Naar hoofdinhoud

CV & Lucht -04- CV-installatie - TheModus Suites (Nordined)

How to - CV & Lucht

Laatst gewijzigd op 13 juli 2021


INHOUDSOPGAVE

INHOUDSOPGAVE



CV-installatie


Algemene instellingen


Algemeen

Voor het tekenen en bewerken van de installatie kunnen verschillende instellingen het werken en daarmee tevens het controleren gemakkelijk maken.

  • Teken-instellingen als de snaphoek (SNAPANGLE) 
  • Zichtbaarheid van lagen
  • 3D/2D instellingen


Undo markeerpunten zetten en gebruiken

  • Undo-markeerpunt plaatsen
    1. Klik op knop
      of
      selecteer 'Zet markeerpunt' in menu 'Applicatie'
      Het markeerpunt wordt gezet.
  • Voor Undo tot het vorige markeerpunt
    1. Klik op knop
      of
      selecteer 'Undo markeer' in menu 'Applicatie'
      Het NOR-commando wordt ongedaan gemaakt.


Instelling snaphoek

  • Voor instellen snaphoek
    1. Klik op knop
      of
      selecteer 'Snaphoek instellen' in menu 'Applicatie' 
    2. Geef de snaphoek op
      De snaphoek is ingesteld.
  • Voor instellen snaphoek = 0
    1. Klik op knop
      of
      selecteer 'Snaphoek op “0” zetten' in menu 'Applicatie'
      De snaphoek wordt teruggezet op 0


Kleur Water-lagen op default zetten

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Volgens W-lagen.ini' in menu 'Bewerk', en het vervolgmenu 'Weergave'
    De laaginstellingen (kleur en lijntype) zoals die in ..\Cadac Group\Techniek 10.1x\Lib\W-lagen.ini zijn vastgelegd worden toegepast op de tekening.
    Zie ook: Standaard instellingen.


Zichtbaar maken getekend leidingstelsel

  • Ter controle van het getekende leidingstelsel kan de tekening in isometrisch perspectief worden getoond.
  • Menu 'Nor View' maakt het snel schakelen tussen de verschillende weergaven mogelijk:
    • Zichtbaar maken isometrie: 
      • type ziso (= Zoom ISOmetrisch)
      • klik op één van de Isometric View knoppen
      • kies de functie via menu 'Applicatie', 'Nor View'
    • Terug naar het platte vlak:
      • type znor (=Zoom NORmaal)
      • klik op knop 'Top View'
      • kies de functie via menu 'Weergave'
        Met de standaard AutoCAD-commando’s uit menu View zijn ook verschillende isometriën te maken.


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen leidingen


Algemeen

Na keuze voor de CV-installatie (via knop ) kunnen leidingen voor koeling, CV en/of stoom worden getekend. Ook kunnen User-leidingen (zelf gedefinieerde leidingen) worden getekend.


Tijdens het tekenen is de peilmaat op te geven; de actuele peilmaat wordt in de statusbalk getoond.

     

Tekenen enkele leiding

  • CV-menu actief
  1. Selecteer de gewenste leidingsoort in menu:
    • CV-Stoom
    • Koeling
      of
    • klik op de betreffende knop in de toolbar:
  2. Geef de Nominale diameter op
    • toets <Enter> voor de laatst geselecteerde waarde
    • type waarde
    • selecteer waarde op commandline
    • selecteer waarde uit pop-upmenu (klikken met rechter muistoets)
  3. Geef beginpunt van de leiding/leidingcombinatie op
    of
    toets:
    • R voor Referentiepunt
    • M voor peilMaat
  4. Geef de peilmaat op (default peil=0)
    • toets <Enter> voor de laatst geselecteerde waarde
    • type waarde
    • selecteer waarde op commandline
    • selecteer Peilmaat in het Rechter muisknop-menu
      of
    • selecteer 'Als' in het Rechter muisknop-menu om een peilmaat over te nemen
  5. Geef volgende punt van leiding op
    of
    Kies één van de opties:
    • 0    Snapang op 0° (of 90°)
    • 1    Snapang op 1
    • 3    Snapang op 3
    • 4    Snapang op 4
    • R    Referentiepunt
    • P    Parallel aan aan te geven lijn
    • A    Aansluiten op aansluitpunt
    • V    Verloop
    • M   peilMaat
    • S    Sprong voor het tekenen van verticale leidingen
      Geef de hoogtesprong op via:
      • rechtermuistoets menu
      • selecteer waarde op commandline
      • door typen waarde
    • U    Undo (stap terug)
    • B    afBreken (plaatst afbreeksymbool aan begin en einde)
  6. volgende punt opgeven:
    • ja    ga naar stap 5.
    • nee    Toets <Enter>


Tekenen user-leiding

  • CV-menu actief
  • Userleidingen reeds geformuleerd (zie Maken userleiding)
  1. klik op knop
    of
    Selecteer 'Userleiding' in het menu 'CV-Stoom' of 'Koeling'
    Als de gewenste userleiding nog niet is geformuleerd kan via knop [ Nieuw ] een userleiding worden gemaakt.
  2. Selecteer gewenste userleiding in het popup-venster:
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Geef de Nominale diameter op:
    • Door typen waarde
    • selecteren waarde op commandoregel
    • via rechtermuistoets selecteren uit shortcut-menu.
  5. Geef beginpunt van de leiding/leidingcombinatie op
    of
    toets:
    • R voor Referentiepunt
    • M voor peilMaat
  6. Geef de peilmaat op (default peil=0)
    • toets <Enter> voor de laatst geselecteerde waarde
    • type waarde
    • selecteer waarde op commandline
    • selecteer Peilmaat in het Rechter muisknop-menu
      of
    • selecteer 'Als' in het Rechter muisknop-menu om een peilmaat over te nemen
  7. Geef volgende punt van leiding op
    of
    Kies één van de opties:
    • 0    Snapang op 0° (of 90°)
    • 1    Snapang op 1
    • 3    Snapang op 3
    • 4    Snapang op 4
    • R    Referentiepunt
    • P    Parallel aan aan te geven lijn
    • A    Aansluiten op aansluitpunt
    • V    Verloop
    • M   peilMaat
    • S    Sprong voor het tekenen van verticale leidingen
      Geef de hoogtesprong op via:
      • rechtermuistoets menu
      • selecteer waarde op commandline
      • door typen waarde
    • U    Undo (stap terug)
    • B    afBreken (plaatst afbreeksymbool aan begin en einde)
  8. volgende punt opgeven:
    • ja    ga naar stap 5.
    • nee    Toets <Enter>


Opmerkingen

  • User-leidingen moeten eerst worden gemaakt (geformuleerd) voordat ze bij het tekenen kunnen worden gebruikt.
  • De leidingen worden als lijn getekend.


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen leidingen in afwerklaag, verdeelblok


Algemeen

Bij het tekenen van leidingen in de afwerklaag kunnen deze worden aangesloten op een verdeelblok en op aansluitpunten van de radiatoren.


De verdeelblokken kunnen worden opgebouwd met aanvoer en retour gecombineerd, als gescheiden aanvoer- en retour-verdeelblokken of als losse aanvoer of retour verdelers.


De leidingen kunnen als spline (vloeiend) of als polyline (met afgeronde hoeken) getekend worden. Het voordeel van de spline is dat deze met behulp van grips gemakkelijk vervormd/verlegd kan worden. 

Als verdeelblok en radiatoren reeds geplaatst zijn kunnen de leidingen hierop worden aangesloten.

 

 

Instellen opzetten leiding afwerklaag

  1. Selecteer:
    • Vloeiend opzetten
      De leidingen worden als spline getekend; hierbij is het aanpassen van het leidingverloop middels grips eenvoudig
    • Afgerond opzetten
      De leidingen worden als polyline getekend en de afzonderlijke lijnstukken worden onderling afgerond; de binnenbocht met straal 50mm, de buitenbocht afhankelijk van de opgegeven h.o.h. afstand.
  2. in pul-downmenu 'CV-Stoom' en vervolgmenu 'Afwerklaag'
    of
    op RibbonTab 'CV' en panel 'Afwerklaag'
    De gekozen optie wordt zichtbaar in het menu.


Maken verdeelblok

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verdeelblok' in menu 'CV-Stoom', en het vervolgmenu 'Afwerklaag' 
  2. Geef in venster 'Verdeler/Verzamelaar'op:
    • Gescheiden (CV-Aanvoer en/of CV-Retour) of gecombineerde blokken
    • aantal groepen
    • h.o.h. afstand 
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Bepaal de beginpositie op tekening
  5. Geef de richting op van het verdeelblok
  6. Om de aansluitpunten op de juiste peilmaat te leggen:
    1. Type WP  (Wijzig Peilmaat)
    2. Selecteer de aansluitpunten
    3. Geef de peilmaat op


Tekenen leiding in afwerklaag

  • CV-menu actief
  • Verdeelblok en radiatoren reeds geplaatst
  1. Klik op de betreffende knop:
    •  CV Aanvoer (Afw.)
    •  CV Retour (Afw.)
    •  CV Aanvoer-Retour (Afw.)
    • CV Retour-Aanvoer (Afw.)
      of
      selecteer het gewenste soort leiding in menu 'CV-Stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Geef de Nominale diameter op:
    • type waarde
    • selecteer waarde op commandoregel
    • selecteer waarde in het Rechter muisknop-menu/Shortcutmenu
    • toets <M> gevolgd door <Enter> en selecteer de fabrikant en diameter in venster 'Fabrikantgegevens flexibele CV-leidingen'
  3. Indien gekozen 'Aanvoer-Retour' of voor' Retour-Aanvoer':
    • Geef de hartmaat op door:
      • Intypen waarde
      • selecteer waarde op commandoregel
      • Selecteren waarde uit het rechter muistoetsmenu
      • Toets  <S>  gevolgd door <Enter> en selecteer de aansluitpunten (Er wordt dan direct getekend vanaf de aansluitpunten: ga naar stap 5.)
  4. Geef het beginpunt op
  5. Geef de volgende punten op:
    • 0    Snapangle op 0° zetten
    • 1    Snapangle op 15° zetten
    • 3    Snapangle op 30° zetten
    • 4    Snapangle op 45° zetten
    • H   Hart op Hart afstand
    • P    Parallel
    • A   Aansluiten op
      • Selecteer aansluitpunt waarop moet worden aangesloten
  6. Geef eindpunt op:
    • A    Aansluiten op
      • Selecteer aansluitpunt waarop moet worden aangesloten, of
      • Selecteer de leiding(en) waarop moet worden aangesloten
        Leidingen die aangesloten worden op andere leidingen worden niet direct geknipt!
        Dit kan in een keer achteraf over de hele tekening
    • Indien leidingen “vloeiend” zijn getekend:
  7. Klik de leiding aan
  8. Versleep de grips totdat de leiding naar wens gevormd is


Opmerkingen

  • Het is beter om vanaf een radiator naar de verdeler te tekenen: Onder de verdeler kunnen de leidingen makkelijker kruisen.
  • Leidingen in de afwerklaag worden als polylijn of als spline getekend.
  • Leidingen in de afwerklaag moeten tijdens het tekenen worden aangesloten; naderhand is dat niet meer mogelijk.


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen vloerverwarming


Algemeen

Vloerverwarming kan op verschillende manieren worden getekend:

  • Aanvoer en retourleiding apart
  • Aanvoer en retourleiding gecombineerd
  • In slakkenhuispatroon gegenereerd
    • voor rechthoekige ruimten (met 4 zijden)
    • voor niet-rechthoekige ruimten
  • In meanderpatroon gegenereerd
    • voor rechthoekige ruimten
  • Met symbool aangeduid.

Het materiaal van de leidingen kan worden opgegeven.

Bij het genereren van het patroon wordt eerst gevraagd een snap-basepoint op te geven voor een hoekpunt van de ruimte. Standaard wordt de Snap dan geactiveerd met een afstand van 250 mm als hulpmiddel bij het tekenen van de contour.

Bij het genereren van patronen kan een rechthoekig gebied aangegeven worden waarin leidingen verdicht worden gelegd.

Vervolgens kan de leidinglengte worden geteld.


   

Vloerverwarming tekenen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'  
  2. Geef in venster 'Vloerverwarming'op:
    • Aanvoer
    • Retour
    • Aanvoer+Retour
    • Materiaalkeuze
    • Diameter, legafstand, legradius en eventueel lengte rol
    • Bij opgave Aanvoer+Retour
      • Basislijn (tekenlijn): Links, Midden of Rechts
      • Wel/niet verbinden van aanvoer en retourleiding
      • Of de aanvoerleiding de linker of rechter lijn is
    • Eventueel of een Snap-basepoint moet worden opgegeven
      • Hoekpunt ruimte opgeven
  3. Klik op knop [ Tekenen ]
  4. Indien 'Hoekpunt ruimte opgeven'was aangevinkt:
    Selecteer het hoekpunt van de ruimte (dit punt is het punt waar de leidingen de ruimte binnenkomen)
    Het snap-basispunt van het snap-raster wordt dan daar gelegd. Het snapraster wordt ingesteld op 250 x 250 mm. Dit vergemakkelijkt het tekenen van het leidingverloop.
  5. Geef het beginpunt van de leiding(en) op
  6. Geef de volgende punten op
    Alleen de tekenlijn is zichtbaar, niet de leiding(en).
  7. Sluit het tekenen af met <Enter>
    De leidingen worden zichtbaar op de tekening en venster 'Vloerverwarming' wordt weer actief.
  8. Klik op knop [ Tekenen ] om de volgende leidingen te tekenen
    of
    klik op knop [ Sluiten ] om het venster te verlaten


Vloerverwarming met symbool aanduiden

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik 'Symbool' aan:
  3. Geef op welk symbool gebruikt moet worden. Klik op knop:
    •  voor een slakkenhuispatroon
    •  voor een meanderpatroon
  4. Geef het leidingmateriaal, diameter, legafstand en legradius op
  5. Klik op knop [ Plaatsen ]
  6. Plaats het symbool op de tekening
  7. Geef de rotatie op
  8. Geef zonodig de gegevens op in venster 'Wijzig attributen'
    • Vink de op te geven/wijzigen gegevens aan
    • Geef de waardes op
  9. Klik op knop [ OK ]
    In popup venster wordt gevraagd of de details van de groep op tekening geplaatst moeten worden.
  10. Klik op knop 
    • [ Ja ]om de gegevens bij de groep te plaatsen
      1. Plaats de gegevens op de tekening
      2. Geef de rotatie op
    • [ Nee ] om geen gegevens bij het symbool te plaatsen
  11. Om nog meer symbolen te plaatsen: herhaal stap 4 t/m 9
  12. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster 'Vloerverwarming' te verlaten.


Patroon vloerverwarming genereren: slakkenhuis

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik 'Patroon' aan
  3. Klik op knop voor een slakkenhuispatroon en vink indien gewenst aan:
    • Rechthoekig met lengtecontrole
    • Splits in A&R (splits in Aanvoer en Retour)
    • Basislijn (tekenlijn): Links, Midden of Rechts
    • Materiaalkeuze
    • Diameter, legafstand, legradius en eventueel lengte rol
    • Wel/niet verbinden van aanvoer en retourleiding
    • Of de aanvoerleiding de linker of rechter lijn is
    • Eventueel of een Snap-basepoint moet worden opgegeven
    • Hoekpunt ruimte opgeven
    • Eventueel een verdicht gedeelte aan te vinken
    • Opgave legafstand in verdicht gedeelte
  4. Klik op knop [ Tekenen ]
  5. Indien 'Hoekpunt ruimte opgeven' was aangevinkt:
    Selecteer het hoekpunt van de ruimte (dit punt is het punt waar de leidingen de ruimte binnenkomen)
    Het snap-basispunt van het snap-raster wordt dan daar gelegd. Het snapraster wordt ingesteld op 250 x 250 mm. Dit vergemakkelijkt het tekenen van het leidingverloop.
  6. Opgave ruimteomtrek
    • Rechthoekige ruimte 
      1. Geef het eerste punt  op
      2. Geef het tegenoverliggende hoekpunt op
    • Niet-rechthoekige ruimte 
      1. Geef het eerste hoekpunt op
      2. Geef  de volgende hoekpunten op
  7. Indien opgegeven was om een verdicht gedeelte aan te brengen:
    • Geef een gebied op voor verdicht leggen
      Alleen de leidingen die volledig in het gebied liggen worden verdicht gelegd.


Patroon vloerverwarming genereren: meander

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik 'Patroon' aan
  3. Klik op knop voor een meanderpatroon en vink indien gewenst aan:
    • Of  de aanvoer- en retourleidingen gesplitst moeten worden getekend (getrokken lijn – streeplijn)
    • Basislijn (tekenlijn): Links, Midden of Rechts
    • Materiaalkeuze
    • Diameter, legafstand, legradius en eventueel lengte rol
    • Wel/niet verbinden van aanvoer en retourleiding
    • Of de aanvoerleiding de linker of rechter lijn is
    • Eventueel of een Snap-basepoint moet worden opgegeven
    • Hoekpunt ruimte opgeven
    • Eventueel een verdicht gedeelte aan te vinken
    • Opgave legafstand in verdicht gedeelte
  4. Klik op knop [ Tekenen ]
  5. Indien 'Hoekpunt ruimte opgeven' was aangevinkt:
    Selecteer het hoekpunt van de ruimte (dit punt is het punt waar de leidingen de ruimte binnenkomen)
    Het snap-basispunt van het snap-raster wordt dan daar gelegd. Het snapraster wordt ingesteld op 250 x 250 mm. Dit vergemakkelijkt het tekenen van het leidingverloop.
  6. Opgave ruimteomtrek
    • Rechthoekige ruimte 
      1. Geef het eerste punt  op
      2. Geef het tegenoverliggende hoekpunt op
    • Niet-rechthoekige ruimte 
      1. Geef het eerste hoekpunt op
      2. Geef  de volgende hoekpunten op
  7. Indien opgegeven was om een verdicht gedeelte aan te brengen:
    • Geef een gebied op voor verdicht leggen
      Alleen de leidingen die volledig in het gebied liggen worden verdicht gelegd.
      Een symbool met het meanderpatroon  verschijnt aan de kruisdraden. Dit symbool geeft de oriëntatie van de leidingen weer. Het patroon kan geroteerd worden.
  8. Geef het invoegpunt op (beginpunt van de leidingen)
    Als het beginpunt buiten de ruimte wordt gekozen worden de leidingen vanaf de ruimtebegrenzing getekend.
  9. Geef de rotatie op
  10. Toets  <D>  gevolgd door <Enter>om door te gaan
    Patroon wordt getekend en venster 'Vloerverwarming' wordt geactiveerd.
  11. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster te verlaten 


Verbinden van twee slangen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik op knop [ Verbinden ] in venster 'Vloerverwarming' 
  3. Selecteer de beide te verbinden slangen
    Indien de totale lengte groter is dan de opgegeven rollengte wordt dit gemeld, met de vraag: Doorgaan?
    - Klik op knop [ Ja ] om de slangen te verbinden
    - Klik op knop [ Nee ] om de slangen niet te verbinden
  4. Selecteer de volgende twee slangen
    of
    toets <Enter>
    Venster 'Vloerverwarming' wordt weer geactiveerd.
  5. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster te verlaten


Opbreken slangen op bepaalde afstand van eindpunt

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik op knop [ Opbreken ] in venster 'Vloerverwarming' 
  3. Geef in het popup-venster de opbreeklengte op
  4. Selecteer de slang die op de opgegeven afstand opgebroken moet worden (gerekend vanaf het dichtstbijzijnde eindpunt) en toets <Enter>
    Melding dat de vloerverwarming is opgebroken.
  5. Klik op knop [ OK ]
    Venster 'Vloerverwarming' wordt weer geactiveerd.
  6. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster te verlaten


Knippen slangen op bepaalde plaats

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik op knop [ Opknippen ] in venster 'Vloerverwarming' 
  3. Klik op de positie waar de slang moet worden opgeknipt (<nearest> is geactiveerd)
    Melding dat de vloerverwarming is opgebroken.
  4. Klik op knop [ OK ]
    Venster 'Vloerverwarming' wordt weer geactiveerd.
  5. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster te verlaten


Wisselen Aanvoer en Retour

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik op knop [ Wissel A<-->R ] in venster 'Vloerverwarming' 
  3. Selecteer leidingen
    • Retourleidingen worden Aanvoerleidingen
    • Aanvoerleidingen worden Retourleidingen.
      Venster 'Vloerverwarming' wordt weer geactiveerd.
  4. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster te verlaten


Groepsnummers toekennen

  • Vloerverwarming getekend, patroon gegenereerd of symbool geplaatst.
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vloerverwarming' in menu 'CV-stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Klik op knop [ Groepsnummers ] in venster 'Vloerverwarming'
  3. Selecteer de te nummeren slang(en) of vloerverwarmingssymbool
  4. Geef het groepsnummer op in het popup-venster
  5. Klik op knop [ OK ]
    Melding met vraag of de details van de groep op tekening geplaatst moeten worden.
  6. Klik op knop [ Ja ]
  7. Plaats het gegevensblok op de tekening
  8. Geef de rotatie op
  9. Selecteer de volgende slang(en) of vloerverwarmingssymbool en herhaal stappen 4.-8.
    of
    toets <Enter>
    Venster 'Vloerverwarming' wordt weer geactiveerd.
  10. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster te verlaten 


Terug naar Inhoudsopgave


Maken userleiding


Algemeen

Verschillende soorten leidingen zitten standaard in NOR-CV & Lucht.

Eigen leidingen kunnen worden geformuleerd onder opgave van:

  • Omschrijving
  • Code
  • Kleur
  • Lijntype

De omschrijving wordt gebruikt voor de naamgeving van de laag, de code van de laag wordt bepaald door het menu van waaruit de userleiding wordt aangemaakt. Voorbeeld:

  • Aangemaakt vanuit CV-Stoom (WL560000_)
  • Omschrijving = EIGEN
  • Laagnaam wordt: WL560000_EIGEN
Alle userleidingen worden opgeslagen in het bestand Userleiding.ini in map C:\Gebruikers\<user>|AppData\Cadac Group\Techniek 10.x\WLIB\U.

 

 

Userleiding maken en tekenen

  • CV-menu actief
  • Userleidingen reeds geformuleerd
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Userleiding' in het menu 'CV-Stoom' of 'Koeling'
    De reeds aangemaakte userleidingen zijn zichtbaar in venster '… Userleiding'.
  2. Klik op knop [ Nieuw ] in venster '… Userleiding'
  3. Geef in venster 'Nieuwe Userleiding' de gegevens op:
    • Omschrijving
      Wordt onderdeel van de Laagnaam: bv. WL560000_EIGEN
    • Codering
      De tekst die in de leiding komt te staan na uitvoering van de functie “Automatisch Coderen”.
    • Laagkleur, via knop [ Select… ]
    • Lijntype
  4. Klik op knop [ OK ] in venster 'Nieuwe Userleiding'
  5. Selecteer in venster '… Userleiding' de te tekenen userleiding
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Teken de userleiding


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen leidingcombinaties


Algemeen 

Na keuze voor de CV-installatie kunnen combinaties van leidingen worden getekend.

Leidingcombinaties kunt u samenstellen en opslaan. Leidingcombinaties kunnen ook User-leidingen bevatten.

De actuele peilmaat wordt in de statusbalk getoond.


Speciale commando’s (ziso en znor) zijn beschikbaar om de tekening in isometrie weer te geven, en daarna weer in het platte vlak.


Aanmaken leidingcombinatie en tekenen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Combinatie' in menu 'CV-Stoom' of 'Koeling'
  2. Selecteer in venster 'Combinatie van leidingen' achtereenvolgens:
    1. Installatietype: CV / AF / TW / GA (CV / AFvoer / TapWater / GAs)
    2. de Hart op Hart maten (H.O.H.)
    3. de diameters
    4. de peilmaten
    5. soort leidingen op gewenste volgorde
      De H.O.H. maat van de eerste leiding geeft de afstand tot de tekenlijn: Hierdoor kan de leidingcombinatie op de wandlijn getekend worden.
  3. Wijzig een opgegeven waarde indien nodig door opgave van de juiste waarde en vervolgens de betreffende leiding te selecteren
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef beginpunt van de leiding/leidingcombinatie op
  6. Geef  volgende punt van leiding op:
    • 0    Snapang op 0° (of 90°)
    • 1    Snapang op 1
    • 3    Snapang op 3
    • 4    Snapang op 4
    • R    Referentiepunt
    • P    Parallel aan aan te geven lijn
    • M    peilMaat
  7. volgende punt opgeven?
    • ja:    ga naar stap 6.
    • nee:    Toets <Enter>
      Knop [ OK ] kan pas worden geactiveerd als voor alle geselecteerde leidingsoorten de HOH, diameter en peilmaat zijn geselecteerd.


Opslaan leidingcombinatie en tekenen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Combinatie' in menu 'CV-Stoom' of 'Koeling'
  2. Selecteer in venster 'Combinatie van leidingen' achtereenvolgens:
    1. Installatietype: CV / AF / TW / GA (CV / AFvoer / TapWater / GAs)
    2. de Hart op Hart maten (H.O.H.)
    3. de diameters
    4. de peilmaten
    5. soort leidingen op gewenste volgorde
  3. Klik in venster 'Combinatie van leidingen' op knop [ Opslaan ]
  4. Geef een naam op voor de combinatie
  5. Klik op knop [ Save ]
    De leidingcombinatie wordt opgeslagen in een .cmb bestand.
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Geef beginpunt van de leiding/leidingcombinatie op
  8. Geef  volgende punt van leiding op:
    • 0    Snapang op 0° (of 90°)
    • 1    Snapang op 1
    • 3    Snapang op 3
    • 4    Snapang op 4
    • R    Referentiepunt
    • P    Parallel aan aan te geven lijn
    • M    peilMaat
  9. volgende punt opgeven?
    • ja:    ga naar stap 8.
    • nee:    Toets <Enter>


Ophalen bestaande leidingcombinatie en tekenen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Combinatie' in menu 'CV-Stoom' of 'Koeling'
  2. Klik in venster 'Combinatie van leidingen' op knop [ Ophalen ]
  3. Selecteer de gewenste combinatie in venster 'Geef bestandsnaam op'
    De *.cmb bestanden in de usermap worden getoond.
  4. Klik op knop [ Open ]
  5. Wijzig zonodig eigenschappen van de combinatie
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Geef beginpunt van de leiding/leidingcombinatie op
  8. Geef  volgende punt van leiding op:
    • 0    Snapang op 0° (of 90°)
    • 1    Snapang op 1
    • 3    Snapang op 3
    • 4    Snapang op 4
    • R    Referentiepunt
    • P    Parallel aan aan te geven lijn
    • M    peilMaat
  9. volgende punt opgeven?
    • ja:    ga naar stap 8.
    • nee:    Toets <Enter>


Opmerkingen

  • User-leidingen moeten eerst worden gemaakt (geformuleerd) voordat ze bij het tekenen kunnen worden gebruikt.
  • Tussenvoegen van nieuwe leidingen is niet mogelijk:
    • opnieuw combinatie opzetten
  • Wijzigen van diameter, h.o.h.-afstand en peil is wel mogelijk:
    1. Vul in de vakjes onder H.O.H. en Peil de gewenste waarde in
    2. Klik op te wijzigen leiding


Terug naar Inhoudsopgave


Genereren T-aansluitingen en bochten


Algemeen

T-aansluitingen kunnen worden gegenereerd; hierbij worden, afhankelijk van de onderlinge peilmaten, aansluitingssymbolen en verticale leidingen geplaatst.


Bocht- en T-stukken worden pas bij het opstellen van de telstaten ‘berekend’.


    

Aansluiten leiding op doorgaande leiding

Leiding wordt doorgetrokken tot de doorgaande leiding; verticale leiding, indien nodig, wordt automatisch getekend.

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Genereer enkele aftakking' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Selecteer doorgaande leiding (Klikpunt 1.)
  3. Selecteer aansluitende leiding (Klikpunt 2.)
    • Indien de peilmaten van beide leidingen "0" zijn:
      volgt melding "Leiding op nivo nul Tstuk [Zakken/Stijgen/Recht]
      • S – Stijgsymbool
      • Z – Zaksymbool
      • R – Recht
      • <Enter>- aansluiting zonder stip
        Bij <Enter> dus ook geen hulpstukken in stijg- en zakleidingen en niet op de tellijst!
    • Indien de peilmaten van beide leidingen gelijk zijn en ongelijk "0" zijn komt geen vraag
    • Indien de peilmaten van beide leidingen ongelijk zijn:
      • wordt de aansluiting gemaakt met een verticale leiding en de aansluitingen daarmee worden voorzien van zak- en stijgsymbolen
De leidingen worden t.p.v. de aansluitingen onderbroken.
Pas bij de telstaat (calculatie) wordt aangegeven welke hulpstukken (maten) voor de T-aansluitingen nodig zijn. 


T-stukken genereren

  • Leidingen aansluitend getekend.
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'T-stukken genereren' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Selecteer de leidingen
    Doorgaande leiding wordt onderbroken ter plaatse van aangesloten leidingen. Indien de peilmaten verschillend zijn worden geen verticale leidingen getekend. 


Val- en stijgleidingen genereren

  • Doorgaande leidingen zijn reeds opgeknipt.
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Zak- Stijgsymbolen Valleiding' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Selecteer de leidingen waarvoor val- stijgleidingen gegenereerd moeten worden en waarbij de symbolen geplaatst moeten worden
    Bij de T-aansluitingen worden de val- en stijgleidingsymbolen geplaatst en worden de val- en stijgleidingen gegenereerd.


T-stukken en val- stijgleidingen genereren

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'T-stukken en Valleiding'in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Selecteer de leidingen
    De leidingen worden t.p.v. de T-aansluiting opgeknipt, de symbolen worden geplaatst en de val- stijgleidingen worden gegenereerd.


Verwijderen zak- en stijgsymbolen

  • Zak- en stijgsymbolen geplaatst
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Zak- stijgsymbolen verwijderen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Verwijderen'  
  2. Selecteer de te verwijderen symbolen


Genereer aftakbundel

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Aansluiten leidingbundel' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
  2. Selecteer de aansluitende en doorgaande bundel leidingen
    De aansluitende leidingen worden op de overeenkomstige leidingen van de doorgaande bundel aangesloten.


Genereer kruisingen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop of
    selecteer 'Genereer kruising(en)' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Selecteer de aansluitende en doorgaande bundel leidingen
    Ter plaatse van de kruising van de twee bundels worden de leidingen geknipt.


Genereren bochten

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Genereer bocht(en)' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Selecteer de twee leidingen waartussen een bocht moet worden gegenereerd, of alle leidingen van een leidingcombinatie waar “op dezelfde plaats” een bocht moet komen
    De leidingen worden doorgetrokken/ingekort tot het kruispunt van de leidingen. Pas bij de telstaat (calculatie) wordt aangegeven welke hulpstukken (maten) hiervoor nodig zijn. 


Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken leidingen


Algemeen

Leidingen kunnen worden bewerkt.

  • Diameters
    • diameters kunnen worden gewijzigd
    • per diameter kunnen leidingen in een verschillende kleur worden getoond;
    • Alle leidingen met een geselecteerde diameter kunnen in kleur 6 getoond worden;
  • Alle leidingen met een geselecteerde peilmaat kunnen in kleur 6 getoond worden;
  • Fabrikantgegevens en diameters van flexibele CV-leidingen kunnen worden aangepast
  • leidingen kunnen weer in de standaard kleur worden teruggezet;
  • Leidingsoort is te wijzigen;
  • Peilmaat is te wijzigen;
  • Verticale leidingen (eindpunten verschillende z-waarde, maar hoeven niet boven elkaar te zijn) kunnen onder een op te geven hoek schuin worden gezet. De aansluitende leidingen worden zonodig verlengd of verkort
  • Leidingen kunnen worden onderbroken;
  • Onderbroken leidingen kunnen worden geheeld;
  • Gegevens via tooltip zichtbaar te maken;
  • Leidinggegevens kunnen (in een telvenster) worden gewijzigd;
  • Leidinggegevens kunnen worden gekopieerd


Tonen leidinggegevens via tooltip

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Tooltip Leidingen' in menu 'CV-stoom' of in menu 'Koeling'
    of
    type: NORTT
  2. Ga met de muis boven een leiding staan, zonder te klikken
    De betreffende leiding wordt gestippeld en de leidinggegevens worden in een tooltip getoond.
    Met <Esc> wordt de Tooltip-functie opgeheven.


Wijzigen diameter

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig diameter WD' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
    of
    selecteer 'Diameters wijzigen WD' in menu 'Prefab' en  in het vervolgmenu 'Bewerk leidingen'
    of
    type: WD
  2. Selecteer de te wijzigen leidingen
  3. Geef de nieuwe diameter op
    • Door intypen waarde
    • Door selecteren waarde op commandoregel
    • Klik met rechter muistoets en selecteer waarde uit shortcut-menu
      alleen de binnen de tekening gebruikte diameters worden getoond.
    • Type:  A   (Als) om de diameter over te nemen
    • Type:  S   (Seltxt) om tekst(waarde) uit de tekening over te nemen


Wijzigen diameter flexibele CV-leiding

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig Mat/Diam Flex.' in menu 'CV-Stoom' en het vervolgmenu 'Afwerklaag'
  2. Geef de nieuwe materialen en diameters op in venster 'Fabrikantgegevens flexibele CV-leidingen'
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de te wijzigen leidingen


Tonen verschillende diameters in afzonderlijke kleuren

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Alle diameters kleuren' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Weergave'
  2. Selecteer de te kleuren leidingen
    De kleur is per diameter in te stellen in C:\Gebruikers\<user>\AppData\Cadac Group\Techniek 10.x\Wlib\i\Lzwz.ini.
    Zie Instellingen aanpassen.


Tonen gevraagde diameter in één kleur

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Eén diameter in kleur' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Weergave'
  2. Geef de nominale diameter die in kleur moet komen op via:
    • Door intypen waarde
    • Door selecteren waarde op commandoregel
    • Klik met rechter muistoets en selecteer waarde uit shortcut-menu
      alleen de binnen de tekening gebruikte diameters worden getoond.
De leidingen met de opgegeven diameter worden in kleur 6 (magenta) getoond, leidingen met andere diameters worden in kleur 8 (grijs) getoond.


Tonen één peilmaat in kleur

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Peilmaten in kleur' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Weergave'
    De in de tekening aanwezige peilmaten komen als opties in het commandoveld en in het popup-venster.
  2. Geef de Peilmaat die in kleur moet komen op via:
    • Door intypen waarde
    • Door selecteren waarde op commandoregel
    • Klik met rechter muistoets en selecteer waarde uit shortcut-menu
      alleen de binnen de tekening gebruikte peilmaten worden getoond.
De leidingen met de opgegeven peilmaat worden in kleur 6 (magenta) getoond; leidingen met andere peilmaten worden in kleur 8 (grijs) getoond.


Terugzetten leidingkleuren naar standaard kleur

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Alle leidingen ByLayer' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Weergave'
    of
    type: VKM (Verwijder Kleur Markering)
    Alle leidingen worden in de standaard kleur (per leidingsoort) getoond


Wisselen 2 leidingen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wissel 2 leidingen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
  2. Selecteer leiding-1 t.b.v. typebepaling
  3. Selecteer leiding-2 t.b.v. typebepaling
    Er volgt een melding:
    Selecteer nu het gebied waarin de leidingen gewisseld moeten worden.
  4. Klik [ OK ]
  5. selecteer het gebied waarin de leidingen gewisseld moeten worden.
    Er volgt een melding:
    Leiding-1 is Xx gewisseld met leiding-2
    Leiding-2 is Xx gewisseld met leiding-1
    De diameters van beide leidingen zijn onveranderd gebleven!
  6. Klik [ OK ]


Wijzigen peilmaat

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig peilmaat WP' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
    of
    selecteer 'Wijzig peilmaat WP' in menu 'Prefab' en het vervolgmenu 'Bewerk leidingen'
    of
    type: WP
  2. Selecteer de te wijzigen leidingen
  3. Toets de nieuwe peilmaat
    of
    selecteer de peilmaat op de commandoregel
    of
    klik met de rechter muistoets en selecteer uit het shortcutmenu
    • nieuwe peilmaat:
      Alleen peilmaten van de geselecteerde leidingen worden getoond.
    • A - Als, om de peilmaat van een aan te wijzen leiding over te nemen
    • H - Hoger, om de bestaande peilmaat op te hogen met op te geven waarde
    • L - Lager, om de bestaande peilmaat te verlagen met op te geven waarde
    • O - Onder, om de bestaande leiding met een keuze waarde onder de laagste van de aangewezen leidingen te plaatsen
    • B- Boven, om de bestaande leiding met een keuze waarde boven de hoogste van de aangewezen leidingen te plaatsen
      De geselecteerde leidingen krijgen de nieuwe peilmaat.
      Met de functie tooltip (NORTT) is dat snel te controleren.


Wijzigen leidinggegevens

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Eigenschappen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
  2. Selecteer de leidingen of lijnen waarvan gegevens moeten worden aangepast
  3. Selecteer in het venster 'Aanpassen van Leidingen'de specifiek aan te passen leiding(en)
    • Aanpassen leidingsoort
      1. Klik op knop [ Codeer ] in venster 'Aanpassen van Leidingen'
      2. Selecteer in popupvenster 'Converteren van leidingen' de nieuwe leidingsoort
      3. Klik op knop [ OK ]
        De leidingen worden aangepast; De vensters zijn gesloten
    • Aanpassen diameter / procescode
      1. Dubbelklik op de betreffende diameter of procescode
      2. Geef de nieuwe waarde op en toets <Enter>
      3. Herhaal dit voor alle te wijzigen gegevens (alleen diameter of procescode)
      4. Klik op knop [ OK ] om het venster te verlaten en de gewijzigde gegevens op te slaan.


Kopiëren eigenschappen van leidingen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Copy eigenschappen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
  2. Selecteer de leiding waarvan de eigenschappen gekopieerd moeten worden
  3. Selecteer de leidingen of lijnen met de aan te passen eigenschappen
De leidingsoort (AutoCAD laag, instellingen voor kleur en lijntype), diameter, procescode en peilmaat kunnen geheel of gedeeltelijk (door opgave filter) worden gekopieerd.
Als het filter niet overeenkomt met de gegevens komt melding: “Voldoet niet aan filter”.
Wijzig dan het filter.


Leidingen knippen met behulp van een polylijn

  • CV-menu actief
  1. Teken een polylijn als kniplijn over de te knippen leidingen
    De peilmaten van leidingen en polylijn mogen verschillend zijn.
  2. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leidingen knippen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
  3. Geef in venster Leidingknipfilter op welke leidingen geknipt moeten worden
    • Alle leidingsoorten
    • CV en Koelleidingen
    • Afvoer, Tapwater en Gas
    • Luchtkanalen enkellijnig
    • Sprinklerleidingen
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de polylijn
    Alle leidingen worden ter plaatse van de kruising met de polylijn geknipt.
    Gemeld wordt: Leidingen zijn op x plaatsen geknipt.


Onderbreken van kruisende leidingen

  • CV-menu actief
Alleen gebruiken als geen routebepaling nodig is (voor eventueel uit te voeren berekening).
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leiding onderbreken' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
    Melding: Let op! Leidingen worden fysiek geknipt. Daardoor is een routebepaling (voor eventuele berekening niet meer mogelijk.
  2. Klik op knop [ OK ] om de melding te verwijderen
  3. Beëindig zonodig de functie met <Enter>
    of
    selecteer doorgaande leiding
  4. Selecteer de te onderbreken leidingen


Helen van onderbroken leidingen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leiding helen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Leidingen'
  2. Selecteer de te helen leidingen
    Alle geselecteerde leidingen van gelijke soort en gelijke peilmaat die in elkaars verlengde liggen worden geheeld.


Schuin of rechtop zetten vertikale leiding

Verticale leidingen (met eindpunten met verschillende z-waarde, maar hoeven niet boven elkaar te zijn) kunnen onder een op te geven hoek schuin worden gezet.
Evenzo kan een scheef staande leiding weer rechtop worden gezet.
De aansluitende leidingen worden zonodig verlengd of verkort.
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Aftakking vertikaal afschuinen' in menu 'Bewerk' en vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Selecteer de vertikale leiding en de aansluitende horizontale leiding
  3. Geef de hoek t.o.v. het horizontale vlak op
  4. De vertikale leiding wordt onder de opgegeven hoek schuin gezet, blijft vast aan de leiding waarvan afgetakt wordt


Verwijderen horizontale leidingen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Horizontale Leidingen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Verwijderen'
  2. Selecteer het te verwijderen type leiding in de tekening
    • <Enter> selecteert alle leidingsoorten
  3. Selecteer met de <window>- of <crossing>-optie de te verwijderen leidingen


Verwijderen vertikale leidingen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vertikale Leidingen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Verwijderen'
  2. Selecteer het te verwijderen type leiding in de tekening
    • <Enter> selecteert alle leidingsoorten
  3. Selecteer met de <window>- of <crossing>-optie de te verwijderen leidingen
    Alle verticale leidingen (zak- en stijgleidingen) binnen de selectie worden verwijderd. Schuine leidingen worden niet verwijderd.


Verwijderen leidingen met diameter = 0

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leidingen waarvan D=0' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Verwijderen'
    Venster met vraag: Weet u het zeker?
  2. Klik op knop [ Ja ]
    Alle leidingen op de gehele tekening met diameter = 0 worden verwijderd.


Aanwijzing

  • CV-menu actief
  • Voor het verlengen van leidingen bestaan verschillende mogelijkheden
    • maken T-aftakking (met knop )
    • genereer bocht (met knop )
    • hoekoplossing met AutoCAD-commando's FILLET of CHAMFER
    • verlengen met AutoCAD-commando STRETCH
    • verlengen met AutoCAD-instelling GRIPS


Wat kan er fout gaan

  • Bij helen van leidingen: leidingen zijn van ongelijke soort, diameter, peilmaat of richting.


Terug naar Inhoudsopgave


Coderen van leidingen


Algemeen

Getekende leidingen kunt u automatisch coderen. Ook is het mogelijk de leidingen handmatig te coderen.

De codes worden geplaatst op de kruising van de leidingen met de diagonaal van het aan te geven gebied.

De leidingen worden bij het coderen niet onderbroken.


Automatisch coderen van leidingen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leidingcode Auto' in menu 'CV-Stoom' of menu 'Koeling'
    of
    selecteer 'Leidingcode auto' in menu 'Bewerk' en ribbonpanel 'Leidingen'
  2. Geef de twee tegenoverliggende hoekpunten op (klikpunten 1. en 2.) waarbinnen de codes geplaatst moeten worden.


Vrij coderen van leidingen

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leidingcode Auto' in menu 'CV-Stoom' of menu 'Koeling'
    of
    selecteer 'Leidingcode auto' in menu 'Bewerk' en ribbonpanel 'Leidingen'
  2. Geef de twee tegenoverliggende hoekpunten op (klikpunten 1. en 2.) waarbinnen de codes geplaatst moeten worden.
  3. Type de te plaatsen codes in
    of
    selecteer de code uit het rechtermuistoets menu.


Verwijderen van codering

  • CV-menu actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leidingcodering' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Verwijderen'
  2. Selecteer de te verwijderen coderingen.
    De coderingen worden verwijderd.


Terug naar Inhoudsopgave


Procescodering bij leidingen


Algemeen

Het is mogelijk middels een codering op te geven bij welk proces een leiding hoort, zoals stadsverwarming, CV-gebouw I, CV-gebouw II, etc. De codering onderbreekt de leiding niet.

Leidingen die van een procescode zijn voorzien kunnen in een overzicht worden weergegeven. 

In het venster zijn verschillende lay-out aanpassingen mogelijk:

  • Het venster kan worden vergroot/verkleind;
  • Kolommen kunnen worden verplaatst
  • Kolommen kunnen worden vergroot/verkleind/verborgen
  • Op meerdere kolommen kan worden gesorteerd (hoofd- en subsorteringen)

Het overzicht is als ASCII-bestand op te slaan, op tekening te plaatsen, of kan worden uitgeprint.

Geselecteerde leidingen in het venster kunnen op tekening worden gemarkeerd.

  • Alle leidingen worden (tijdelijk) naar laag WI$1A---_Markeer gekopieerd;
  • Leidingen met de geselecteerde procescode worden op een lineweight (LWT) van 0.5 (mm) gezet en LWT wordt Aan gezet.

De markering kan ongedaan worden gemaakt.

    

Procescode toekennen

  • CV-menu actief
  • Leidingen getekend en symbolen geplaatst.
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Toevoegen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
  2. Geef de procescodering op door:
    • selectie van een in de tekening voorkomende codering
    • selectie van een in Lzwz.ini voorkomende codering
    • opgave van een nieuwe codering in vak Codering
    • overname van een codering van een leiding via knop [ Als ]
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de leidingen en/of symbolen (appendages) waaraan de opgegeven procescode moet worden toegevoegd.


Overzicht procescodes maken

  • CV-menu actief
  • Leidingen getekend, symbolen geplaatst en voorzien van procescodes
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overzicht' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
  2. Maak een selectie uit de tekening van de leidingen en symbolen die in het overzicht moeten worden opgenomen
    Venster 'Overzicht Procescode' verschijnt met daarin de geselecteerde leidingen, verbindingen, bochten, T-stukken, etc .

  3. U wilt … Doe ...
    aKolommen sorteren
    1. Klik op de kolomkop voor de hoofdsortering
    2. Klik met <Ctrl> ingedrukt
    bKolommen verplaatsen
    1. Klik op de kolomkop en versleep de kolom naar de nieuwe positie
    cKolom onzichtbaar maken of verbreden/versmallen
    1. Versleep in de kolomkop het scheidinglijntje.
      Als de kolom geheel versmald wordt is de kolom onzichtbaar geworden; het scheidingslijntje wordt dan verkort weergegeven
    dOverzicht als bestand wegschrijven
    1. Klik op knop [ Bestand ]
    2. Selecteer de juiste directory
    3. Geef de bestandsnaam op
    4. Klik op knop [ Save ]
    eOverzicht naar printer versturen
    1. Klik op knop [ Printer ]
    2. Geef in venster Print Telstaat zonodig
      • kop- en voetteksten op
      • font en lettergrootte
      • marges
      • printerinstellingen (landscape/portrait)
    3. Klik op knop [ Print ]
    4. Klik in het printervenster op knop [ OK ]
    fOverzicht op tekening plaatsen
    1. Pas eventueel de tekststijl aan
    2. Klik op knop [ Tekening ]
    3. Geef de teksthoogte op
      of
      toets <Enter>: voor de default teksthoogte
    4. Plaats het tabelkader op de tekening.
      met opties in het aangrijpingspunt van links Onder te wijzigen in Rechts onder, Links boven of rechts Boven)
  4. Klik op knop [ OK ]
    Opmerking: Via menu Bewerk, Leidingen, Eigenschappen… worden meer gegevens getoond.


Leidingen kleuren voor op te geven procescode

  • CV-menu actief
  • Leidingen getekend, en voorzien van een procescode
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Omzetten naar kleur' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
  2. Geef de procescode op die in kleur gezet moet worden door
    • Opgeven waarde
    • Selecteren waarde op commandline
    • Selecteer in het shortcut-menu door klikken met de rechter muistoets
      De leidingen met de geselecteerde procescode worden magenta (kleur 6) en leidingen met een andere procescode worden grijs.


Leidingkleur terugzetten op standaard

  • CV-menu actief
  • Leidingen in speciale kleur gezet
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Alle leidingen By Layer' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
    Alle leidingen krijgen weer de laagkleur.


Procescode bij leidingen plaatsen

  • CV-menu actief
  • Leidingen getekend, en voorzien van een procescode
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Omzetten naar tekst' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
  2. Selecteer leidingen waarbij de procescode geplaatst moet worden
    Bij alle geselecteerde leidingen met een procescode wordt de code op de leiding geplaatst ter plaatse van het midden van de leiding.
    Indien de procescode wordt gewijzigd wordt de procescode bij de betreffende leidingen automatisch aangepast.


Leidingen markeren

  • CV-menu actief
  • Leidingen getekend
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overzicht' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
  2. Selecteer leidingen in venster 'Overzicht Procescode'
  3. Klik op knop [ Markeer ]
    Op de tekening worden alle leidingen naar laag WI$1A---_Markeer gekopieerd, en de geselecteerde leidingen worden vet (LWT=0.5) weergegeven. Op de geselecteerde leidingen wordt ingezoomd.
  4. Toets <Enter> om terug te keren in het venster
  5. Klik op knop [ Schoon ] om de markeringen te verwijderen
  6. Klik op knop [ OK ] om het venster te verlaten 


Markering leidingen verwijderen

  • CV-menu actief
  • Geselecteerde leidingen vet weergegeven
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overzicht' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
  2. Selecteer de leidingen
  3. Klik op knop [ Schoon ]
    Alle markeringen worden verwijderd.
  4. Klik op knop [ OK ] om het venster te verlaten


Procescodering verwijderen

  • CV-menu actief
  • Leidingen getekend, en voorzien van een procescode
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verwijderen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
  2. Selecteer de leidingen waarvan de procescodering moet worden verwijderd 


Procescode controleren met een tooltip

  • CV-menu actief
  • Leidingen getekend, en voorzien van een procescode
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Tooltip Procescode' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Procescodering'
    of
    selecteer 'Tooltip Leidingen' in menu 'Bewerk' voor alle leidinggegevens
  2. Zweef met de muis boven de betreffende leiding
    Als de leiding van gegevens is voorzien wordt de leiding gestippeld en verschijnen de gegevens in de tooltip
  3. Schakel met <Esc> de functie Tooltip weer uit.


Terug naar Inhoudsopgave


Ruimtenummers en ruimtedefinities


Algemeen

Ruimtecontouren worden afgebakend door ruimtepolylijnen. Deze kunnen handmatig of d.m.v. basis AutoCAD functionaliteiten worden getekend. In ruimten kunnen handmatig dan wel door gebruikmaking van de ruimtepolylijnen ruimtesymbolen worden geplaatst. Bij het plaatsen van de ruimtenummersymbolen wordt automatisch een ruimtenummering toegekend. Aan deze ruimtenummers kunnen gegevens gekoppeld worden zoals:

  • ruimteomschrijving
  • ruimtetemperatuur
  • plafondhoogte
  • verdiepingshoogte
  • ventilatievoud
  • transmissieverlies en/of
  • koellast.

De gegevens van deze ruimtenummers kunnen voor diverse doeleinden gebruikt worden.

Zo kan bijvoorbeeld het transmissieverlies van de ruimte gebruikt worden bij het selecteren van radiatoren of kan in combinatie met de ruimtepolylijnen het debiet van in de ruimte geplaatste roosters automatisch berekend worden.

Tevens is het mogelijk om overzichtslijsten te genereren van componenten die in deze ruimten staan.

Bij het automatisch plaatsen van ruimtenummers met behulp van polylijnen als ruimtecontour zijn alleen de volgende ruimtevormen mogelijk:

   

De polylijnen waarmee de contouren van de ruimte worden aangegeven kunnen worden geconverteerd naar een speciale ruimtedefinitielaag. Hierna kunnen symbolen binnen de polylijnen als liggend in de ruimte worden herkend. Via een keuzevenster kan aangegeven worden welke symbolen dan geteld moeten worden.

 

Plaatsen losse ruimtesymbolen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Plaats Ruimtenummer' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Geef een voorlooptekst op en toets <Enter>
    • * = geen voorlooptekst
  3. Geef het beginnummer op en toets <Enter>
  4. Toets <S> gevolgd door <Enter> om de symbolen stuk voor stuk te plaatsen
  5. Plaats de ruimtenummers stuk voor stuk
    In elk volgend ruimtenummer wordt het ruimtenummer telkens met 1 opgehoogd;
    Als temperatuur wordt standaard 20° opgenomen
    De transmissie is blanco.
  6. Toets <Esc> om deze repeterende functie af te sluiten


Plaatsen ruimtesymbolen m.b.v. polylijnen

  • Polylijnen, die per kamer de wandlijnen volgen, zijn geplaatst
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Plaats Ruimtenummer' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Geef een voorlooptekst op en toets <Enter>
    • * = geen voorlooptekst
  3. Geef het beginnummer op en toets <Enter>
  4. Toets <P> gevolgd door <Enter> om de symbolen middels polylijnen te plaatsen
  5. Selecteer de polylijnen
    • Stuk voor stuk: ruimtenummering volgt selectievolgorde
    • Met de <fence>-optie: de volgorde van <fence>-selectie bepaalt de volgorde van ruimtenummering
    • Met de <crossing>-optie
  6. Rond de selectie af met <Enter>
    Midden in alle polylijnen (ruimten) worden de ruimtenummers geplaatst. 


Bij afwijkende ruimtevormen wordt gevraagd waar het ruimtenummer geplaatst moet worden.
    Klik op knop [ OK ] om het meldingvenster te sluiten
    Klik binnen het gehighlighte gebied
Het ruimtenummer wordt geplaatst.


Opgeven ruimtegegevens

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Codeer Ruimtenummer' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Geef in venster 'Ruimtegegevens' de gegevens op:
    • Selectie van Hoofd- en subgroep voor type ruimte
    • Aanvinken default ventilatievoud of opgeven waarde
    • Warmtebehoefte en (hoogte)afmetingen
    • Transmissie
    • Koellast
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de aan te passen ruimtenummers
    De gegevens worden als attribuut-waarden bij de geselecteerde ruimtenummers opgenomen.


Wijzigen temperatuur

In het Ruimtenummer-symbool staat de temperatuur standaard op 20°
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig Temperatuur' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Selecteer de aan te passen ruimtenummers
  3. Geef via commandoregel of rechter muistoets op:
    • Nieuwe temperatuur
      1. Geef de temperatuur op
    • Kopiëren uit ander ruimtenummer
      1. Toets <A>
        of
        selecteer 'Als' in het Rechtermuisklik-menu
      2. Selecteer het ruimtenummer waarvan de temperatuur overgenomen moet worden
De temperatuur wordt in de geselecteerde ruimtenummers aangepast en tevens zichtbaar op tekening.


Wijzigen transmissie

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig Transmissie' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer' 
  2. Selecteer de aan te passen ruimtenummers
  3. Geef via commandoregel de nieuwe transmissiewaarde op
    De transmissiewaarde wordt in de geselecteerde ruimtenummers aangepast; de waarde is niet zichtbaar.


Tooltip voor ruimtenummer inschakelen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Tooltip Ruimtenummer' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Ga met de muis over het ruimtenummer (niet klikken)
    Het ruimtenummer, de ruimtetemperatuur en het transmissieverlies worden in de tooltip getoond.


Overzicht ruimten tonen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overzicht ruimten' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Geef in venster 'Blok attributen' aan welke gegevens getotaliseerd moeten worden in het overzicht
  3. Klik op knop [ OK ]
    Het overzicht met de ruimtegegevens wordt getoond.


Polylijnen converteren naar ruimtedefinities

  • Ruimtecontouren als polylijnen getekend
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Maak ruimtedef. laag' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Selecteer de te converteren polylijnen
    De polylijnen worden verplaatst naar laag 00---0--FM-RUIMTEDEFN
    Symbolen zoals radiatoren, roosters etc. kunnen nu de ruimte herkennen met de functie 
    'Coderen per ruimte'


Coderen per ruimte

  • Ruimtecontouren geconverteerd naar de ruimtedefinitielaag
  • Ruimtenummers geplaatst
  • Ruimtenummers gecodeerd
  • Onderdelen in ruimte aanwezig
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Codeer per ruimte' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Geef in venster 'Tellen per ruimte' aan welke symbolen moeten worden geteld
  3. Klik op knop [ OK ]
    In een meldingvenster wordt aangegeven hoeveel ruimten, polylijnen en symbolen gevonden zijn binnen de tekening.
    Gevraagd wordt of de tellijst getoond moet worden.
    Als er geen onderdelen zijn geplaatst komt de melding: "De aangevinkte symbolen zijn niet in een ruimte aangetroffen".
  4. Klik op
    • [ Ja ] om de tellijst te tonen
    • [ Nee ] om te stoppen; De symbolen worden wel voorzien van de ruimtegegevens 


Tellen per ruimte

  • Functie Coderen per ruimte uitgevoerd
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Tel objecten per ruimte' in menu 'Symbolen' en het vervolgmenu 'Ruimtenummer'
  2. Selecteer de te tellen symbolen
    In de tellijst worden de geselecteerde symbolen getoond, met de opgave van de ruimte waarin deze symbolen staan.
    De tellijst kan direct naar Excel worden weggeschreven.
  3. Klik op knop [ Excel ]
    Excel wordt geopend met de gegevens uit de tellijst.


Wat kan er fout gaan

  • Geen ruimte polylijnen getekend of staan op de verkeerde laag
    • teken de ruimtepolylijnen
      of
    • voer de functie 'Maak ruimtedef. Laag' uit.
  • Geen ruimtenummer in de polylijn gezet
  • Geen ruimtegegevens aan symbolen gekoppeld.
    • Voer de functie 'Codeer ruimtenummer' uit.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen radiatoren


Algemeen

Bij het plaatsen van radiatoren kunnen met drie methoden de afmetingen van de radiatoren bepaald worden:

  • Opgave afmetingen via commandoregel of RM-menu (oproepen via rechter muistoets)
  • Opgave via dialoogvenster om gegevens van de radiatoren te bepalen met de Warmte-afgifte-berekening volgens de oude NBN236 en de huidige EN442. Deze gegevens komen uit een database. Opgave van basisgegevens door uitlezen van (ruimte)symbool met temperatuur en transmissieverlies, of door intypen waarden. 
  • Opgave via dialoogvenster om radiatoren te selecteren die via een exportbestand van BINK zijn aangemaakt.

De radiator wordt geplaatst inclusief de aansluitingen. De positie van de aansluitingen (14 verschillende) kan worden opgegeven.

Volgens de norm worden paneelradiatoren als open rechthoeken getekend. Het programma biedt de mogelijkheid om van de norm af te wijken en de radiatoren bij plaatsing te voorzien van een arcering. Deze arcering is wel onzichtbaar te maken (laag aan/uit) maar het is niet mogelijk achteraf de arcering aan te brengen.




   

Met opgeven radiatorgegevens via database

  • Niet beschikbaar voor leden-radiator, convector en verwarmingsspiraal.
  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Paneelradiator' in het menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Radiatoren'
  2. Toets <D> voor de database, gevolgd door <Enter>
  3. Open tabblad 'Warmteafgifte volgens …'
  4. Bepaal de gegevens van de radiator:
    1. Wijzig zonodig de te gebruiken norm in vak norm:
      • EN 442
      • NBN 236
    2. Selecteer radiator in venster 'Radiator selectie'
      • Voorselectie door Type-bepaling
        1. bepaal fabrikant
        2. bepaal soort radiator
        3. bepaal model radiator
      • Radiatorselectie met Warmte-afgifte-berekening volgens EN 442 of NBN 236
        1. geef kamertemperatuur, aanvoer- en retourtemperatuur
        2. geef transmissieverlies op of lees transmissieverlies en temperatuur in door selectie van het (ruimte)symbool via knop
        3. geef aantal radiatoren op
          Dit levert gewenste warmte-afgifte per radiator.
        4. Klik 'Filter' aan en geef de grenswaarden op
        5. Vink eventueel aan, dat alleen de leverbare radiatoren worden getoond
        6. Klik op knop [ Toepassen ]
          Beschikbare radiatoren voor de berekende warmte-afgifte worden binnen zekere grenzen getoond.
          min./max. lengte en hoogte,
          min. ondercapaciteit en max. overcapaciteit in %-age
          Met knop 
          [ Clear ] zijn deze grenswaarden te wissen.
    3. Selecteer radiator
    4. Klik op knop [ OK ]
  5. beantwoord de vraag: Onderblok aansluiting [Ja/Nee]
    Toets:
    • <J> gevolgd door <Enter> indien een onderblokaansluiting van toepassing is
    • <N> gevolgd door <Enter> om alle aansluitmogelijkheden te krijgen
  6. Selecteer soort aansluiting via <rechter muistoets>
    of
    type het nummer:
    A – alle aansluitingenB - Onderblokaansluitingen 
    A = Aanvoerleiding aansluiting, R = Retourleidingaansluiting, |----| = Radiator
    1 = A|----|R
    2 = R|----|A
    3 = RA|----|3 = RA|----|
    4 = AR|----|4 = AR|----|
    5 = |----|RA5 = | ----|RA
    6 = | ----|AR6 = | ----|AR
    7 = |--AR|7 = |--AR|
    8 = |RA--|8 = |RA--|
    9 = |A----R|
    10 = |R----A|
    11 = |-AR-|11 = |-AR-|
    12 = | RA-|12 = |-RA-|
    13 = |--RA|13 = |--RA|
    14 = |AR--|14 = |AR--|
  7.  Wijs de wand aan waarlangs de radiatoren geplaatst moeten worden op de plaats van de eerste radiator.
    • Wand aanwezig
      1. Selecteer de wand
      2. Bepaal aan welke zijde van aangewezen lijn radiatoren moeten komen (default afstand in 150mm)
        • Toets <A> voor opgeven afstand wand tot hart radiator en geef de waarde op
    • Geen wand aanwezig
      1. Wijs een punt in de ruimte aan
      2. Geef een tweede punt op voor het bepalen van de richting (stand) van de radiator
  8. Geef de peilmaat van de onderkant van de radiator op
  9. Geef het aantal radiatoren op
    Minimale maat wordt als default gegeven.
  10. Geef de h.o.h.-afstand van de radiatoren op.
  11. Geef de richting aan waarin de overige radiatoren geplaatst moeten worden.
  12. Zelfde type radiator nogmaals plaatsen?
    • ja
      1. Toets <J>
        of
        selecteer 'Ja' in het Rechter muisknop-menu
      2. Ga naar Stap 5.
    • Nee
      1. Toets <N>
        of
        selecteer 'Nee' in het Rechter muisknop-menu


Met selectie uit BINK exportbestand

  • Exportbestand vanuit berekening BINK beschikbaar.
  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Database / Bink' in het menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Radiatoren'
  2. Open tabblad 'BINK radiatorselectie exportbestand'
  3. Lees het exportbestand in met knop [ Bladeren ] rechtsonder op het tabblad
  4. Selecteer de radiator en klik op knop [ OK ]
  5. beantwoord de vraag: Onderblok aansluiting [Ja/Nee]
    Toets:
    • <J> gevolgd door <Enter> indien een onderblokaansluiting van toepassing is
    • <N> gevolgd door <Enter> om alle aansluitmogelijkheden te krijgen
  6. Selecteer soort aansluiting via <rechter muistoets>
    of
    type het nummer:
    A – alle aansluitingenB - Onderblokaansluitingen 
    A = Aanvoerleiding aansluiting, R = Retourleidingaansluiting, |----| = Radiator
    1 = A|----|R
    2 = R|----|A
    3 = RA|----|3 = RA|----|
    4 = AR|----|4 = AR|----|
    5 = |----|RA5 = | ----|RA
    6 = | ----|AR6 = | ----|AR
    7 = |--AR|7 = |--AR|
    8 = |RA--|8 = |RA--|
    9 = |A----R|
    10 = |R----A|
    11 = |-AR-|11 = |-AR-|
    12 = | RA-|12 = |-RA-|
    13 = |--RA|13 = |--RA|
    14 = |AR--|14 = |AR--|
  7.  Wijs de wand aan waarlangs de radiatoren geplaatst moeten worden op de plaats van de eerste radiator.
    • Wand aanwezig
      1. Selecteer de wand
      2. Bepaal aan welke zijde van aangewezen lijn radiatoren moeten komen (default afstand in 150mm)
        • Toets <A> voor opgeven afstand wand tot hart radiator en geef de waarde op
    • Geen wand aanwezig
      1. Wijs een punt in de ruimte aan
      2. Geef een tweede punt op voor het bepalen van de richting (stand) van de radiator
  8. Geef de peilmaat van de onderkant van de radiator op
  9. Geef het aantal radiatoren op
    Minimale maat wordt als default gegeven.
  10. Geef de h.o.h.-afstand van de radiatoren op.
  11. Geef de richting aan waarin de overige radiatoren geplaatst moeten worden.
  12. Zelfde type radiator nogmaals plaatsen?
    • ja
      1. Toets <J>
        of
        selecteer 'Ja' in het Rechter muisknop-menu
      2. Ga naar Stap 5.
    • Nee
      1. Toets <N>
        of
        selecteer 'Nee' in het Rechter muisknop-menu


Met opgeven radiator-gegevens via rm-menu

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop:
    •   (paneel)
    •   (design)
    •   (stralingspaneel)
    •   (leden)
    •   (convector)
    •   (spiraal)
      of
      selecteer het type radiator in het menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Radiatoren'
  2. Bepaal de radiatorgegevens (afhankelijk van het type radiator)
    • Selecteer de lengte van de radiator
    • Selecteer de hoogte van de radiator
    • Selecteer type radiator
    • Geef de fabrikant op
    • Geef de warmte-afgifte op
    • beantwoord de vraag: Onderblok aansluiting [Ja/Nee]
      Toets:
      • <J> gevolgd door <Enter> indien een onderblokaansluiting van toepassing is worden in volgende vraag alleen de onderblokaansluitingen getoond onder B.
      • <N> gevolgd door <Enter> om alle aansluitmogelijkheden te krijgen 
  3. Selecteer soort aansluiting via <rechter muistoets>
    of
    type het nummer:
    A – alle aansluitingenB - Onderblokaansluitingen 
    A = Aanvoerleiding aansluiting, R = Retourleidingaansluiting, |----| = Radiator
    1 = A|----|R
    2 = R|----|A
    3 = RA|----|3 = RA|----|
    4 = AR|----|4 = AR|----|
    5 = |----|RA5 = | ----|RA
    6 = | ----|AR6 = | ----|AR
    7 = |--AR|7 = |--AR|
    8 = |RA--|8 = |RA--|
    9 = |A----R|
    10 = |R----A|
    11 = |-AR-|11 = |-AR-|
    12 = | RA-|12 = |-RA-|
    13 = |--RA|13 = |--RA|
    14 = |AR--|14 = |AR--|
  4.  Wijs de wand aan waarlangs de radiatoren geplaatst moeten worden op de plaats van de eerste radiator.
    • Wand aanwezig
      1. Selecteer de wand
      2. Bepaal aan welke zijde van aangewezen lijn radiatoren moeten komen (default afstand in 150mm)
        • Toets <A> voor opgeven afstand wand tot hart radiator en geef de waarde op
    • Geen wand aanwezig
      1. Wijs een punt in de ruimte aan
      2. Geef een tweede punt op voor het bepalen van de richting (stand) van de radiator
  5. Geef de peilmaat van de onderkant van de radiator op
  6. Geef het aantal radiatoren op
    Minimale maat wordt als default gegeven.
  7. Geef de h.o.h.-afstand van de radiatoren op.
  8. Geef de richting aan waarin de overige radiatoren geplaatst moeten worden.
  9. Zelfde type radiator nogmaals plaatsen?
    • ja
      1. Toets <J>
        of
        selecteer 'Ja' in het Rechter muisknop-menu
      2. Ga naar Stap 5.
    • Nee
      1. Toets <N>
        of
        selecteer 'Nee' in het Rechter muisknop-menu


Instelling paneelradiator volgens norm of met arcering

  1. Selecteer 'Radiatoren' in menu 'Applicatie' en het vervolgmenu 'Instellingen'
  2. Selecteer in het vervolgmenu
    • Radiator volgens Norm
    • Radiator met arcering
      Met een vinkje wordt de actieve instelling aangegeven.
      Nieuwe radiatoren worden volgens de actieve instelling geplaatst. 


Arcering paneelradiatoren zichtbaar/onzichtbaar maken

  • Alleen voor paneelradiatoren die met arcering zijn getekend.
  1. Zet laag WA561---_Radiator uit of aan
    Zie ook: Instellingen voor CV & Koeling


Convector plaatsen

  1. Klik op knop (convector)
    of
    selecteer het type konvector in het menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Radiatoren' 
  2. Bepaal de konvectorgegevens:
    • Selecteer de lengte van de konvector
    • Selecteer de hoogte van de konvector
    • Selecteer type konvector
    • Geef de ophanging op: Vrijstaand/Wandmontage

      • Geef de fabrikant op
      • Geef de warmte-afgifte op
      • beantwoord de vraag: Onderblok aansluiting [Ja/Nee]
        Toets:
        • <J> gevolgd door <Enter> indien een onderblokaansluiting van toepassing is worden in volgende vraag alleen de onderblokaansluitingen getoond onder B.
        • <N> gevolgd door <Enter> om alle aansluitmogelijkheden te krijgen 
  3. Selecteer soort aansluiting via <rechter muistoets>
    of
    type het nummer:
    A – alle aansluitingenB - Onderblokaansluitingen 
    A = Aanvoerleiding aansluiting, R = Retourleidingaansluiting, |----| = Radiator
    1 = A|----|R
    2 = R|----|A
    3 = RA|----|3 = RA|----|
    4 = AR|----|4 = AR|----|
    5 = |----|RA5 = | ----|RA
    6 = | ----|AR6 = | ----|AR
    7 = |--AR|7 = |--AR|
    8 = |RA--|8 = |RA--|
    9 = |A----R|
    10 = |R----A|
    11 = |-AR-|11 = |-AR-|
    12 = | RA-|12 = |-RA-|
    13 = |--RA|13 = |--RA|
    14 = |AR--|14 = |AR--|
  4.  Wijs de wand aan waarlangs de radiatoren geplaatst moeten worden op de plaats van de eerste radiator.
    • Wand aanwezig
      1. Selecteer de wand
      2. Bepaal aan welke zijde van aangewezen lijn radiatoren moeten komen (default afstand in 150mm)
        • Toets <A> voor opgeven afstand wand tot hart radiator en geef de waarde op
    • Geen wand aanwezig
      1. Wijs een punt in de ruimte aan
      2. Geef een tweede punt op voor het bepalen van de richting (stand) van de radiator
  5. Geef de peilmaat van de onderkant van de radiator op
  6. Geef het aantal radiatoren op
    Minimale maat wordt als default gegeven.
  7. Geef de h.o.h.-afstand van de radiatoren op.
  8. Geef de richting aan waarin de overige radiatoren geplaatst moeten worden.
  9. Zelfde type radiator nogmaals plaatsen?
    • ja
      1. Toets <J>
        of
        selecteer 'Ja' in het Rechter muisknop-menu
      2. Ga naar Stap 5.
    • Nee
      1. Toets <N>
        of
        selecteer 'Nee' in het Rechter muisknop-menu


Terug naar Inhoudsopgave


Aansluiten radiatoren op leidingen


Algemeen

Aansluitingen van geplaatste radiatoren op getekende leidingen zijn te genereren. Hierbij zijn de volgende instellingen op te geven

  • Op welke manier de aftakking naar het aansluitpunt van de radiator gaat
    • Met een op te geven sprong naar boven, dan horizontaal richting aansluiting en vervolgens met een verticale leiding op de aansluiting. Op te geven voor de aanvoer-, de retour- of beide leidingen
    • Met een op te geven sprong naar beneden, dan horizontaal richting aansluiting en vervolgens met een verticale leiding op de aansluiting. Op te geven voor de aanvoer-, de retour- of beide leidingen
    • Horizontaal richting aansluiting en vervolgens met een verticale leiding op de aansluiting
    • Verticaal tot het peil van de aansluiting en vervolgens horizontaal op de aansluiting
  • Opgave van de aftakdiameter

De aansluitingen worden gemaakt op de dichtstbijzijnde leiding.

Indien de radiator van de bovenliggende verdieping op dezelfde coördinaten staat als van de verdieping zelf kunnen aansluitingen met pijl gegenereerd worden.

Bij peil-verschillen worden automatisch verticale leidingen getekend.


Aansluiten leiding en pijlen op radiator / aansluiting

  • Menu CV is actief
  • Aansluitpunten (en radiatoren) geplaatst
  • Leidingen op juiste peilmaat getekend
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Genereer leid. naar Radiator' in menu 'Bewerk' en vervolgmenu 'Radiator'
    of
    selecteer 'Genereer leid. naar Radiator' in menu 'Bewerk' en vervolgmenu 'Leidingen' 
  2. Geef de aftakkingsmethode op:
    • 1 Sprong bovenaf
    • 2 Sprong onderaf
    • 3 Horiz. naar aansluiting
    • 4 Vert. naar aansluiting
      • Indien de sprong is opgegeven: 
        1. geef op de spronghoogte
        2. geef op in welke aftakleiding de sprong moet worden gemaakt:
          • Aanvoer
          • Retour
          • Beiden
            (Let op de peilmaten zodat er geen kruisende leidingen ontstaan)
  3. Geef de aftakdiameter op
  4. Selecteer de aansluiting bij de radiatoren en de leidingen met de crossing-optie
    De aftakleidingen worden op de dichtstbijzijnde leiding gemaakt.


Aansluiten leiding en pijlen op radiator bovenverdieping

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Leid+Pijl radiator boven' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator'
  2. Selecteer de aansluitingen bij de radiatoren
  3. Selecteer de betreffende leidingen met de crossing-optie
    De verticale leiding wordt voor de overzichtelijkheid op tekening op 150mm voor de radiator getekend.


Terug naar Inhoudsopgave


Leidingberekening en 3D-model


Algemeen

Indien de warmteafgifte van de radiatoren bekend is (zowel bij de radiator als bij de aansluitpunten opgeslagen) en een aanééngesloten leidingverloop is getekend kan een leidingberekening worden uitgevoerd.

Hierbij is het van belang dat T-stukken, stijg- en zakleidingen en kruisingen reeds zijn ingevoegd. Bij het aansluiten van radiatoren (aansluitpunten) op leidingen zijn de doorgaande leidingen nog niet opgeknipt.

De leidingen krijgen na afloop van de berekening per diameter een verschillende kleurmarkering. 

De kleurmarkering is te verwijderen.

Bij de berekening kunnen twee methodieken, eventueel gecombineerd, gebruikt worden:

  • Berekening op maximaal drukverlies
  • Berekening op constante snelheid
  • Combinatie

Een startpunt moet op een begin-leiding worden aangegeven; het daarop aansluitende leidingtracé wordt dan berekend. Het is mogelijk meerdere leidingtracé’s voor de berekening op te geven.

Verschillende controlemogelijkheden op het aaneensluiten van de leidingen zijn mogelijk via de functie Routecontrole in rolmenu Prefab.


Indien voor de start van de berekening de leidingdiameters op 0 zijn gezet kunnen na afloop van de berekening alle overbodige leidingstukken eenvoudig worden verwijderd. 


Zie ook:

Plaatsen radiatoren

Aansluiten radiatoren op leidingen


Routecontrole op leidingsoort

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Routing op Soortleiding' in menu 'Prefab' en het vervolgmenu 'Diverse Leidingroute Controles'
  2. Geef de beginpunten aan op de aanvoer- en retourleiding
    Zoom zonodig in op het begin van het leidingtracé.
    Een vette pijl wordt op het uiteinde van elke aangewezen leiding geplaatst.
    N.b. Let op de richting van de pijl!
  3. Sluit de selectie af met <Enter>
    Het aaneengesloten leidingstelsel wordt met een kleur gemarkeerd, de aanvoerleiding anders als de retourleiding.
  4. Klik op een van de knoppen , , of om de tekening in isometrie te zien
    Direct is te zien of alle radiatoren daadwerkelijk zijn aangesloten.
  5. Klik op knop  om de tekening weer in 2D te zien
  6. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verwijder kleurmarkering   VKM' in menu 'Prefab'
    of
    type VKM


Berekenen leidingdiameters

  • Het leidingstelsel wordt alleen berekend indien:
    • Het leidingstelsel aaneengesloten is;
    • Aan het eind van de leiding een debietsymbool is geplaatst:
    • Deze debietsymbolen voorzien zijn van het juiste vermogen:
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Bereken diameter leidingen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Berekenen' 
  2. Plaats het beginpunt-symbool op de aanvoer- en de retourleiding van waaraf men de leidingstelsels wil berekenen.
    Zoom zonodig in op het begin van het leidingtracé.
    Een vette pijl wordt op het uiteinde van elke aangewezen leiding geplaatst.
  3. Sluit de selectie af met <Enter>
  4. Geef in venster 'Voorwaarden voor leidingberekening' de gegevens op:
    • Materiaalrecept
    • Temperaturen Aanvoer en Retour
    • Berekeningmethoden
    • Alleen op Drukverlies (over het algemeen 100 – 250 Pa/m; en Snelheid op 0 zetten))
    • Alleen op Constante snelheid (Vmax 2 m/s; Vmin 0,5 m/s; en Drukverlies op 0 zetten)
    • Gecombineerd (zowel drukverlies als snelheden invullen)
    • Bij aanvinken 'Maximale snelheid afhankelijk van diameter:' gebruikt wordt dan de maximale snelheid van de leiding zoals die in de database bij het opgegeven materiaalrecept is opgegeven.
  5. Klik op knop [ OK ]
    Het hele tracé krijgt een kleurmarkering; elke diameter een aparte kleur.
  6. Klik op één van de knoppen , , of om de tekening in isometrie te zien
    Direct is te zien of voor alle leidingen een diameter is berekend.
  7. Klik op knop  om de tekening weer in 2D te zien
  8. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verwijder kleurmarkering   VKM' in menu 'Prefab'
    of
    type VKM
    De kleurmarkering wordt verwijderd; leidingkleuren worden weer ByLayer gezet.

Zie ook:

Plaatsen peilmaten en diameter-aanduiding


Verwijderen leidingen met diameter = 0

  1. Klik op knop
    Venster met vraag: Weet u het zeker?
  2. Klik op knop [ Ja ]
    Alle leidingen op de tekening met diameter = 0 worden verwijderd.


Aanvullende verloopstukken (2D-symbolen) genereren

De T-aansluitingen, valleidingen en bijbehorende 2D-symbolen zijn reeds gegenereerd. Na de berekening van de diameters moeten t.p.v. verschillen verloopstukken worden aangegeven. Dit gebeurt met deze algemene routine. Eerder gegenereerde T-aansluitingen, valleidingen etc. blijven onaangetast.
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Val- Stijgsymbolen Valleiding' in menu 'Prefab' en het vervolgmenu 'Bewerk leidingen'
  2. Selecteer met de <crossing>-optie alle leidingen
    De symbolen voor verloopstukken worden geplaatst.


Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken radiator


Algemeen

Aan radiatoren kunt u kranen en ventielen toevoegen; artikelnummers en instelstanden zijn daarbij op te geven.

Toegekende vermogens kunt u wijzigen.

Voetventielen zijn niet zichtbaar, maar worden wel op de stuklijsten vermeld.

Thermostatische kranen kunnen zichtbaar op tekening worden gezet.

De radiatorgegevens kunnen middels een tooltip zichtbaar gemaakt worden.

De inhoud van de keuzelijsten voor radiatorkranen en voetventielen is bij de instellingen van de applicatie aan te passen. 

Zie Instellingen voor CV & Koeling


Tonen radiatorgegevens via tooltip

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Tooltip vermogen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator' 
  2. Ga met de muis boven een radiator staan, zonder te klikken
    De betreffende radiator wordt gestippeld en de radiatorgegevens worden in een tooltip getoond.
    Met 
    <Esc> wordt de Tooltip-functie opgeheven.


Toevoegen kranen en voetventielen met gegevens

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Radiatorkranen toevoegen' in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator'
  2. Geef in venster 'Gegevens van kranen en onderblok radiator' op:
    • Bediening van de radiatorkraan (handbediend of thermostaat)
    • Kraan, Onderblok en/of Voetventiel met instelgegevens
    • op tekening zichtbaar
      Als “Op tekening” niet is aangevinkt worden de gegevens aan de radiatoren gekoppeld en komen ook in de telstaat te staan.
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer radiatoren inclusief de aansluitpunten
    Als “Op tekening” was aangevinkt moet bij elke radiator de richting van de kraan worden aangegeven. 


Verwijderen kranen, onderblok en voetventielen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Radiatorkranen toevoegen' in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator'
  2. Vink in venster 'Gegevens van kranen en onderblok radiator' de optie uit;
    • Radiator kraan
    • Onderblok
    • Voetventiel
      Van de items waarvan de selectievakjes niet zijn  aangevinkt, zal het onderdeel uit de radiator worden verwijderd en komen niet meer in de telstaat te staan. 
    • Vink "Kraan op tekening" uit
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de radiatoren (inclusief de aansluitpunten) waarbij de voetventielen, onderblok en/of radiatorkranen moeten worden verwijderd.


Wijzig afgifte 

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig warmteafgifte' in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 
  2. Geef in de commandoregel het vermogen op
    of
    toets <A> (Als) om het vermogen uit een andere radiator over te nemen.
  3. Selecteer radiatoren en de aansluitpunten
    Een reeds bij de radiator geplaatst vermogen wordt niet automatisch aangepast. De oude coderingen moeten verwijderd worden en hier zal functie 'Coderen Radiatoren' opnieuw moeten worden uitgevoerd.


Terug naar Inhoudsopgave


Coderen radiator


Algemeen

Bij het plaatsen van radiatoren zijn een aantal gegevens vastgelegd.

De volgende gegevens, afhankelijk van het soort radiator, kunt u automatisch bij de radiatoren plaatsen:

  • fabrikant
  • code    (lengte-hoogte-paneelcode)

De codes en volgorde van de codes wordt vastgelegd in NOR-Options

Zie CV & Koeling.

  • vermogen van de radiator
  • instelstanden van de radiatorkraan
  • instelstanden van de voetventiel

Het vermogen van de radiator is aan te passen. Geplaatste codes kunt u roteren en/of onderstrepen t.b.v. de leesbaarheid.

 

Automatisch coderen radiatoren - afmetingen/vermogen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Codering Radiator op tekening' in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator'
  2. Geef in venster 'Coderen van radiatoren' op:
    • Welk soort radiatoren gecodeerd moeten worden
    • Wat gecodeerd moet worden:
      • Fabrikant en model
      • Afmeting
      • Afgifte
    • Welke inregelstanden moeten worden getoond:
      • Van radiatorkranen
      • Van voetventielen
    • Hoe gecodeerd moet worden:
      • Per stuk; elke radiator afzonderlijk
      • Totaliseren; alle geselecteerde radiatoren gezamenlijk: aantal, afmetingen en afgifte van enkele radiator
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer te coderen radiatoren
    De geselecteerde radiatoren worden met een cirkel gemarkeerd, en op de radiator wordt ingezoomd.
  5. Plaats code
    • Bij 'Per stuk' coderen wordt de afmeting/afgifte horizontaal geplaatst
    • Bij 'Totaliseren' moet de rotatie nog worden opgegeven.


Codering draaien

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Codering draaien' in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator'
  2. Selecteer te roteren codes
  3. Type de gewenste rotatiehoek
    Elke code wordt rond het eigen invoegpunt (midden van tekst) geroteerd.


Codering onderstrepen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Codering onderstrepen' in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator'
  2. Selecteer te onderstrepen codes


Terug naar Inhoudsopgave


Handmatig toevoegen ruimtegegevens


Algemeen

Radiatoren kunnen voorzien worden van ruimtegegevens. Dit kan zowel handmatig als automatisch. 

   


Handmatig coderen ruimtegegevens bij radiator

  • Menu CV is actief
  • Ruimtenummers en radiatoren geplaatst
  1. Klik op knop (Ruimtegegevens toevoegen)
    of
    selecteer 'Ruimtegegevens toevoegen' in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Radiator'.
  2. Kies 'Handmatig toekennen' in het venster 'Ruimtegegevens toevoegen' 
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer het ruimtenummersymbool
    Geef eventueel in venster 'Ruimtegegevens toekennen'op:
    • Omschrijving van de ruimte
  5. Klik [ OK ]
  6. Selecteer de radiatoren die voorzien moeten worden van de ruimtecodering
    Als de ruimte omschrijving wordt ingevuld of gewijzigd zal deze ook in het ruimtenummersymbool worden bijgewerkt.
    • De ruimtegegevens van de radiatoren kunnen in een overzichtslijst worden weergegeven.


Terug naar Inhoudsopgave


Automatisch toevoegen ruimtegegevens


Algemeen

Bij de automatische verwerking worden een aantal eisen aan de tekening gesteld. Zo moeten er ruimtepolylijnen en ruimtenummers aanwezig zijn. Het voordeel hiervan is dat ruimtegegevens snel bijgewerkt kunnen worden als een radiator van de ene ruimte naar de andere wordt verplaatst.

Zie hiervoor Ruimtenummers en ruimtedefinities.

 

Automatisch coderen ruimtegegevens bij radiator

  • Menu CV is actief
  • Ruimtenummers en radiatoren geplaatst
  • Ruimtepolylijn op de juiste laag (getekend of geconverteerd)
  1. Klik op knop (Ruimtegegevens toevoegen)
    of
    selecteer 'Ruimtegegevens toevoegen…'  in het menu 'Bewerk' en het vervolgmenu
  2. Kies 'Mbv Ruimtepolyline' in het venster 'Ruimtegegevens toevoegen'
  3. Klik op knop [ OK ]
    Alle radiatoren die binnen een ruimtepolylijn vallen waarin ook een ruimtenummersymbool aanwezig is worden voorzien van de ruimtegegevens. Vervolgens wordt er in een dialoogvenster een rapportage gegeven van de uitgevoerde actie
    • Wanneer er geen ruimtepolylijn in de tekening aanwezig is wordt hier melding van gemaakt.
    • De laagnaam voor de ruimtepolylijn en de blocknaam voor het ruimtenummer kan aangepast worden.


Terug naar Inhoudsopgave


Controleren ruimtegegevens van radiatoren


Algemeen

Om de ruimtegegevens van radiatoren te kunnen controleren kan een tellijst gegenereerd worden. In deze tellijst is echter niet direct te zien of er wel het juiste ruimtenummer aan de radiator is gekoppeld.

Via de functie Controle Ruimtegegevens van radiatoren worden verbindingslijnen getekend tussen de radiator en het ruimtenummer wat bij de radiator is opgegeven. Zo is snel te zien of gecodeerde radiatoren wel in de juiste ruimte staan en of ze wel daadwerkelijk gecodeerd zijn. Niet of onjuist gecodeerde radiatoren worden gemarkeerd. Deze zijn vervolgens weer handmatig of automatisch te voorzien van een ruimtenummerkoppeling.


Ruimtegegevens van radiator controleren

  • Menu CV is actief
  • Ruimtenummers en radiatoren geplaatst
  • Ruimtenummers handmatig of automatisch gekoppeld aan de radiatoren
  1. Klik op knop (Controle Ruimtegegevens van radiatoren)
    of
    selecteer 'Controle Ruimtegegevens van radiatoren' in het menu 'Bewerk'en het vervolgmenu'Radiator'.
    De ruimtenummers worden omcirkeld en er wordt een lijn getrokken van het ruimtenummer naar de bijbehorende radiatoren.
    Niet of onjuist gecodeerde radiatoren worden gemarkeerd d.m.v. een rood kruis.
  2. Controlelijnen en kleurmarkeringen verwijderen:
  3. Klik op knop (Verwijder kleurmarkering VKM)
    of
    selecteer 'Verwijder kleurmarkering VKM' in menu 'Prefab'
    of
    typ VKM


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen aansluitingen


Algemeen

Radiatoren worden geplaatst inclusief (losse) aansluitpunten. Aansluitingen kunnen ook losgeplaatst worden of op leidingeinden, of zijn opgenomen in symbolen voor apparaten.

Aansluitpunten kunnen worden voorzien van vermogens (warmte- of koelvermogen).

Aansluitpunten kunnen worden aangesloten op leidingen, waarbij aftakleidingen en valleidingen worden gegenereerd. Hierbij is het mogelijk de wijze van aftakking op te geven:

  • Sprong bovenaf, zijwaarts en dan omhoog/omlaag naar peil aansluitpunt
  • Sprong onderaf, zijwaarts en dan omhoog/omlaag naar peil aansluitpunt
    Hierbij op te geven welke leidingen/leidingcombinaties de sprong moeten maken.
  • Zijwaarts en dan omhoog/omlaag naar het aansluitpunt
  • Omhoog/omlaag naar peil aansluitpunt en dan zijwaarts


Aansluitingen plaatsen

  1. Klik op knop (Plaats losse aansluitpunten)
    of
    selecteer 'Plaats losse aansluitpunten' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu'Aansluitpunten' 
  2. Selecteer het gewenste aansluitpunt in het iconenvenster:
    • CV aanvoer
    • CV retour
    • GKW aanvoer
    • GKW retour
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Plaats het aansluitpunt op de tekening


Aansluitingen plaatsen op leidingen CV en GKW

  • Leiding(en) CV A/R en/of GKW A/R getekend
  1. Klik op knop (Genereer aansluitpunt op leiding)
    of
    selecteer 'Genereer aansluitpt. op leiding' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu'Aansluitpunten' 
  2. Selecteer de CV en/of GKW-leidingen aan de kant waar de aansluitpunten op moeten worden geplaatst.
    Op de leidingeinden worden de aansluitpunten geplaatst.


Genereren leidingen op aansluitpunten CV / GKW

  1. Klik op Knop:
    • (Genereer leiding naar CV-asp)
      of
      selecteer 'Genereer leiding naar CV-asp.' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten' 
    • (Genereer leiding naar GKW-asp )
      of
      selecteer 'Genereer leiding naar GKW-asp.' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten' 
    • (Genereer leiding naar CV+GKW-asp )
      of
      selecteer 'Genereer leiding naar CV+GKW-asp.' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten'
  2. Geef de aftakmethode op
    • 1 Sprong bovenaf; zijwaarts en dan omhoog/omlaag naar peil aansluitpunt
    • 2 Sprong onderaf; zijwaarts en dan omhoog/omlaag naar peil aansluitpunt
    • 3 Horiz. naar aansl.; zijwaarts en dan omhoog/omlaag naar het aansluitpunt
    • 4 Vert. naar aansl.; Omhoog/omlaag naar peil aansluitpunt en dan zijwaarts
  3. Indien voor een sprong is gekozen:
    • Geef de sprong-afstand op
    • Hierbij op te geven welke leidingen/leidingcombinaties de sprong moeten maken.
  4. Geef de aftakdiameter op
  5. Selecteer de aansluitpunten en leidingen waarop moet worden aangesloten
    De aansluitpunten worden op de opgegeven methode met een aftakking op de leiding(en) aangesloten.


Terug naar Inhoudsopgave


Coderen en bewerken aansluitpunten


Algemeen

Aansluitpunten voor CV en GKW kunnen worden voorzien van vermogens t.b.v. leidingberekening. 

Bij radiatoren worden de aansluitpunten als losse elementen bij de radiator geplaatst. Het vermogen van de radiator is bij plaatsing aan zowel de radiator als de aansluitpunten gekoppeld. 

Bij het wijzigen van het radiatorvermogen moeten zowel de radiator als de aansluitpunten worden geselecteerd.

Geplaatste aansluitpunten (bij radiatoren) kunnen worden omgewisseld (R   A en A   R). 


Wijzigen vermogen van aansluitpunten

  1. Klik op de knop:
    • (Wijzig warmteafgifte)
      of
      selecteer 'Wijzig warmteafgifte' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten'
    • (Wijzig koelvermogen)
      of
      selecteer 'Wijzig koelvermogen' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten'
    • (Wijzig vermogens)
      of
      selecteer 'Wijzig vermogens' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten'
  2. Geef het vermogen (warmteafgifte, koelvermogen) op, of toets <A> gevolgd door <Enter> om het vermogen in te lezen van een aan te wijzen aansluitpunt
  3. Selecteer de aansluitpunten die aangepast moeten worden


Gegevens tonen met tooltip

  1. Klik op knop (Tooltip vermogen)
    of
    selecteer 'Tooltip vermogen' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten'
  2. Zweef met de muis boven het aansluitpunt (niet klikken)
    Het aansluitpunt wordt gestippeld en In de tooltip worden vermogen en peilmaat getoond.
  3. Toets <Esc> om de tooltip-functie uit te schakelen


Wisselen CV-aansluitpunten

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Wissel CV Aansluitpnt)
    of
    selecteer 'Wissel CV Aansluitpnt' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten' 
  2. Selecteer de aansluitingen met optie <window> of <crossing>
    Als de leidingen al aangesloten waren moeten deze leidingen verwijderd worden en opnieuw aangesloten worden.


Verschalen aansluitpunten

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Verschaal Aansluitpunten)
    of
    selecteer 'Verschaal aansluitpunten' in menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten'
  2. Selecteer de te verschalen aansluitpunten
  3. Toets een verschalingsfactor in
    of
    selecteer een waarde uit het shortcutmenu.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen pijlen


Algemeen

Aansluitingen worden meestal tegelijk met de radiator geplaatst, maar kunnen ook afzonderlijk worden geplaatst. Pijlen kunnen geplaatst worden op aansluitingen.

    

Pijlen plaatsen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Pijlen...)
    of
    selecteer 'Pijlen…' in het menu 'Symbolen'
  2. Selecteer in het iconenvenster de gewenste pijl/aansluiting
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Plaats pijl/aansluitingsymbool op tekening
    • Niet op leiding:
      • Geef in het venster op voor welke leiding de pijl bestemd is:
      • Klik op knop [ Volgende ] om een volgende reeks leidingsoorten te zien (CV -> AV -> TW -> GAS -> CV ..)
    • Wel op leiding:
      De pijl komt in de leiding te staan, waarbij de leiding wordt onderbroken.
  5. Klik op knop (Diameteren pijlen)
    of
    selecteer 'Diameteren' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Pijlen'
  6. Selecteer de afmeting in het:
    • Shortcutmenu
    • rechter muisknop-menu
      of
      type de maat in
  7. Selecteer de pijlen
    De diameter wordt bij de pijl geplaatst.


Pijlen vervangen door aansluitingen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Pijl wordt Aansluiting)
    of
    selecteer 'Pijl wordt Aansluiting' in het menu 'Apparaten' en het vervolgmenu 'Aansluitpunten'
  2. Selecteer de aan te passen pijlen
    Aanvoerpijlen worden vervangen door aanvoer aansluitpunten.
    Retourpijlen worden vervangen door retour aansluitpunten.


Aansluitingen vervangen door pijlen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Aansluiting wordt Pijl)
    of
    selecteer 'Aansluiting wordt Pijl' in het menu 'Bewerk' en vervolgmenu 'Pijlen'
  2. Selecteer:
    • Boven
      of
      type <B> voor pijlen van/naar bovenverdieping
    • Onder
      of
      type <O> voor pijlen van/naar benedenverdieping
  3. Selecteer de aan te passen aansluitpunten
    Aanvoer aansluitpunten worden aanvoerpijlen
    Retour aansluitpunten worden retourpijlen.

Terug naar Inhoudsopgave


Coderen en bewerken van pijlen


Algemeen

Pijlen kunnen worden voorzien van coderingen; de positie van de codering kan worden gewijzigd. Coderingen kunnen worden verwijderd.

De diameter kan worden opgegeven, of worden berekend uit het vermogen van de aangesloten radiatoren. 

Pijlen kunnen worden verschaald, en vervangen door andere pijlen.


Vervangen van pijlen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Vervangen)
    of
    selecteer 'Vervangen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Pijlen'
  2. Selecteer een pijl van het te vervangen type pijlen
  3. Selecteer in het iconenvenster de gewenste nieuwe pijl / aansluiting
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de te vervangen pijlen met de optie <window> of <crossing>
    Alleen de pijlen van het geselecteerde type worden vervangen door nieuwe.


Coderen pijlen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Diameteren pijlen)
    of
    selecteer 'Diameteren' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Pijlen'
  2. Geef de diameter op:
    • Selecteer de diameter vanuit het rechtermuismenu
    • Type de gewenste diameter
  3. Selecteer de te coderen pijlen (window-optie)
    De schrijfwijze (25mm of 1”) kan worden aangepast in ..\wlib\i\lzwz.ini


Verplaatsen pijlcodering

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Verplaats diameter)
    of
    selecteer 'Verplaats diameter' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Pijlen'
  2. Selecteer de te verplaatsen codering
  3. Verplaats de codering
    Tijdens het verplaatsen wordt de tekst vervangen door een kader om plaatsing te vereenvoudigen.


Verschalen pijlen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Verschalen)
    of
    selecteer 'Verschalen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Pijlen'
  2. Selecteer te verschalen pijlen
  3. Geef de schaalfactor op:
    • via het Rechtermuismenu
    • Type de schaal factor


Omdraaien van pijlen

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Draaien)
    of
    selecteer 'Draaien' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Pijlen'
  2. Selecteer de te draaien pijlen


Reset gespiegelde pijlen

  • Als een installatietekening gespiegeld wordt t.b.v. een gespiegelde plattegrond staan de pijlen dus ook gespiegeld. Met deze functie kunnen de pijlen weer ontspiegeld worden.
  1. Klik op knop (Reset gespiegelde pijlen)
    of
    selecteer 'Reset gespiegelde pijlen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Pijlen' 
  2. Selecteer de te ontspiegelen pijlen
    Alleen de gespiegelde pijlen worden ontspiegeld.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen peilmaten en diameter-aanduiding


Algemeen

Peilmaten kunt u op de tekening plaatsen, met of zonder ovaal en met of zonder achter- en/of voorvoegsel. 

  • Als de leiding op peilhoogte is getekend wordt de peilmaat automatisch bijgeschreven;
  • Als de leiding op peil=0 is getekend moet u een peilmaat opgeven. Deze peilmaat is alleen tekstueel; de leiding wordt niet op die Z-waarde geplaatst.

Diameteraanduidingen kunt u handmatig plaatsen, daarbij worden tevens verwijslijntjes getekend

Diameteraanduidingen kunnen automatisch globaal geplaatst worden: deze worden zonder verwijslijntjes halverwege de leiding geplaatst.


Of bij de peilmaten voor- of achtervoegsel geplaatst moeten worden en of de pijlmaat in een ovaal gezet moet worden wordt geregeld in de algemene applicatie instellingen.


Indien geen diameter is opgegeven tijdens het tekenen kunt u de maat vanuit het RECHTER MUISKNOP-MENU aangeven. Standaardmaten voor draadpijp. vlampijp en dunwandig zijn daarin opgenomen.

 

Instelling voor plaatsen peilmaten met/zonder ovaal

  1. Klik op knop (Algemeen)
    of
    selecteer 'Algemeen' in menu 'Applicatie' en het vervolgmenu 'Instellingen'
    of
    type NOROPTIES
  2. Selecteer in venster 'Nordined Options Versie …' in de keuzelijst rechtsboven 'Algemeen'
  3. Open tabblad 'Peilmaten'
  4. Activeer 'Met ovaal'
  5. Klik op knop:
    • [ OK ]    om de wijzigingen op te slaan en het venster te verlaten
    • [ Apply ]    om de wijzingen op te slaan en het venster open te laten
    • [ Cancel ]    om het venster te verlaten zonder de wijzigingen op te slaan
    • [ Herstellen ]    om het betreffende configuratiebestand opnieuw in te lezen
    • [ Ini file openen ]    voor het direct wijzigen van het configuratiebestand dat onder in het venster genoemd wordt. Het configuratiebestand wordt geopend in Notepad
Alle nieuw te plaatsen peilmaten worden volgens de gewijzigde instelling wel/niet voorzien van een ovaal.


Instelling plaatsen voor-/achtervoegsel bij peilmaten

  1. Klik op knop (Algemeen)
    of
    selecteer 'Algemeen' in menu 'Applicatie' en het vervolgmenu 'Instellingen'
    of
    type NOROPTIES
  2. Selecteer in venster 'Nordined Options Versie …' in de keuzelijst rechtsboven 'Algemeen'
  3. Open tabblad 'Peilmaten'
  4. Geef de gewenste waarde voor:
    • Voorvoegsel:
    • Achtervoegsel:
  5. Klik op knop:
    • [ OK ]    om de wijzigingen op te slaan en het venster te verlaten
    • [ Apply ]    om de wijzingen op te slaan en het venster open te laten
    • [ Cancel ]    om het venster te verlaten zonder de wijzigingen op te slaan
    • [ Herstellen ]    om het betreffende configuratiebestand opnieuw in te lezen
    • [ Ini file openen ]    voor het direct wijzigen van het configuratiebestand dat onder in het venster genoemd wordt. Het configuratiebestand wordt geopend in Notepad
Alle nieuw te plaatsen peilmaten worden volgens de gewijzigde instelling voorzien van een voor- en/of achtervoegsel.


Peilmaten plaatsen

  • Indien een leiding met een Z-waarde is getekend wordt deze waarde als peilmaat bijgeschreven;
  • Indien een leiding een Z-waarde=0 heeft, wordt gevraagd om een peilmaat op te geven.
  1. Klik op knop (Peilmaat plaatsen)
    of
    selecteer 'Peilmaat plaatsen' in menu 'Maatvoeren'
  2. Selecteer de leiding t.b.v. de peilmaat
  3. Geef de richting van de bemating aan:
    • ORTHO aan;   de peilmaat wordt haaks op de leiding geschreven
    • ORTHO uit ;   de peilmaat wordt evenwijdig aan de leiding geschreven
      Als hiermee meerdere leidingen worden gekruist, zullen leidingen met gelijke gegevens met schrapstreepjes aan de maatvoering worden gekoppeld.
  4. Indien bij de leidingen geen peilmaat is opgegeven:
    • Geef de peilmaat op
De peilmaat wordt bijgeschreven. 


Diameter-aanduiding, handmatig

  1. Klik op knop (Bematen diameters)
    of
    selecteer 'Bematen diameters' in menu 'Maatvoeren'
  2. Selecteer leiding t.b.v. de diameter
  3. Geef de richting van de bemating aan:
    • ORTHO aan;   bemating wordt haaks op de leiding geschreven
    • ORTHO uit ;   bemating wordt evenwijdig aan leiding geschreven


Diameter-aanduiding, globaal

  1. Klik op knop (Bematen Globaal)
    of
    selecteer 'Bematen Globaal' in menu 'Maatvoeren'
  2. Selecteer de bematingswijze in venster 'Diameter en berekening weergeven'
    • Diameter in leiding
    • Diameter boven leiding
    • Diameter en peilmaat in de leiding
    • Diameter en peilmaat boven en onder de leiding
    • Diameter en snelheid in de leiding
    • Diameter en snelheid boven en onder de leiding
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de te bematen leidingen


Diameteraanduiding verwijderen

  1. Klik op knop (Bemating verwijderen)
    of
    selecteer 'Bematingen' in menu 'Bewerk' en het vervolgmenu 'Verwijderen'
  2. Selecteer de te verwijderen diameteraanduidingen inclusief de verwijslijnen
    Alleen de diameteraanduidingen worden verwijderd, niet de peilmaten.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen symbolen


Algemeen

Er zijn twee soorten symbolen:

  • Appendages, symbolen die in leidingen worden geplaatst.
    Symbolen die in leidingen worden geplaatst kunnen symmetrisch of asymmetrisch zijn:
    • Symmetrische symbolen worden direct in de leiding geplaatst en de leiding wordt daar onderbroken
    • Asymmetrische symbolen moeten na plaatsing op de leiding nog geroteerd worden en de leiding wordt daar onderbroken

Deze symbolen worden dus geplaatst nadat de leidingen zijn getekend.


  • Toestellen, symbolen die los op tekening worden geplaatst

Leidingen worden meestal getekend nadat deze symbolen zijn geplaatst


Appendages

  • Menu CV is actief.
  • Leidingen reeds getekend
  1. Selecteer in menu 'Symbolen' de gewenste appendage
    of
    klik op knop
    •   Afsluiters
    •   Pompen
    •   Koeling
    •   Lucht
    •   Inductie-units
    •   Meetinstrumenten
    •   Diversen
    •   Ondersteuning
  2. Selecteer in het iconen-venster de gewenste appendage
  3. Plaats appendage in een leiding
  4. Geef de rotatie op voor asymmetrische symbolen


Toestellen

  • Menu CV is actief.
  1. Selecteer in menu 'Symbolen' de gewenste type toestel
    of
    klik op knop:
    •  Ketels – Vaten
    •  Lucht
    •  Inductie-units
    •  Meetinstrumenten
    •  Diversen
    •  Ondersteuning
  2. Selecteer in het iconen-venster gewenste toestel
  3. 3.    Plaats toestel op tekening


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen leidingen / kanalen schematekening


Algemeen

De volgende leidingen en kanalen kunnen enkellijnig worden getekend:

  • Luchtkanalen, toevoer, retour en afvoer
  • CV leidingen, aanvoer en retour
  • Gekoeld water-leidingen, toevoer en retour
  • Regelleidingen


Aanwijzingen

  • De schematekening is in principe schaalloos; het is ook mogelijk een schaal aan te houden;
  • Het instellen van een GRID is aan te bevelen;
  • Bij het plaatsen van appendages op leidingen worden deze leidingen, indien nodig, onderbroken;
  • De kanalen en leidingen worden als normale lijnen getekend en kunnen met de standaard AutoCAD commando’s zoals <STRETCH>, <TRIM> en <FILLET> worden bewerkt;
  • Standaard wordt het schema op ‘peil 0’ getekend. Het is mogelijk om echte peilmaten tijdens het tekenen op te geven.
    • Met de knoppen , , , op toolbar Nor View is de isometrie te zien
      of
      via commando <ZISO>
    • met knop op toolbar Nor View is het normale beeld van de tekening te herstellen
      of
      via commando <ZNOR>


Leidingen en kanalen tekenen (schema)

  • Menu CV is actief.
  1. Selecteer 'Leidingen' in menu 'Symbolen' en de gewenste leiding in het vervolgmenu
    of
    klik op knop:
    •  Lucht  T
    •  Lucht  R
    •  Lucht  A
    •  CV      A
    •  CV      R
    •  GKW   T
    •  GKW   R
    •  Regel
  2. Teken leiding/kanaal


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen toestellen


Algemeen

De leidingen en kanalen kunnen enkellijnig worden getekend:

  • Appendages worden in leidingen geplaatst: 
    • de leiding wordt daar waar nodig ter plaatse onderbroken;
    • de appendage komt op de installatielaag die hoort bij de betreffende leiding.
  • Toestellen worden ‘los’ geplaatst.

Bij het plaatsen van appendages op leidingen worden deze leidingen onderbroken en worden de appendages op de installatielaag van de leiding geplaatst.


Terug naar Inhoudsopgave


Instellen schaalfactor bij plaatsen symbolen


Algemeen

De schema symbolen worden geplaatst op de tekening rekening houdend met de bij de tekening opgegeven plotschaal.

Dat betekent, dat als de schema symbolen 

  • Op een installatietekening met schaal 1:50 worden geplaatst de symbolen 50x vergroot geplaatst worden.
  • Op een schematekening met schaal 1:1 worden geplaatst de symbolen niet vergroot worden.

De mogelijkheid bestaat om de symbolen iets groter of iets kleiner dan de standaard verschaling te plaatsen. Wijziging van deze instelling geldt alleen voor de nieuw te plaatsen symbolen.

 


Schaalfactor instellen

  • Menu CV is actief.
  1. Klik op knop (Schaalfactor is: )
    of
    selecteer 'Schaalfactor is: ' in menu 'Symbolen'
  2. Geef de schaalfactor op via:
    • de rechter muistoets menu
    • door intypen
De nieuw te plaatsen symbolen zullen volgens deze wijziging worden geplaatst, rekening houdend met de bij de tekening opgegeven plotschaal.
In menu 'Symbolen' wordt de actuele schaalfactor getoond. 


Terug naar Inhoudsopgave


Symboolcodering toevoegen en tonen


Algemeen

Aan apparaten kunnen fabrikantcoderingen worden toegevoegd. Hierbij kan gekozen worden uit 

  • de standaard beschikbare fabrikanten
    (uit c:\Gebruikers\<user>\AppData\Cadac Group\Techniek 10.x\wlib\i\lzwz.ini)
  • de reeds in de tekening opgegeven codering

Tevens is het mogelijk om een nieuwe fabrikantcodering op te geven of de codering uit een symbool over te nemen.

Met de functie Tooltip (NORTT) kan de opgegeven codering als tooltip zichtbaar worden gemaakt.

 


Symbool codering toevoegen

  • Menu CV is actief.
  1. Klik op knop (Coderen symbolen)
    of
    selecteer 'Coderen symbolen' in menu 'Symbolen'
  2. Geef in venster 'Fabrikantcodering symbolen' de codering op door:
    • Selectie uit de tekening (vak Tekening)
    • Selectie uit standaard fabrikanten (vak LZWZ.INI)
    • Intypen codering
    • Halen uit symbool op tekening door klikken op knop [ Als ] en vervolgens symbool op tekening aan te wijzen
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de symbolen waaraan de codering moet worden toegevoegd.


Codering op tekening zetten

  • Menu CV is actief.
  • Codering aan symbool toegevoegd
  1. Klik op knop (Codering op tekening)
    of
    selecteer 'Codering op tekening' in menu 'Symbolen'
  2. Selecteer het symbool waarvan de codering op tekening geplaatst moet worden
  3. Plaats de tekst op de tekening en geef de notatie


Codering tonen via tooltip

  • Menu CV is actief.
  • Symbolen voorzien van fabrikantcodering
  1. Klik op knop (Tooltip Codering)
    of
    selecteer 'Tooltip Codering' in menu 'Symbolen'
  2. Zweef met de muis over het symbool (niet klikken)
    Het symbool wordt gestippeld;
    In de tooltip wordt de fabrikantcodering getoond.


Terug naar Inhoudsopgave


Symbolen vervangen


Algemeen

Reeds geplaatste symbolen kunnen worden vervangen door andere symbolen.

Bij de vervanging zijn 3 opties mogelijk

  • Ins.punt op ins.punt
    grootte en vorm van vervangend symbool veranderen niet
  • X-Y passend
    grootte en vorm van het vervangend symbool worden aangepast aan het oude symbool
  • Passend symmetrisch
    het vervangend symbool wordt symmetrisch “over” het oude symbool geplaatst:
     


Blocks vervangen

  • Menu CV is actief.
  • Het symbool dat het “oude” symbool moet vervangen is al op tekening aanwezig
  1. Klik op knop ( Vervang blok(ken) )
    of
    selecteer 'Vervang blok(ken)' in menu 'Symbolen'
  2. Selecteer het type symbool (block) dat vervangen moet worden
  3. Selecteer het nieuwe symbool
  4. Geef in venster 'Vervangen van blokken'de vervang methode op
    • Ins.punt op ins.punt
    • X-Y passen
    • Passend symmetrisch
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer de te vervangen symbolen
    Alleen de symbolen van het geselecteerde type zullen worden vervangen.


Terug naar Inhoudsopgave


Aanmaken telstaten en renvooi


Algemeen

Nadat de tekening is opgezet kunt u tellijsten genereren

In het venster van de telstaat zijn verschillende lay-out aanpassingen mogelijk

  • Het venster van de telstaat kan worden vergroot/verkleind, 
  • De kolommen kunnen worden verplaatst
  • De kolommen kunnen worden vergroot/verkleind/onzichtbaar worden gemaakt
  • Op een of meer kolom kan gesorteerd worden 
  • De telstaat kan wel/niet getotaliseerd worden.

Deze telstaten kunt u als bestand opslaan (.txt, .csv en .xml), op tekening plaatsen of uitprinten.

De materiaallijst kan gebruikt worden om gegevens door te sturen naar het calculatieprogramma van InstallOffice of Syntess.

Symbolen kunt u in een renvooi op tekening plaatsen.

Hoe nauwkeuriger er getekend wordt des te nauwkeuriger is de tellijst.


 

Telstaten t.b.v. de radiatoren

  • Menu CV is actief
  1. Selecteer in menu 'Tellen'
    of
    Klik op knop:
    •  Radiatoren, totalisatie per soort, type en afmeting
    •  Radiatoren, afgifte totalisatie per soort radiator
    • Afgifte alle radiatoren
      Een dialoogscherm verschijnt met daarin de telstaat.
      • Pas eventueel de layout van het venster aan
        • Sorteren
        • Kolommen verplaatsen (verslepen)
        • Kolombreedte aanpassen
      • Voor uitprinten tellijst
        1. Klik op knop [ Printer ]
        2. Wijzig zonodig de layout-instellingen
        3. Klik op [ OK ]
      • Voor wegschrijven naar bestand
        1. Klik op knop [ Bestand ]
        2. Selecteer het te gebruiken bestandsformaat
          • .txt
          • .csv
          • .xml
        3. Geef (de map en) bestandsnaam
        4. Klik op [ Save ]
      • Voor op tekening zetten van de tellijst
        1. Selecteer eventueel een andere tekststijl
        2. Vink eventueel aan, dat rasterlijnen geplaatst moeten worden
        3. Klik op knop [ Tekening ]
        4. Geef de teksthoogte op
          of
          toets <Enter>om de standaard hoogte te gebruiken
          De omtrek van de telstaat “hangt” aan de kruisdraden, met de linkeronderkant.
          Door opgeven van O (linksOnder), R (Rechtsonder), B (rechtsBoven) of L (Linksboven) kan dat worden gewijzigd.
        5. Geef beginpunt op scherm (positie eerste letter)
          De lijst wordt nog niet zichtbaar op de tekening
        6. Klik op knop [ OK ]om het venster te verlaten
          De telstaat wordt zichtbaar op de tekening.


Materiaalstaat t.b.v. InstallOffice- en Syntess-calculatie

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop:
    • (InstallOffice)
      of
      selecteer 'InstallOffice' in menu 'Tellen' en het vervolgmenu'Calculatie' 
    • (Syntess)
      of
      selecteer 'Syntess' in menu 'Tellen' en het vervolgmenu 'Calculatie'  
  2. Toets ALL om alles te selecteren
    of
    selecteer de te tellen onderdelen
    Het dialoogscherm 'Calculatie InstallOffice' of 'Calculatie Syntess' verschijnt met daarin de telstaat
  3. Klik :
    • bij InstallOffice op knop [ Calculatie ]
    • bij Syntess op knop [ Syntess ]
      De materiaalstaat wordt geconverteerd naar bestand <tekeningnaam>.tls
      Notepad wordt geopend met bestand <tekeningnaam>.tls
      1. Sluit Notepad af
        Gemeld wordt dat bestand <tekeningnaam>.tls is opgeslagen in map ….
      2. Klik op knop [ OK ]
  4. Klik op knop [ OK ] om de telstaat af te sluiten


Elementen opzoeken m.b.v. de telstaat

  1. Klik op knop:
    • (Alle radiatoren)
      of
      selecteer 'Alle Radiatoren' in menu 'Tellen'
    • (Radiator afgifte)
      of
      selecteer 'Radiator afgifte' in menu 'Tellen'
    • (Afgiften radiatoren)
      of
      selecteer 'Afgiften radiatoren' in menu 'Tellen'
    • (InstallOffice)
      of
      selecteer 'InstallOffice' in menu 'Tellen' en het vervolgmenu'Calculatie' 
    • (Syntess)
      of
      selecteer 'Syntess' in menu 'Tellen' en het vervolgmenu 'Calculatie' 
  2. Selecteer de te tellen onderdelen.
  3. Selecteer in het telvenster één of meer elementen
  4. Klik op knop [ Markeer ]
    Alle geselecteerde elementen worden voorzien van een cirkelmarkering, terwijl op het totaal aan gemarkeerde elementen wordt ingezoomd.
  5. Toets <Enter>
    Het telvenster verschijnt weer.
  6. Klik op knop [ Schoon ] om de markeringen te verwijderen
  7. Klik op knop [ OK ] om het venster te verlaten


Renvooi

  • Menu CV is actief
  1. Klik op knop (Renvooi)
    of
    selecteer 'Renvooi' in het menu 'Tellen' 
  2. Selecteer de symbolen die in het renvooi opgenomen moeten worden.
  3. Geef de positie van de linkeronderhoek van het renvooi aan op tekening



Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld