worden opgeroepen.
  5. Geef volgende (knik)punten van de railkoker.
    • Undo - laatst getekende railkoker+hulpstuk wordt weggehaald;
    • Menu - voor oproepen venster 'Railkokersysteem Horizontaal' voor aanpassen railkokerinstellingen .
  6. Beëindigen railkoker: Toets <Enter>
    Nummer de railkoker(s)
    met de functie 'Tellen', optie 'Codeer'
    of
    met de functie 'Nummeren', in menu 'Bewerk'.

Plaatsen aftakkast railkoker

  • Railkoker geplaatst en gecodeerd.
  1. Klik op knop of selecteer 'Railkoker Hulpstukken' in menu 'Bewerk', en 'Aftakkast' in het vervolgmenu
  2. Selecteer het kanaal ongeveer op de plaats waarop de eerste aftakkast moet worden geplaatst
  3. Geef op aan welke zijde van de rail de kasten moeten komen
    Afhankelijk van fabrikaat en type komen alle kasten aan dezelfde zijde, of worden kasten verspringend geplaatst.
  4. Geef ongeveer de plaats aan waar de laatste aftakkast van een rij moet komen
  5. Geef het aantal kasten op
    of
    toets <Enter> om het default aantal te gebruiken
Overbodige kasten kunnen later worden verwijderd.
Nummer de kasten
met de functie 'Tellen', optie 'Codeer'
of
met de functie 'Nummeren', in menu 'Bewerk'.


Plaatsen voedingskast railkoker

  • Railkoker geplaatst en gecodeerd.
    De voedingskast wordt alleen geplaatst op het eindpunt/verbinding van een railkokersegment. Standaard is de lengte ingesteld op 3000mm. Het programma centreert de segmenten, waarbij de totale lengte aan segmenten maximaal de getekende lengte is.
    Via menu 'Applicatie', 'Instellingen' is de standaard raillengte aan te passen.
  1. Klik op knop of selecteer 'Railkoker Hulpstukken' in menu 'Bewerk', en 'Voedingskast' in het vervolgmenu
  2. Selecteer de railkoker ongeveer op de plaats waar de kast moet komen
    De precieze plaats wordt bepaald door de raillengte.
  3. Geef op aan welke zijde van de railkoker de kast moet worden geplaatst.
    Vlak naast de voedingskast mag geen aftakkast zitten.

Nummeren aansluitpunten op railkoker

  • Railkoker en aftakkasten geplaatst en gecodeerd/genummerd.
  1. Klik op knop of selecteer 'Railkoker Bewerken' in menu 'Bewerk', en 'Nummer aansluitpunten' in het vervolgmenu
  2. Selecteer de aftakkast waarvan de aansluitpunten moeten worden genummerd
  3. Selecteer achtereenvolgend de aansluitpunten van deze kast
  4. Sluit de reeks af met <Enter>
  5. Selecteer de volgende kast
    of
    toets <Enter> om de functie af te sluiten

Toekennen type aan aftakkast railkoker

  • Railkoker en aftakkasten geplaatst en gecodeerd/genummerd.
  1. Klik op knop of selecteer 'Railkoker (aansluitkast)' in menu 'Tel'
  2. Selecteer de te bewerken kasten en de daarop aangesloten aansluitpunten
    of
    <Enter>=Alles
    Het telvenster verschijnt.
  3. Selecteer de te bewerken regel(s)
  4. Klik op knop [ Type-RKA ]
     
  5. Selecteer de regel met het benodigde type
  6. Klik op knop [ Selecteer ]
    Venster 'Selecteer TYPE voor groep: … ' verschijnt voor de volgende kast.
    Na de laatste kast verschijnt het telvenster
    'Railkoker Aansluitkast' weer met de gewijzigde gegevens.
  7. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen zuilen en bedwandpanelen


Algemeen

Vier soorten zuilen zijn te plaatsen:

  • Vloerzuil
  • Plafondzuil
  • Algemene zuil
  • Bedwandpaneel

Na selectie van het zuiltype kan een van de plaatsingsfuncties gebruikt worden om een of meer zuilen of bedwandpanelen te plaatsen.

 

Zuilen plaatsen

  1. Klik op knop of selecteer 'Zuilen…' in pull-downmenu 'Centraal'
  2. Selecteer de gewenste zuil
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de wijze van plaatsen in iconenmenu 'Plaatsen'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Plaats de zuil(en) door de gevraagde gegevens op te geven.

Bedwandpaneel plaatsen

  1. Klik op knop of selecteer 'Zuilen…' in pull-downmenu 'Centraal'
  2. Selecteer het Bedwandpaneel
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de wijze van plaatsen in iconenmenu 'Plaatsen'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Plaats bedwandpanelen door de gevraagde gegevens op te geven.
    NB. Zuilen en bedwandpanelen hebben afwijkende attributen. Als een ASP of WCD in de zuil of in het paneel niet moet worden meegeteld moet er in het attribuut TAL (aantal wcd’s of asp’s) 0 worden ingevuld.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen en vervangen hulpstukken goten


Algemeen

Bij het tekenen van goten, kabelladders, lichtlijnen en railkokers worden automatisch bochtstukken gegenereerd. Daarna kunnen door plaatsen of genereren nog hulpstukken worden toegevoegd.

 

Als twee goten worden verbonden die dezelfde afmetingen hebben en in elkaars verlengde liggen zullen de twee goten tot één goot worden samengevoegd. De nieuwe goot neemt de hartlijn van de eerst aangewezen goot over. 

Als de twee goten niet tot één goot gemaakt moeten worden zal de verbinding met een kort stukje goot en bochtstukken gemaakt worden.


Hulpstukken kunnen ook worden vervangen.

Universele gootaansluiting

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Universele gootaansluiting' in het vervolgmenu
  2. Selecteer met <crossing> de te verbinden gootdelen
Als duidelijk is of het een T-stuk, bocht, kruising, verticaal verval of verloop betreft wordt automatisch de juiste functie gestart.

Eindstuk plaatsen

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Eind' in het vervolgmenu
  2. Wijs einde goot aan

Afbreken goot

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Afbreken' in het vervolgmenu
  2. Wijs einde goot aan

Bochtstuk genereren

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Bochtstuk' in het vervolgmenu
  2. Wijs goot 1 aan
  3. Wijs goot 2 aan
    2 goten die even breed zijn èn in elkaars verlengde liggen worden 1 goot.

T-stuk genereren op twee goten 

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'T-Stuk' in het vervolgmenu
  2. Wijs de doorgaande goot aan
  3. Wijs de aansluitende goot aan

T-stuk genereren op drie goten

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'T-Stuk @'in het vervolgmenu
    Wijs de goten rechtsom (klokrichting) draaiend aan.
  2. Wijs goot 1 aan
  3. Wijs goot 2 aan
  4. Wijs goot 3 aan

Kruising genereren op 2 goten

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Kruising' in het vervolgmenu
  2. Wijs de doorgaande goot aan
  3. Wijs de kruisende goot aan
  4. Toets <Enter>

Kruising genereren op 4 goten

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Kruising @' in het vervolgmenu
    Wijs de goten rechtsom draaiend aan.
  2. Wijs goot 1 aan
  3. Wijs goot 2 aan
  4. Wijs goot 3 aan
  5. Wijs goot 4 aan


Verval plaatsen

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Verval' in het vervolgmenu
  2. Wijs Klikpunt 1. aan op de rand van de goot
  3. Wijs Klikpunt 2. aan op de rand van de goot
  4. Geef in het dialoogvenster de hoogten en lengte op
    • Lengte=0, dan wordt de goot verticaal geplaatst.

Verloopstuk plaatsen

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Verloop' in het vervolgmenu
  2. Wijs goot 1 aan
  3. Wijs goot 2 aan
  4. Geef de plaats van het verloopstuk aan
    (Default: midden tussen beide klikpunten)
    2 goten die even breed zijn èn in elkaars verlengde liggen worden 1 goot.

Verticale goot plaatsen tussen ongelijkwaardige goten

  • Beide (horizontale) goten getekend
  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Verticaal' in het vervolgmenu
  2. Wijs wandgoot, plintgoot of doorgaande goot aan
  3. Wijs aansluitende of aftakkende kabelgoot of vloergoot aan
  4. Als goten parallel lopen:
    • Geef plaats van verticale goot op
  5. Geef maat van verticale wandgoot op
    De maat van de geselecteerde wandgoot of aftakkende goot is Default.

Verticale goot plaatsen tussen gelijkwaardige goten

  • Beide (horizontale) goten getekend
  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Verticaal' in het vervolgmenu
  2. Wijs de doorgaande goot aan
  3. Wijs de aftakkende goot aan
  4. Als goten parallel lopen:
    • Geef plaats van verticale goot op
  5. Geef maat van verticale goot op
    De maat van de geselecteerde wandgoot of de laatst geselecteerde goot is Default.

Stijgpunt plaatsen

  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Stijgpunt' in het vervolgmenu
  2. Selecteer symbool stijgpunt (Pijlen) uit iconmenu
    • Stijgpunt langs wand
      1. Wijs wand aan
      2. Geef op aan welke zijde van de wand
      3. Geef in het dialoogvenster de soort goot, afmetingen, onderkant en bovenkant (verdiepingshoogte) op
        De afstand tussen onderkant en bovenkant wordt als lengte meegeteld
    • Stijgpunt op goot aansluitend
      1. Wijs goot aan (zoals bij Eindstuk)
Voor losse stijgpunten (alleen het pijltje) zie iconenmenu's voor verdeelkasten.

Brandscheiding plaatsen

Over het algemeen te plaatsen bij een wanddoorvoer.
  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Brandscheiding' in het vervolgmenu
  2. Wijs de plaats van de brandscheiding aan.

Vervangen hulpstukken

Het hulpstuk wordt vervangen door een gelijksoortig hulpstuk.
  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk keuze Goot Hulpstukken' en vervolgens 'Vervangen Hulpstuk' in het vervolgmenu
  2. Selecteer het hulpstuk
    • Bij Kruisingen, T-stukken en Verticaal:
      Selecteer de bijbehorende goten rechtsom
    • Bij Verloopstukken en Brandscheidingen:
      Geef de nieuwe plaats aan.
    • Bij Maten:
      Geef de nieuwe plaats aan.
    • Bij Stijgpunt (pijl):
      Iconenvenster 'Pijlen vervangen' verschijnt.
      1. Selecteer de gewenste pijl in het iconenvenster
      2. Klik op knop [ OK ]
        De bestaande pijl wordt vervangen door de nieuwe pijl.
      3. Selecteer de volgende pijl of hulpstuk
        of
        toets <Enter> om de functie af te sluiten
    • Bij Stijgpunt (verticale goot):
      Het geselecteerde hulpstuk wordt verwijderd.
      1. Selecteer de doorgaande goot
      2. Selecteer de aftakkende goot
      3. Selecteer de afmetingen in het selectievenster
      4. Klik op knop [ OK ]
        Het nieuwe hulpstuk wordt geplaatst.
      5. Selecteer het volgende hulpstuk/pijl
        of
        toets <Enter> om de functie af te sluiten
    • Bij Verval:
      1. Geef de twee gooteinden aan
      2. Geef lengte op in venster 'Verval Goot'
      3. Klik op knop [ OK ].


Opmerkingen

  • Voor het plaatsen van bochten, T-stukken en kruisstukken moeten goten eenzelfde ophanghoogte hebben.
  • Indien goten niet op dezelfde hoogte liggen wordt een verticaal stuk geplaatst.


Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken goten, attributen, controle hoogte


Algemeen

Als een goot getekend is kunnen naderhand nog de lengte, breedte diepte, ophanghoogte en attributen worden gewijzigd.

Tevens kan bij kruisende goten de goothoogten worden gecontroleerd.

Er is een aparte toolbar en ribbon-tab voor het bewerken van goten:


Lengte goten wijzigen    (Verlengen of verkorten goot)

Het gooteinde kan worden verlengd of verkort.
  1. Klik op knop of selecteer in pull-downmenu 'Bewerk' keuze 'Goot Bewerken' en 'Lengte' in het vervolgmenu
  2. Wijs einde goot aan
  3. Geef nieuw eindpunt of lengte goot

Breedte en diepte goten wijzigen

  1. Klik op één van de volgende knoppen:
    Breedte en Diepte uit Hart
    Breedte en Diepte uit Rand
    of
    selecteer 'Goten' in pull-downmenu 'Bewerk' en selecteer in het vervolgmenu de wijze van wijzigen
  2. Selecteer de te wijzigen goot
    Deze fungeert tevens als filter en levert de default waarden.
  3. Geef de nieuwe waarden in het dialoogvenster op.
  4. Selecteer de goten die ook aangepast moeten worden
    Bij Breedte en Diepte uit Rand wordt de aangewezen zijde aangepast: daarom moet hier goot voor goot worden aangewezen.
  5. Vervang zo nodig de hulpstukken en de bemating (indien al geplaatst)

Ophanghoogte goten wijzigen

  1. Klik op knop of selecteer 'Goten' in pull-downmenu 'Bewerk' en 'Ophanghoogte' in het vervolgmenu
  2. Wijs een te wijzigen goot aan    (Default vangfunctie = NEA)
    De geselecteerde goot fungeert als filter en levert default waarden op.
  3. Geef nieuwe ophanghoogte aan
  4. Selecteer de goten waarvan de ophanghoogte aangepast moet worden
  5. Vervang zo nodig de hulpstukken en de maatvoering (indien al geplaatst)

Controle goothoogte

 

  1. Klik op knop of selecteer 'Goten' in pull-downmenu 'Bewerk' en 'Controle' in het vervolgmenu
  2. Wijs goot 1 aan
  3. Wijs goot 2 aan
    • tussenruimte > 100mm ( goten groen )
    • 0 < tussenruimte > 100mm ( goten geel )
    • goten op ‘gelijke’ hoogte ( goten rood )
  4. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Arceren en verbergen goten


Algemeen

Getekende goten kunnen worden gearceerd; meerdere arceringen zijn voorzien. 

De lijst van arceerpatronen in opgenomen in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\ep_goten.ini onder sectie [Screenmenu], arceer=…
Andere arceerpatronen kunnen daaraan worden toegevoegd.

Bij het arceren van goten en kanalen worden de zichtbare attributen van dezelfde goot uitgespaard.

Van kruisende goten kan een goot worden onderbroken (gestippeld).

     

Arceren goten

  1. Klik op knop of selecteer 'Goot Bewerken' in pull-downmenu 'Bewerk' en 'Arceren' in het vervolgmenu
  2. Wijs een te arceren goot aan
    De geselecteerde goot fungeert als filter en bepaalt defaults.
  3. Kies in venster 'Arceren Goten' een arceerpatroon, of neem de eigenschappen van een bestaande arcering over met knop [ Pick ]
  4. Selecteer een arceerkleur door klikken op de kleur
  5. Geef de arceerschaal op:
    Minimaal de plotschaal, afhankelijk van AutoCAD-versie en arceerpatroon
  6. Geef de arceer-hoek en begin van de arcering aan
    • Absoluut = t.o.v. nulpunt en X-as
    • Relatief = t.o.v. invoegpunt en richting van de goot
  7. Selecteer de goten die gearceerd moeten worden.

Verbergen

  1. Klik op knop of selecteer 'Bewerken Goten' in pull-downmenu 'Bewerk' en 'Verbergen' in het vervolgmenu
  2. Wijs de bovenste goot aan (goot 1)
  3. Wijs de onderste goot aan (goot 2)
  4. Wijs ‘breekpunt’ aan ene zijde van goot 1. op goot 2. aan
  5.  Wijs ‘breekpunt’ aan andere zijde van goot 1. op goot 2. aan
Deze functie kan ook gebruikt worden voor het onderbreken van goten ter plaatse van andere symbolen.


Terug naar Inhoudsopgave


Bematen goten


Algemeen

De afmetingen van goten (breedte, hoogte/diepte) en de ophanghoogte kunnen bij de goten worden bijgeschreven. De maten worden uit de tekening uitgelezen.

De maten/ophanghoogte kunnen in een symbool worden geplaatst.

De plaatsing van de maatvoering kan worden ingesteld.

De tekst van de maten en ophanghoogte kunnen worden gewijzigd: de goten worden hierbij niet aangepast, ook de ophanghoogte die bij de goot is opgegeven wordt hierdoor niet veranderd.

Het later wijzigen van maten of ophanghoogte van een goot wijzigt de bemating niet.
Vervang dus ook de bemating bij maatwijzigingen.
Er is een symbool voor de peilmaat meegeleverd. De gebruiker kan een eigen symbool hiervoor gebruiken. Dit symbool moet dan kenbaar gemaakt worden in een configuratiebestand.

 

   

Maten, Ophanghoogte, Maten + hoogte plaatsen

  1. Klik op knop , of of selecteer 'Goot Afmetingen' in menu 'Bewerk', en in het vervolgmenu 'Maten', 'Ophanghoogte' of 'Maten+Hoogte':
    Bij eerste keer bematen: geef in venster 'Bematen Goten' de standaard plaatsing en teksthoogte (op plot) op
  2. Selecteer goot of kabelladder
  3. Geef de positie en richting van de bemating (indien tekst niet binnen goot past)

Ophanghoogte - in symbool - plaatsen

  1. Klik op knop of selecteer in menu selecteer 'Goot Afmetingen' in menu 'Bewerk' en 'Symbool'in het vervolgmenu
    Bij eerste keer bematen: geef in venster 'Bematen Goten' de standaard plaatsing en teksthoogte (op plot) op
  2. Selecteer goot of kabelladder
  3. Geef richting van de bemating:
    • Bij Haaks op goot wordt ORTHO aan gezet
    • Bij Parallel aan goot wordt ORTHO uit gezet


Maattekst aanpassen

  1. Klik op knop of selecteer 'Goot Afmetingen' in menu 'Bewerk', en selecteer 'Edit Maten' in het vervolgmenu
  2. Selecteer de (tekst) ophanghoogte en/of afmeting
  3. Wijzig de afmeting en/of ophanghoogte in het dialoogvenster
  4. Klik op [ OK ]
Opm.: Dit is bedoeld voor snelle wijzigingen. De afmetingen/ophanghoogte worden niet gewijzigd, alleen de maatvoering!
Om afmetingen weer gelijk te maken aan de werkelijke afmetingen van de goot kan de afmeting vervangen worden met de functie  - Vervang Hulpstuk.

Tekst peilmaat aanpassen

  1. Klik op knop of selecteer 'Goot Afmetingen' in menu 'Bewerk', en selecteer 'Edit Symbool' in het vervolgmenu
  2. Selecteer een ovaal
  3. Wijzig de ophanghoogte in het dialoogvenster
  4. Klik op [ OK ]
Opm.: ophanghoogte wordt niet gewijzigd, alleen de maatvoering!

Maatvoeren

  1. Klik op knop of selecteer 'Goot Afmetingen' in menu 'Bewerk', en selecteer 'Maatvoeren' in het vervolgmenu
  2. Selecteer wijze van maatvoeren in dialoogvenster Maatvoering
  3. Klik op [ OK ]
  4. Geef de punten voor de maatvoering aan.
    Als geen E*-lagen zijn aangewezen komt de vraag "waar hoort maatvoering bij"


Presentatie

  1. Klik op knop of selecteer 'Goot Afmetingen' in menu 'Bewerk', en selecteer 'Presentatie' in het vervolgmenu
  2. Wijzig de instellingen in venster 'Bematen Goten'
    • Bij gebruik van een UCS kan aangegeven worden ten opzichte waarvan de peilmaat moet worden opgegeven
      • Vloer (UCS)
      • Peil (WCS)
        De tekst wijzigt dan in 'Peil' of 'Vloer'
        De verticale verschuiving van het UCS wordt als referentie getoond.
        Als geen UCS wordt gebruikt zal de referentiehoogte 0 zijn.
  3. Klik op [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Controle in 3D


Algemeen

De tekening wordt in 2D opgezet, maar bij het tekenen kan wel een ophanghoogte worden opgegeven.

De tekening kan in 3D worden bekeken om ophanghoogtes te controleren.

Hiervoor zijn de standaard AutoCAD commando’s ter beschikking in toolbar View. Deze commando’s zijn, vertaald, opgenomen in pull-downmenu 'Applicatie', keuze '3D Bekijken'.

Deze functie zal vooral gebruikt worden bij de onderdelen Goten en Leidingaanleg. 

Het instellen van een isometrisch perspectief en het weer terugkeren naar het normale 2D gezicht op de tekening zal hier worden beschreven.

Voor een nadere uitleg van de andere menukeuzes wordt verwezen naar de AutoCAD Help en handboeken.

3D-View commando’s

  • Instellen isometrie
    1. Selecteer 'Bekijken in 3D' in pull-downmenu 'Applicatie'
    2. Bepaal in het vervolgmenu de kijkrichting:
      •  Links Voor Isometrie
      •  Rechts Voor Isometrie
      • Rechts Achter Isometrie
      •  Links Achter Isometrie
    3. Gebruik de ‘Zoom’ functies voor een optimale controle
  • Terug naar gewone 2D-instelling
    • Klik op knop of selecteer 'Bekijken in 3D' in pull-downmenu 'Applicatie', en 'Boven' in het vervolgmenu
Binnen AutoCAD is het commando 3D-ORBIT beschikbaar.


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld