Naar hoofdinhoud

Elektra -05- Bewerken symbolen - TheModus Suites (Nordined)

How to - Elektra

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Bewerken symbolen


Vervangen symbolen


Algemeen

Geplaatste symbolen kunnen worden vervangen waarbij een filter of combinatie van filters wordt toegepast. Dit is mogelijk per

  • Laag:
    alle symbolen op bepaalde laag binnen een selectie;
  • Block:
    alle symbolen met dezelfde blocknaam binnen een selectie;
  • Attribuut:
    alle symbolen met bepaald kenmerk binnen een selectie;
  • Per stuk:
    elk geselecteerd symbool.
  • Per selectie:
    Selectie van symbool.
De laatst gebruikte instellingen binnen de vensters worden bewaard.


Eerst moet een vervangend symbool worden gekozen


Alleen bij gelijksoortige symbolen is het zinvol de positie van de attributen van het oude symbool over te nemen naar het nieuwe symbool. Het vinkje Attributen handhaven moet  dan aangezet worden. 

Symbolen zijn gelijksoortig bij gelijke attribuut-tags en gelijke afmetingen.

Op een of twee van die attributen kan worden gefilterd.

Vervangen per block en/of laag en/of attributen

  1. Selecteer eerst een nieuw symbool uit het menu
    Het iconmennu 'Plaatsen' verschijnt.
  2. Selecteer 'Vervang met filter'  in venster 'Plaatsen'
  3. Klik op knop [ OK ]of dubbelklik op het plaatje in het iconmenu.
    • Als eerder al een symbool is gekozen kan ook direct:
      • Klik op knop , of selecteer 'Vervang met filter' in pull-downmenu 'Plaatsen'
  4. Wijs het te vervangen symbool aan
    of
    een ander symbool, dat tot dezelfde installatie-type behoort
    Venster 'Vervangen' verschijnt.
    De filteropties staan volgens de laatste gebruikte instelling. De laag, block en attribuut van het aangewezen symbool wordt standaard gezet.
  5. Zet filteropties in de gewenste stand (laag, blok, attribuut_1, attribuut_2) 
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Selecteer de symbolen die vervangen moeten worden (<window> of <crossing>-optie). 
    Alleen de symbolen die voldoen aan het filter zullen worden geselecteerd. De filtering op attributen gebeurt pas wanneer de selectie wordt bevestigd.
    Er kan alleen gefilterd worden op de attributen die voorkomen in het aangewezen symbool. De inhoud kan wel gewijzigd worden, zodat gefilterd wordt op symbolen met een andere attribuutinhoud.

Vervangen per Stuk

  1. Selecteer eerst een nieuw symbool uit het menu
  2. Selecteer 'Vervang per stuk' in venster 'Plaatsen'
    of
    als het symbool al eerder gekozen is, klik op knop, of selecteer 'Vervang per stuk' in pull-downmenu 'Plaatsen'
  3. Selecteer stuk voor stuk de te vervangen symbolen
    Elk aangewezen symbool wordt direct vervangen.
  4. Sluit af met rechter muistoets of <Enter>
    Voor zover mogelijk worden de oude gegevens in het nieuwe symbool geplaatst.
    Tevens worden de eigenschappen van de attributen overgenomen indien het vervangend symbool gelijksoortig is.


Vervangen Selectie

  1. Selecteer eerst een symbool uit het menu
  2. Selecteer 'Vervang Selectie'  in venster 'Plaatsen'
    of
    als eerder al een symbool is gekozen, klik op knop , of selecteer 'Vervang Selectie' in pull-downmenu 'Plaatsen'
  3. Selecteer de te vervangen symbolen en sluit af met een <Enter>
    Alle geselecteerde symbolen worden vervangen.
Voor zover mogelijk worden de oude gegevens in het nieuwe symbool geplaatst.
Tevens worden de eigenschappen van de attributen overgenomen indien het vervangend symbool gelijksoortig is.


Terug naar Inhoudsopgave


Roteren, spiegelen en verschuiven symbolen


Algemeen

Geplaatste symbolen kunnen worden geroteerd of gespiegeld+geroteerd om hun eigen invoegpunt of opgegeven lijn.

Van een selectie symbolen kan een gespiegelde kopie gemaakt worden.

Symbolen kunnen worden verschoven

De functies zijn toe te passen met verschillende opties zoals filters:

  • Symbolen roteren,  met filter op
    • Laag: alle symbolen op bepaalde laag binnen een selectie;
    • Block: alle symbolen met dezelfde blocknaam binnen een selectie;
    • Attribuut: alle symbolen met bepaald attribuut binnen een selectie;
  • Eén Symbool roteren : elk geselecteerd symbool.
  •  Spiegelen: elk geselecteerd symbool.
  • Spiegelen Installatie: een selectie symbolen wordt gespiegeld, en selectief worden niet symmetrische symbolen teruggespiegeld. 
  • Verschuiven: een selectie symbolen wordt verschoven langs een opgegeven pad, waarbij de schuifrichting afhankelijk is van de rotatie van het symbool. 


Roteren van 1 Symbool

  1. Klik op knop , of selecteer 'Roteer' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan
  3. Geef de rotatie op (eventueel met ORTHO AAN)
    De attributen worden teruggeroteerd volgens de standaard instellingen in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\Tags_ep.ini


Roteren symbolen met filter op Laag/Block/Attribuut

  1. Klik op knop , of selecteer 'Roteer met filter' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs een van de te roteren symbolen aan als referentie of een ander symbool, dat tot dezelfde installatie-type behoort
  3. Geef in het dialoogvenster de rotatie op
    of
    klik op knop [ Pick ] om de rotatie in de tekening op te geven met twee punten.
  4. Geef op of de rotatie relatief moet zijn (t.o.v. de huidige stand) en linksom of rechtsom moet draaien, óf absoluut (rotatie t.o.v. de X-as).
  5. Geef een of meer filters (Laag, Block, Attribuut) door het plaatsen van het vinkje en geef de te gebruiken waardes op
  6. Klik op knop [ Selecteer ]
  7. Selecteer de symbolen die bewerkt moeten worden
    Alleen de symbolen die geselecteerd zijn en aan het betreffende filter voldoen worden bewerkt.
    De attributen worden teruggeroteerd volgens de standaard instellingen in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\Tags_ep.ini


Spiegelen en roteren van 1 Symbool

  1. Klik op knop , of selecteer 'Spiegelen Symbool' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan
  3. Geef de spiegelas op met de muis
    Het symbool wordt gespiegeld.
    De attributen worden teruggeroteerd volgens de standaard instellingen in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\Tags_ep.ini


Spiegelen installatie

  1. Klik op knop , of selecteer Spiegelen Installatie in pull-downmenu Bewerk
  2. Selecteer de te spiegelen symbolen
  3. Geef de spiegelas op met de muis
    De installatie wordt gespiegeld, maar de symbolen en teksten blijven goed staan.
    De symbolen worden teruggespiegeld als ze asymmetrisch zijn, met mogelijk enkele uitzonderingen, die moeten dan met
    'Spiegelen Symbool' worden teruggespiegeld.
    De attributen worden teruggeroteerd volgens de standaard instellingen in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\Tags_ep.ini


Verschuiven van symbolen

  1. Klik op knop , of selecteer 'Verschuif Symbolen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Selecteer het type symbool dat verschoven moet worden
  3. Bij de vraag “Filter op <L>aag, <B>lock of <G>een? (willekeurige toets=stoppen)” kan op L, B, G of een willekeurige toets gedrukt worden.
    • L - filtert de geselecteerde symbolen op laag
    • B - filtert de symbolen op blocknaam 
    • G - accepteert en verschuift alle geselecteerde symbolen
    • Een willekeurige andere toets stopt de functie
  4. Geef het basispunt van de verschuiving op (ten opzichte van het referentiesymbool)
  5. Geef het eindpunt van de verschuiving op (ten opzichte van het referentiesymbool)
  6. Selecteer de te verschuiven symbolen
    Alleen symbolen die voldoen aan het filter worden verschoven. Elk symbool behoudt zijn eigen rotatie.


Terug naar Inhoudsopgave


Coderen symbolen


Algemeen

Aan geplaatste symbolen kunnen coderingen worden toegevoegd.

Als tekeninggegevens al naar E-Database zijn gedumpt kunnen de volgende gegevens in de dialoogvensters worden ingelezen via knop [ Tabel ]:

  • Armatuurcode
  • Voedende Kast en Voedende groep
  • Bestemming en Vermogen
De in te vullen waarden voor andere attributen worden gedefinieerd in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\elektra.ini in sectie [Screenmenu].
Als daarin niets is gedefinieerd komt een melding.
Dit configuratiebestand is aan te passen via pull-downmenu Applicatie, Instellingen, Dialoogvenster Instellingen, Rubriek Attributen Invullen, Onderwerp Waarden van attributen voor dialoogvenster.


Dit is mogelijk

 

  • Generiek symbolen van één of meer installaties binnen een selectie;
    • Per Laag:
      alle symbolen op bepaalde laag binnen een selectie;
    • Per Block:
      alle symbolen met dezelfde blocknaam binnen een selectie;
    • Per Attribuut:
      alle symbolen met bepaald kenmerk binnen een selectie;
    • Per Symbool:
      elk geselecteerd symbool.
    • Een reeks doornummeren
    • Coderen en nummeren vanuit de telvensters


Ook is het mogelijk om gegevens van een symbool over te nemen:

  • Block Att. Gelijk:
    Alle attributen (gegevens) overnemen van een symbool
  • 1 Att. Gelijk:
    1 attribuut (gegeven) overnemen van een symbool
De wijze waarop de attributen op tekening worden geplaatst staat beschreven in  het bestand %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\Tags_ep.ini.

 

Generiek coderen

Alle symbolen van een installatie binnen een aan te geven gebied
  1. Klik op knop of selecteer 'Codeer Generiek' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs een referentiesymbool aan
    Hiervan worden installatie- en attribuutwaarden overgenomen en in een venster geplaatst.
  3. Wijzig in venster de waarden:
    • in vak 'Attributen':
      • Linker vinkje uitvinken om gegeven niet te gebruiken
        vinkje gaat automatisch aan als waarde wordt ingevuld.
      • Rechter vinkje met Z om gegeven op tekening zichtbaar te maken
      • Met knop [ T… ] kunnen o.a. gegevens uit de E-database worden opgehaald, afhankelijk van in welk vak de cursor staat.
    • in vak 'Filter':
      • Vinkjes om filter-optie te selecteren:
        • Installatiesoort (één of meer tegelijk mogelijk)
        • Laag, Block-naam en Attribuut
          Hierbij mogen “wildcards” gebruikt worden (@ = een letter, # = een cijfer, ? = willekeurig teken en * = willekeurige tekenreeks).
  4. Lees eventueel via knop [ T… ] gegevens in uit E-Database of uit tabel, en vul deze zo nodig aan
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer te wijzigen symbolen


Tabellen gebruiken

Wanneer op knop [ T… ]  of [ Tabel ] gedrukt wordt, komt er een tabel, afhankelijk van wel venster of veld actief is.

 


Wanneer de cursor in één van de velden Kast, Groep, Doel of Vermogen staat, komt het volgende venster op:

 

Hierin kan gekozen worden voor een kast die in de database is opgenomen en waarvan een turfstaat is gemaakt. Hierbij wordt naar de meest recent gemaakte turfstaat gekeken. Tevens kan een groep op die kast worden gekozen, waarbij het vermogen en het gelijktijdig vermogen van die groep (op het moment van het aanmaken van de turfstaat) vermeld wordt. 

In het vak Selectie  kan een beperking worden aangegeven op het tonen van de bestemmingen en vermogens.


Specifieke functie van selectie Verkorting

Bij selectie 'Verkorting' wordt een lijst opgeroepen die wordt bewaard in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\ep\i\dialogen.ini onder het kopje [DOELKORT]. Daar zou het volgende kunnen staan:


[DOELKORT] 

AC=Airco;2100

DV=Diepvriezer;1300

KF=Koffieautomaat;1000

KK=Koelkast;250


Deze waarden kunnen in het dialoogscherm met tabellen worden toegevoegd of aangepast met de gelijknamige knop:
[ Toevoegen/aanpassen ] na de waarden in de vakjes onder 'Bestemming' en 'Vermogen' te hebben ingevuld. Ze kunnen worden verwijderd met de knop [ Verwijder ].

Een keuze van een van deze verkortingen vult bij de 'Bestemming' van het symbool de verkorting en het vermogen in. 

Bij het lezen van de turfstaat in E-Schema wordt de verkorting omgezet in de langere beschrijving erachter. Bvb. “AC” in het symbool wordt “Airco” in de bestemming van de betreffende groep in E-schema.


Per Laag coderen

 

Alle symbolen op dezelfde laag binnen aan te geven gebied
  1. Klik op knop  of selecteer Codeer per Laag in pull-downmenu Bewerk
  2. Wijs één van de te coderen symbolen aan
    (of een ander symbool van hetzelfde installatie-type)
  3. Selecteer in het venster het in te vullen attribuut
    De getoonde attributen zijn afhankelijk van het geselecteerde symbool.
    # = wissen van de regel
    De nieuwe waarde kan worden gekozen of worden ingetypt.
  4. Selecteer de nieuwe waarde
  5. Klik op knop [ Selecteer ]
  6. Selecteer de symbolen die bewerkt moeten worden
    De attributen worden gewijzigd.
    Venster
    'Codeer per laag' verschijnt weer.
  7. Andere code te wijzigen
    • Ja: Ga naar 3.
    • Nee: Klik op knop [ Stop ]


Per Block coderen

 

Alle symbolen met dezelfde blocknaam binnen aan te geven gebied
  1. Klik op knop of selecteer 'Codeer per Block' in pull-downmenu 'Bewerk' 
  2. Wijs een van de te bewerken symbolen aan
  3. Kies in het venster de in te vullen attribuut
    De getoonde attributen zijn afhankelijk van het geselecteerde symbool.
    # = wissen van de regel
    De nieuwe waarde kan worden gekozen of worden ingetypt.
  4. Selecteer de nieuwe waarde
  5. Lees eventueel via knop [ Tabel ] gegevens in uit E-Database of uit tabel, en vul deze zo nodig aan
  6.  Klik op knop [ Selecteer ]
  7. Selecteer de symbolen die bewerkt moeten worden
    De attributen worden gewijzigd.
    Venster
    'Codeer per block' verschijnt weer.
  8. Andere code te wijzigen
    1. JaGa naar 3.
    2. NeeKlik op knop [ Stop ]


Per Attribuut coderen

 

Alle symbolen met bepaald attribuut binnen een aan te geven gebied.
  1. Klik op knop of selecteer 'Codeer per Attribuut' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs een van de te bewerken symbolen aan
  3. Selecteer in het venster het voor selectie te gebruiken attribuut
    De getoonde attributen zijn afhankelijk van het geselecteerde symbool.
    De huidige waarde is de filterwaarde
    # = wissen van de regel
  4. Selecteer het in te vullen attribuut (Tag)
    De getoonde attributen zijn afhankelijk van het geselecteerde symbool.
  5. Geef de nieuwe waarde op
  6. Lees eventueel via knop [ Tabel ] gegevens in uit E-Database of uit tabel, en vul deze zo nodig aan
  7. Klik op knop [ Selecteer ]
  8. Selecteer de symbolen die bewerkt moeten worden
    De attributen worden gewijzigd.
    Venster
    'Codeer per attribuut' verschijnt weer.
  9. Een ander filter toepassen?
    • JaGa naar 3.
    • NeeToets <Enter>
  10. Andere code te wijzigen
    • JaGa naar 4.
    • NeeKlik op knop [ Stop ]


1 Symbool coderen

 

Attributen van één symbool aanpassen (= <EDATTE>, aangepaste versie van <DDATTE>)
Let op DDATTE of (Quick) Properties passen niet de kleur, rotatie, teksthoogte en presentatie aan: dus alleen gebruiken wanneer alle eigenschappen al goed zijn. 
  1. Klik op knop of selecteer 'Block Att. Invullen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan
  3. Wijzig in het venster de gewenste codering
    De getoonde attributen zijn afhankelijk van het geselecteerde symbool.
    Gelijktijdigheid in procenten wordt meegenomen naar E-Database en daar doorgerekend naar de hoofdkast.
    Het attribuut waarvan de prompt begint met 'Aantal' bepaalt hoeveel keer het symbool wordt opge
    nomen in de database. Wordt hier bijvoorbeeld 3x ingevuld, dan wordt het symbool 3x geteld in het schema. 
  4. Wijzig zo nodig de zichtbaarheid van de attributen
  5. Lees eventueel via knop [ T… ]gegevens in uit E-Database of uit tabel, en vul deze zo nodig aan
    Dit is afhankelijk van in welk veld de cursor staat.
  6. Klik op [ OK ]
De attributen worden ingevuld. Bij de eerste keer invullen worden kapitaal/onderkast, leesbaarheid (= rotatie, teksthoogte, kleur) volgens de waarden in de registry vastgelegd. Bij een volgende keer invullen blijven bestaande rotatie, teksthoogte en kleur gehandhaafd.

Gelijk coderen

Van twee symbolen de inhoud van de attributen gelijk maken.
De symbolen moeten tot dezelfde installatie behoren: de eerste 6 tekens van de laagnaam zijn dan gelijk.
  1. Klik op knop of selecteer 'Block Att. Gelijk' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2.  Wijs symbool aan waarvan de attributen overgenomen moeten worden (Lezen)
  3. Wijs symbool aan waarbij de attributen ingevuld moeten worden (Schrijven)
    Deze functie filtert niet en neemt alle attributen in het tweede symbool over. Daarbij kunnen waarden verloren gaan, omdat een gelijknamig attribuut in het tweede symbool niet aanwezig is.
  4. Nog meer gelijk te maken?
    • JaGa naar 2.
    • NeeToets <Enter>

1 Attribuut wijzigen

 

  1. Klik op knop of selecteer '1 Att. Invullen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het attribuut aan
  3. Wijzig in het venster de waarde
  4. Klik op [ OK ]

Waarde van attribuut overnemen

Twee attributen gelijk maken.
  1. Klik op knop of selecteer '1 Att. Gelijk' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs attribuut of tekst aan die overgenomen moeten worden (Lezen)
  3. Wijs symbool, attribuut of tekst aan die ingevuld moeten worden (Schrijven)
    • Van Attribuut naar Attribuut:
      tekst komt in aangewezen attribuut
    • Van Attribuut naar Symbool:
      • Als zelfde attribuut beschikbaar is:
        tekst komt in overeenkomstig attribuut
      • Zelfde attribuut is niet beschikbaar:
        Venster 'Kies Attribuut' verschijnt
        kies het attribuut waarin de tekst moet komen
    • Van Tekst naar Symbool:
      Venster Kies Attribuut verschijnt.
      • kies het attribuut waarin de tekst moet komen
      • Als attribuut ZZZZZZ gekozen wordt en het gelezen attribuut/tekst een getal bevat (ongelijk 0) dan wordt deze waarde als z-coördinaat geschreven.
        venster met vraag 'Tekst verwijderen' verschijnt
    • Van Tekst naar Attribuut:
      • tekst komt in aangewezen attribuut
        venster met vraag 'Tekst verwijderen' verschijnt


Terug naar Inhoudsopgave


Coderen leidingen


Algemeen

Aan getekende leidingen kunnen coderingen (extended data) worden toegevoegd en ingevuld.

Alleen bij leidingen die getekend zijn met versie 5.2 of hoger en ook niet bij met AutoCAD commando LINE getekende lijnen!

De waarde van de codering kan worden gewijzigd.

 

Codering aan leiding toevoegen

  1. Klik op knop of selecteer 'Codeer Leiding' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Selecteer de te coderen leiding
  3. Vul in het dialoogvenster in:
    • Bij Tag: de tag van een attribuut
      Als de Tag in de applicatie bekend is wordt tevens de omschrijving getoond:
      Voorbeeld: GROEP  -> Groepnummer
    • Geef (rechts) de waarde op
  4. Klik op knop:
    • [ Aangewezen ]
      de aangewezen leiding wordt gecodeerd.
    • [ Selectie ]
      Selecteer de te coderen leidingen die de opgegeven codering moeten krijgen
      (met een filter op de laag van de aangewezen leiding).


Codering van leiding wijzigen

  1. Klik op knop of selecteer 'Codeer Leiding' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Selecteer de leiding
  3. Selecteer in het dialoogvenster de te wijzigen code
  4. Wijzig de tekst, rechtsonder in het venster; afsluiten met <Enter>
  5. Klik op knop:
    • [ Aangewezen ]
      de aangewezen leiding wordt gecodeerd.
    • [ Selectie ]
      Selecteer de te coderen leidingen met de opgegeven codering.


Toevoegen montagecodering bij leidingen

  1. Selecteer 'Leidingaanleg'voor de juiste installatie o.a. in:
    • pull-downmenu Centraal, keuze Voeding …
    • pull-downmenu Kracht, keuze Kracht-Verdeelkast
    • pull-downmenu Licht, keuze Licht-Verdeelkast
    • pull-downmenu Communicatie, alle keuzes, icon Pijlen
    • pull-downmenu Beveiliging, alle keuzes, icon Pijlen
  2. Kies 'Leidingmontage' in het iconenvenster
  3. Kies symbool in iconenvenster 'Leidingmontage'
  4. Plaats symbool op leiding
    De symbolen worden ‘leesbaar’ geplaatst: boven of links van de leiding.


Bijschrijven leidingsoort

  1. Klik op knop of selecteer 'Leidingsoort' in pull-downmenu 'Plaatsen'
  2. Wijs de betreffende leiding aan
  3. Geef de positie van de tekst op
    De tekst wordt horizontaal geplaatst: Nl-SfB code, nummer, kabel, buis
    Voorbeeld: 6350 13 YmvK3x10 Hostalit 5/8"
    Instelbaar via menu Applicatie, keuze Instellingen, onderdeel Leidingen, Bijschrift leidingen.


Bijschrijven montagehoogte

  1. Klik op knop of selecteer 'Montagehoogte' in pull-downmenu 'Plaatsen'
  2. Wijs het symbool aan
  3. Geef de positie van de tekst op
    De tekst wordt horizontaal geplaatst.
    De presentatie –voorvoegsel, achtervoegsel – kan worden beïnvloed via menu Applicatie, Instellingen, Attributen invullen, Voor- en achtervoegsel bij montagehoogte.


Tellen van leidingen

  1. Klik op knop of selecteer 'Leiding-lengte' in pull-downmenu 'Tel'
  2. Selecteer de te tellen leidingen
    of
    <Enter> = gehele tekening


Terug naar Inhoudsopgave


1 Symbool voor meerdere ASP/Contactdozen


Algemeen

Als een aantal aansluitpunten of contactdozen geconcentreerd geplaatst moeten worden kan worden volstaan met het plaatsen van 1 symbool, waarbij dan het aantal moet worden opgegeven dat bedoeld wordt.

Voor de afzonderlijke aansluitpunten en contactdozen kunnen verschillende groepen, kasten, vermogens en bestemmingen worden opgegeven.

Een kast met meerdere voedingen  kan worden opgegeven. Bij de koppeling met de database wordt hiermee rekening gehouden.

Een bijzondere toepassing hiervan zijn Bedwandpanelen en zuilen. Bedwandpanelen komen voor in ziekenhuizen.

Op een bedwandpaneel worden meerdere groepen aangesloten:

  • Verlichting; worden in de database als lichtarmaturen behandeld
  • Contactdozen; worden ingelezen als WCD
  • Aansluitpunten; worden ingelezen als ASP
    Wanneer er in een zuil of bedwandpaneel bijvoorbeeld geen ASP bevat, moet in het attribuut voor aantal aansluitpunten 0 ingevuld worden. Dit zorgt er dan voor dat deze niet geteld wordt in de database. Wordt deze waarde leeg gelaten dan zal de database dit aansluitpunt 1x voor 200VA meetellen.
    Het symbool bedwandpaneel is ondergebracht in het menu Zuilen.

Aantal aansluitpunten/contactdozen per symbool

1 symbool is op tekening geplaatst.
  1. Klik op knop of selecteer menukeuze 'Block Att. Invullen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het aansluitpunt of de contactdoos aan
  3. Geef in venster 'Wijzig Attributen'de waarden op:
    • Bij de velden 'Voedende groep', 'Voedende kast', 'Vermogen', 'Armatuurcode', 'Gelijktijdigheid' en 'Schakelcode'
    • Geef een aantal op in het veld 'Aantal' (contactdozen / armaturen / aansluitpunten) en als deze zichtbaar moet worden geplaatst mag hier een “x” achter gezet worden (bvb. 3x)
    • Bij gelijke waarden volstaat opgave van 1 waarde, maar als meerdere waarden (bijvoorbeeld vermogens) worden ingevuld moet het aantal waarden gelijk zijn aan de getalswaarde in veld aantal. Afzonderlijke waarden moeten dan worden gescheiden met een komma (,)
    • Als één van de rubrieken 'Verlichtingsarmaturen', 'Contactdozen' en 'Aansluitpunten' niet voorkomt moet bij aantal "0" ingevuld worden
  4. Klik op [ OK ]
Indien de aansluitpunten of contactdozen niet identiek zijn moet worden vastgelegd in welke volgorde gelezen moet worden.
Dit kan door een afspraak vast te leggen (bv. Van boven naar beneden, of een "typical" of detailtekening) en/of door ter plaatse te markeren.


Fasenverdeling in het symbool opgeven

Is de eerste letter in het attribuut 'TAL' een "L" (bijvoorbeeld "L1", "L2” of “L2/3"), dan moeten er 3 vermogens opgegeven worden die de drie fasen vertegenwoordigen, gescheiden door een komma (bijvoorbeeld 0,500,100) dan wordt het vermogen van  het symbool verdeeld over 3 fasen: L1 (0 VA), L2 (500 VA) en L3 (100 VA).  In E-Schema worden dan in het hierboven beschreven geval de groepen getoond als K1.L1, K1.L2 en K1.L3. Is vermogen 0 opgegeven, dan wordt dat symbool op die fase niet geteld

Zie voorbeelden voor het invullen hieronder:

Contactdozen:


Bedwandpanelen en zuilen:


Terug naar Inhoudsopgave


Nummeren van symbolen


Algemeen

Symbolen kunnen worden genummerd.

De nummering kan worden opgebouwd met voorloopteksten, voorvoegsels, achtervoegsels en scheidingstekens. De nummering, al dan niet uitgesplitst, kan in een of twee attributen van het symbool worden geplaatst. 

Het is mogelijk om meer nummers in 1 attribuut te plaatsen, voor bijvoorbeeld meervoudige datacom-outlets.

De symbolen moeten tot dezelfde lagengroep behoren: de eerste 6 tekens van de laagnaam moeten gelijk zijn – wanneer het filter op laagnaam aangevinkt is.

 

Bij meerdere nummers in 1 attribuut bestaat de mogelijkheid

  • het aantal op te geven
  • de afzonderlijke nummers te tonen
  • alleen het laagste en hoogste nummer te tonen

Voorlooptekst en voorvoegsel

  • bij gebruik van 2 verschillende attributen (bvb. Nummer en Paneel)
    • Voorlooptekst <leeg>
      het Voorvoegsel komt dan in de tweede attribuut. Deze telt zo nodig door.
    • Voorlooptekst <gevuld>
      de Voorlooptekst komt in het tweede attribuut
  • Bij gebruik van gelijke attributen (dan wordt dat ene attribuut ingevuld)
    • Bij meer nummers in een attribuut:
      • de Voorlooptekst wordt eenmaal vermeld, en
      • het Voorvoegsel wordt herhaald 


Meervoudig invulling van attribuut
In een attribuut (4x)In een attribuut (4x) + in reeks

PP1-A01, A02, A03, A04

PP1-A05, A06, A07, A08

...

PP1-A21, A22, A23, A24

PP1-B01, B02, B03, B04

...

PP1-A01...A04

PP1-A05...A08

...

PP1-A21...A24

PP1-B01...B04

...

 


Doornummeren – 1 symbool per nummer

  1. Klik op knop in toolbar of ribbon-tab 'Bewerk',
    of
    selecteer 'Nummeren' in pull-downmenu 'Bewerk' 
  2. Vul in het dialoogvenster de gegevens in 
  3. Klik op knop [ Per stuk ]
  4. Wijs de symbolen een voor een aan.
  5. Sluit af met <Enter>

Doornummeren – meerdere symbolen per nummer

  1. Klik op knop in toolbar of ribbon-tab 'Bewerk',
    of
    selecteer 'Nummeren' in pull-downmenu 'Bewerk' 
  2. Vul in het dialoogvenster de gegevens in 
  3. Klik op knop [ Selectie ]
  4. Selecteer alle symbolen die hetzelfde nummer moeten krijgen en sluit de selectie af met <Enter>
    • Om het volgende nummer toe te wijzen:
      Ga naar 4.
    • Om af te sluiten:
      Toets <Enter>

Doornummeren – reeks symbolen oplopend genummerd

  1. Klik op knop in toolbar of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Nummeren' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Vul in het dialoogvenster de gegevens in 
  3. Klik op knop [ Doornummeren ]
  4. Selecteer alle symbolen opvolgend door een lijn te trekken over de te nummeren symbolen en sluit de selectie af met <Enter>
    De <fence>-optie wordt automatisch ingesteld; de symbolen worden in de volgorde van de fence-lijn genummerd.
    De symbolen worden tijdens het nummeren in beeld gebracht; de applicatie zoomt in of uit tot alle symbolen in beeld zijn.

Doornummeren – meervoudig symbool

  1. Klik op knop in toolbar of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Nummeren' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Vink in vak 'Meervoudig' aan: in meer
  3. Vul in het dialoogvenster de gegevens in 
  4. Klik op knop [ Doornummeren ]
  5. Selecteer alle symbolen opvolgend door een lijn te trekken over de te nummeren symbolen en sluit de selectie af met <Enter>
    De <fence>-optie wordt automatisch ingesteld; de symbolen worden in de volgorde van de fence-lijn genummerd.
    De symbolen worden tijdens het nummeren in beeld gebracht; de applicatie zoomt in of uit tot alle symbolen in beeld zijn.


Terug naar Inhoudsopgave


Verplaatsen, roteren, uitlijnen attributen


Algemeen

De bij de symbolen geplaatste attributen (coderingen) kunnen worden verplaatst, geroteerd en uitgelijnd.

Voor de bewerking kan een gebied worden opgegeven.

De verplaatsing, rotatie en uitlijning van de attributen van een symbool kunnen worden overgenomen naar andere symbolen 

Alleen de symbolen van hetzelfde type worden bewerkt.
Indien deze functies met <Esc> worden afgebroken blijft er een stukje tekst staan.
Deze is te verwijderen met de functie  - Verwijder Markering: commando VMARK


Verplaatsen attribuut

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Verplaatsen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het te verplaatsen attribuut aan
  3. Geef de nieuwe positie op
  4. Selecteer de overige aan te passen symbolen.

Overnemen positie van attributen

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Verplaatsen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan, waarvan de positie van de attributen overgenomen moet worden (niet een attribuut aanwijzen)
  3. Selecteer de symbolen waarvan de positie van de attributen moet worden aangepast.

Roteren attribuut

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Roteren' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het te roteren attribuut aan
  3. Geef de rotatie op
  4. Selecteer de overige aan te passen symbolen.
    Let op de rotatie van de symbolen bij het roteren van attributen bij meerdere symbolen: de attributen kunnen dan "op de kop" komen te staan.

Overnemen rotatie van attributen

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Roteren' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan, waarvan de rotatie van de attributen overgenomen moet worden (niet een attribuut aanwijzen)
  3. Selecteer de symbolen waarvan de rotatie van de attributen moet worden aangepast.
    Let op de rotatie van de symbolen bij het roteren van attributen bij meerdere symbolen: de attributen kunnen dan "op de kop" komen te staan.

Roteren en verplaatsen attribuut

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Roteren en Verplaatsen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het te roteren en te verplaatsen attribuut aan
  3. Geef de rotatie op
  4. Geef de verplaatsing op
  5. Selecteer de overige aan te passen symbolen.
    Let op de rotatie van de symbolen bij het roteren van attributen bij meerdere symbolen: de attributen kunnen dan "op de kop" komen te staan.

Overnemen rotatie en verplaatsing van attributen

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Roteren en Verplaatsen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan, waarvan de rotatie en verplaatsing van de attributen overgenomen moet worden (niet een attribuut aanwijzen)
  3. Selecteer de symbolen waarvan de rotatie en verplaatsing van de attributen moet worden aangepast.
    Let op de rotatie van de symbolen bij het roteren van attributen bij meerdere symbolen: de attributen kunnen dan "op de kop" komen te staan.

Uitlijnen en verplaatsen attribuut

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Uitlijnen en Verplaatsen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het uit te lijnen attribuut aan
  3. Geef de uitlijning op in venster 'Uitlijning'
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de overige aan te passen symbolen.

Overnemen uitlijning en verplaatsing van attributen

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Uitlijnen en Verplaatsen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan, waarvan de rotatie en verplaatsing van de attributen overgenomen moet worden (niet een attribuut aanwijzen)
  3. Selecteer de symbolen waarvan de uitlijning en verplaatsing van de attributen moet worden aangepast.


Terug naar Inhoudsopgave


Teksthoogte/-kleur attributen aanpassen


Algemeen

De teksthoogte en de tekstkleur van de bij de symbolengeplaatste attributen (coderingen) kunnen worden aangepast.

De teksthoogte en –kleur van de attributen van een symbool kunnen naar andere symbolen worden overgenomen. 

Voor de bewerking kan een gebied worden opgegeven.

Alleen de symbolen van hetzelfde type worden bewerkt.

Aanpassen teksthoogte

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Teksthoogte' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het attribuut aan waarvan de teksthoogte moet worden aangepast
  3. Geef in venster 'Teksthoogte' de nieuwe teksthoogte op
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de overige aan te passen symbolen.

Overnemen teksthoogte

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Teksthoogte' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan, waarvan de teksthoogte van de attributen overgenomen moet worden (niet een attribuut aanwijzen)
  3. Selecteer de symbolen waarvan de teksthoogte van de attributen moet worden aangepast.

Aanpassen tekstkleur

  1. Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Tekstkleur' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het attribuut aan waarvan de tekstkleur moet worden aangepast
  3. Geef in venster 'Select Color' de nieuwe tekstkleur op
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de overige aan te passen symbolen.

Overnemen tekstkleur

  1. 1.    Klik op knop in toolbar 'Attribuutbewerking' of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer 'Att. Tekstkleur' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het symbool aan, waarvan de tekstkleur van de attributen overgenomen moet worden (niet een attribuut aanwijzen)
  3. Selecteer de symbolen waarvan de tekstkleur van de attributen moet worden aangepast.


Attributen synchroniseren

Eigenschappen van een overeenkomstig attribuut overnemen van eenzelfde symbool.

 

  1. Klik op knop of selecteer 'Att. Synchroniseren' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs attribuut aan waarvan de eigenschappen overgenomen moeten worden (Lezen)
  3. Vink in venster 'Synchroniseer Attributen'aan welke eigenschappen overgenomen moeten worden:
    • Knop [ Alles Aan ] voor alle vinkjes aan zetten;
      Knop [ OK ] wordt zo nodig geactiveerd
    • Knop [ Alles Uit ] voor alle vinkjes uit zetten;
      Knop [ OK ] wordt dan vergrijsd, na zetten van een vinkje wordt de knop weer actief
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de (identieke) symbolen waarvan de eigenschappen van het overeenkomstige attribuut moeten worden gesynchroniseerd.


Terug naar Inhoudsopgave


Verschalen van symbolen


Algemeen

Bij het plaatsen van symbolen  is rekening gehouden met de opgegeven plotschaal.

  • Als de plotschaal van de tekening wordt aangepast moeten deze symbolen worden vervangen door symbolen voor de nieuwe plotschaal. Hiervoor is een aparte functie beschikbaar in het pull-downmenu 'Extra' onder keuze 'Conversie', 'Verschalen'

Bij een aantal symbolen kan het gewenst zijn op werkelijke maat te tekenen, zoals bij verdeelkasten en spanningsrails.
Met de functie Verschalen kunnen deze symbolen de gewenste afmetingen gegeven worden. Dit is mogelijk:

  • Per Laag :
    alle symbolen op bepaalde laag binnen een selectie;
  • Per Block:
    alle symbolen met dezelfde blocknaam binnen een selectie;
  • Per Attribuut:
    alle symbolen met bepaald kenmerk binnen een selectie;
  • Per stuk:
    per stuk aan te wijzen symbolen.
  • Aangewezen:
    het geselecteerde symbool.

Bij het verschalen kan opgegeven worden of de symbolen verschaald moeten worden

  • t.o.v. het invoegpunt 
  • t.o.v. het plaatsingspunt op de wand

 

Symbool verschalen, per laag, block of attribuut

  1. Klik op knop in toolbar of ribbon-tab 'Bewerk',
    of
    selecteer menukeuze 'Verschaal symbolen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het referentie-symbool aan (type te verschalen symbool)
    In het dialoogvenster Verschalen wordt de huidige verschaling aangegeven.
  3. Wijzig de verschaling in het vak Nieuwe Waarde in dialoogvenster Verschalen; dit kan op 5 manieren:
    • Wijzig de verschaling, andere waarden worden automatisch aangepast – alleen gelijke x-, y- en z-verschaling;
    • Wijzig de werkmaat , andere waarden worden automatisch aangepast – ongelijke x-, y- en z-verschaling mogelijk;
    • Wijzig de papiermaat, andere waarden worden automatisch aangepast – ongelijke x-, y- en z-verschaling mogelijk;
    • Activeer 'Plotschaal', waarden worden volgens de huidige plotschaal aangepast.
    • Activeer 'Huidige schaal', waarden van de verschaling van het geselecteerde middel worden toegepast op de te selecteren symbolen
  4. Geef het selectiefilter op in blok 'Filter' in dialoogvenster 'Verschalen':
    • Laag:
      alle symbolen op bepaalde laag binnen een selectie;
    • Block:
      alle symbolen met dezelfde blocknaam binnen een selectie;
    • Attribuut:
      alle symbolen met bepaald kenmerk binnen een selectie;
      Eén, twee of alle drie de filters zijn op te geven.
  5. Geef eventueel op ten opzicht waarvan verschaald moet worden met Base=insert of Base=wand 
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Selecteer de te verschalen symbolen
    De geselecteerde symbolen die bovendien aan de opgegeven filteropties voldoen worden verschaald.

Symbool verschalen, per stuk

  1. Klik op knop in toolbar of ribbon-tab 'Bewerk'
    of
    selecteer menukeuze 'Verschaal symbolen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het referentie-symbool aan (type te verschalen symbool)
    In het dialoogvenster 'Verschalen' wordt de huidige verschaling aangegeven.
  3. Wijzig de verschaling in vak 'Nieuwe Waarde' in dialoogvenster 'Verschalen'; dit kan op 4 manieren:
    • Wijzig de verschaling, andere waarden worden automatisch aangepast;
    • Wijzig de werkmaat , andere waarden worden automatisch aangepast – ongelijke x-, y- en z-verschaling mogelijk;
    • Wijzig de papiermaat, andere waarden worden automatisch aangepast – ongelijke x-, y- en z-verschaling mogelijk;
    • Activeer Plotschaal, waarden worden volgens de huidige plotschaal aangepast.
  4. Selecteer 'Per stuk' als selectiefilter in blok 'Filter' 
  5. Geef eventueel op ten opzichte waarvan verschaald moet worden.
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Wijs symbolen aan
    Elk aangewezen symbool wordt direct verschaald.
  8. Toets <Enter> voor beëindigen functie.

Aangewezen symbool verschalen

  1. Klik op knop in toolbar of ribbon-tab 'Bewerk',
    of
    selecteer menukeuze 'Verschaal symbolen' in pull-downmenu 'Bewerk'
  2. Wijs het referentie-symbool aan (hier: het te verschalen symbool)
    In het dialoogvenster 'Verschalen' wordt de huidige verschaling aangegeven.
  3. Wijzig de verschaling in vak 'Nieuwe Waarde' in dialoogvenster 'Verschalen'; dit kan op 4 manieren:
    • Wijzig de verschaling, andere waarden worden automatisch aangepast;
    • Wijzig de werkmaat , andere waarden worden automatisch aangepast – ongelijke x-, y- en z-verschaling mogelijk;
    • Wijzig de papiermaat, andere waarden worden automatisch aangepast – ongelijke x-, y- en z-verschaling mogelijk;
    • Activeer Plotschaal, waarden worden volgens de huidige plotschaal aangepast.
  4. Selecteer knop [  Aangewezen ] 


Symbolen verschalen naar nieuwe plotschaal

  • De plotschaal aanpassen via knop  of via menu Algemeen, Tekening setup, Plotschaal
  1. Selecteer 'Conversie', 'Verschalen naar plotschaal' in menu 'Extra' 
  2. Selecteer de te verschalen symbolen
    of
    [ Enter ] om de gehele tekening te selecteren
Alle geselecteerde symbolen worden verschaald of vervangen.
Symbolen waarvan de X-schaal en de Y-schaal ongelijk zijn worden niet verschaald; de ongelijke verschaling is opzettelijk of noodzakelijk.
Wandsymbolen worden automatisch weer tegen de wand gezet.
Symbolen naast elkaar (schakelaars, WCD's) worden niet aangepast t.a.v. hun onderlinge positie: deze zullen dus "met de hand" moeten worden aangepast.
Na deze bewerking moeten meestal ook de teksten verschoven worden.


Terug naar Inhoudsopgave


Conversie DIALUX tekening


Algemeen

Het verlichtingsberekeningsprogramma DIALUX kan een installatietekening met armaturen produceren. In de armatuursymbolen (unnamed blocks) is o.a. de armatuurcode opgenomen.

Om deze symbolen in Elektra te kunnen gebruiken moeten deze symbolen worden geconverteerd. Deze worden omgezet naar symbolen waarin de afmetingen van het armatuur zijn verwerkt.

In het revisiestadium kunnen deze symbolen zo nodig worden omgezet naar de genormaliseerde symbolen.

Dialux tekening coverteren

  •     De DIALUX-tekening is de actieve tekening
  1. Type het commando: DLX2NOR
  2. Selecteer de te converteren symbolen
    of
    toets <Enter> om alle symbolen te selecteren
  3. Type het standaard AutoCAD commando <PURGE> om de unnamed blocks uit de tekening te verwijderen
    of
    gebruik de Handige Hulp routine PA (Purge All).


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld