Naar hoofdinhoud

BHV -04- Vervaardigen BHV-tekening - TheModus Suites (Nordined)

How to - BHV (BedrijfsHulpVerlening)

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Vervaardigen BHV-tekening


Algemeen


Algemeen

Bij het vervaardigen van de diverse soorten tekeningen wordt gebruik gemaakt van verschillende elementen. Deze zijn vanuit icon-menu's te plaatsen. De icons zijn gegroepeerd per type te vervaardigen tekening (vluchtroute, aanvalsplan, veiligfheidstekening). 

Tevens wordt onderscheid gemaakt in de normeringen volgens NEN 7010, NEN 1414, NEN 3011, en de niet-norm-vastgelegde symbolen, zoals die in tot voor kort gebruikt werden.

   

  • Blocks met attributen (standaard symbolen)
    • Brandblussers
    • Brandmelders
    • Etc.
      Deze worden vanuit icon-menuvenster geplaatst. En kunnen zonodig achteraf worden geroteerd en/of verschaald.
  • Dynamic blocks (vormveranderbare symbolen) met en zonder attributen 
    • Symbool "Hier bevindt u zich"
    • Vluchtrichtingbord
    • Gevarendiamant
    • Liftkooi
    • Deur
    • Etc.
      Deze worden vanuit icon-menuvenster geplaatst. Na plaatsing kan de vorm worden gewijzigd. Eventueel kunnen deze symbolen nog achteraf worden geroteerd en/of verschaald.
  • Tekenroutines
    • Tekenen vluchtroute
    • Tekenen brand- en rookscheidingen
    • Etc.
      Deze tekenfuncties worden vanuit icon-menuvenster gestart. Na plaatsing kunnen aanvullingen als richtingspijlen nog worden omgedraaid.
  • Genereerroutines
    • Genereren vluchtroute
      Dit kan na aangeven van de mogelijke vluchtroutes, het plaatsen van de bordjes "Uitgang" bij de uitgangen van het gebouw, of de "uitgangen"van de verdieping (trappenhuizen).
    • Genereren arcering Verkeersgebied
      Als in de gekoppelde xref-tekening ruimtelabels met als ruimtesoort "verkeersruimte"  staan en ruimtedefinitielijnen zijn gegenereerd of getekend kunnen deze ruimtedefinitielijnen worden overgenomen uit de xreftekening (menu Bewerk, keuze Definitie verkeersruimten). Met de functie "Overige symbolen, "Verkeersruimten in gebouw" kunnen vervolgens de verkeersruimten worden aangegeven.
      Welke ruimtesoorten als verkeersruimte  in aanmerking komen is vastgelegd in het configuratiebestand 
    • Genereren arcering Overige gebieden
      Als in de gekoppelde xref-tekening ruimtelabels met als ruimtesoort "verkeersruimte"  staan en ruimtedefinitielijnen zijn gegenereerd of getekend, en bruto-gebouwdefinitielijn(en) aanwezig zijn kunnen deze definitielijnen worden overgenomen uit de xreftekening (menu Bewerk, keuze Definitie Gebouwcontour). Met de functie "Overige symbolen, "Gebouwcontour - Verkeersruimten in gebouw" kunnen vervolgens de overige ruimten worden aangegeven.
    • Genereren arcering Gebouw (=bebouwd terreinoppervlak)
      Als in de gekoppelde xref-tekening bruto-gebouwdefinitielijn(en) aanwezig zijn kunnen deze definitielijnen worden overgenomen uit de xreftekening (menu Bewerk, keuze Definitie Gebouwcontour). Met de functie "Overige symbolen, "Gebouwcontour" kunnen vervolgens het bebouwd oppervlak worden aangegeven.
    • Genereren arcering Verkeersgebioeden terrein
      Als in de gekoppelde xref-tekening bruto-gebouwdefinitielijn(en) aanwezig zijn kunnen deze definitielijnen worden overgenomen uit de xreftekening (menu Bewerk, keuze Definitie Gebouwcontour). Met de functie "Overige symbolen, "Gebouwcontour" kunnen vervolgens het bebouwd oppervlak worden aangegeven.
    • Legenda
    • Etc.
      Op basis van in de tekening aanwezige informatie kunnen zaken worden gegenereerd. Deze informatie is al in de tekening, of xref-gekoppelde tekening, aanwezig of kan aan de tekening worden toegevoegd vanuit de menu's.


Plaatsen symbool

  1. Selecteer in menu Plan, Plan (NEN-EN-ISO 7010), Plan (NEN 1414) of Plan (NEN 3011) een vervolgkeuze
    of
    klik op een icon in een van de menu's Plan, Plan (NEN-EN-ISO 7010), Plan (NEN 1414) of Plan (NEN 3011)
  2. Selecteer in het icon-venster het gewenste symbool en klik op knop [ Plaats ],
    of
    dubbelklik op het icon
  3. Plaats het symbool op tekening
    De functie is repeterend; het volgende symbool kan direct geplaatst worden.
  4. Toets <Enter> om het plaatsen te stoppen en terug te keren in het icon-venster
    of
    toets <Esc> om de functie te verlaten
De symbolen worden standaard geplaatst met een verschaling voor 1:100 plots.
Als een andere plotschaal gebruikt wordt kunnen de symbolen verschaald worden met de functie 'Bewerk', 'Roteren'. Hiermee worden alle gelijke symbolen verschaald vanuit het eigen invoegpunt.
Zie 'Verplaatsen, verschalen en roteren symbolen'. 


Terug naar Inhoudsopgave


Speciale symbolen


Algemeen

Een reeks speciale symbolen, dynamic blocks, zijn beschikbaar binnen de applicatie BedrijfsHulpVerlening.

  • Vluchtrichting (8 varianten in symbool)
  • U bevindt zich hier (verplaatsen en spiegel vlag)
  • Deur (3 varianten, aanpasbare breedte)
  • Liftkooi (2 varianten, verplaatsbare randen)
  • Gevarendiamant en identificatie gevaarlijke stoffen


Vluchtrichtingsymbool

  • Het vluchtrichtingsymbool kent 8 verschillende uitvoeringen.
  1. Klik op het symbool
  2. Klik op de lijst-grip
  3. Selecteer de uitvoering in het popup-menu:
    • Vluchtrichting rechtsaf
    • Vluchtrichting trap op rechts
    • Vluchtrichting naar boven of rechtdoor
    • Vluchtrichting trap op links
    • Vluchtrichting linksaf
    • Vluchtrichting trap af links
    • Vluchtrichting rechtdoor of naar beneden
    • Vluchtrichting trap af rechts


U bevindt zich hier

  • De vlag kan naar links of rechts worden gespiegeld
  • De vlag kan naar boven, naar onder, links en rechts verschoven worden
Het symbool wordt bij plaatsing verschaald met de plotschaal zoals die bij het aanmaken van tekening is opgegeven. Dit wordt opgeslagen in variabele USERR1.
Voorbeeld USERR1=100 betekent een verschaling voor plot 1:100
Het symbool kan ook op een layout worden geplaatst. Vanuit dit symbool kunnen dan vluchtroutes worden gegenereerd in modelspace op lagen die afgeleid zijn van de layoutnaam. Door lagen per viewport te bevriezen kunnen zo meerdere vluchtroutes in de tekening worden opgenomen.
Zie verder: Genereren vluchtroute NEN 1414


Deur met aanduidingen

Een deursymbool kan geplaatst worden, waarbij :

  • de deur kan in de breedte worden aangepast;
  • aanduiding kan worden geselecteerd voor:
    • Zelfsluitend
    • Brandwerend en zelfsluitend
    • Brandwerend


Liftkooi

Het liftkooisymbool kan na plaatsen worden verbreed en verdiept. 

Er kan gekozen worden uit twee uitvoeringen:

  • Liftkooi
  • Brandweerlift


Gevarendiamant en identificatie gevaarlijke stoffen

De NFFPA-gevarendiamant en identificatie gevaarlijke stoffen wordt als één symbool geplaatst vanuit diverse menu's: Aanvalsplattegrond Gebouw, Aanvalsplattegrond Terrein, Veiligheidsplattegrond Gebouw, Veiligheidsplattegrond Buitenterrein en  Waarschuwingssymbolen.

Het symbool bevat attributen voor opgave van gegevens. 

  • Gevaar gezondheid (H-Health): 0, 1, 2, 3, 4
  • Brandgevaar (F-Fire): 0, 1, 2, 3, 4
  • Reactiviteit (R-Reactivity): 0, 1, 2, 3, 4
  • Gevaarsindentificatienummer (GI)
  • Stofidentificatienummer (VN)
  • Diamantomschrijving
  • Volgnummer
  • Volgletter

Het is tevens als dynamic block opgebouwd: na aanklikken van het symbool kan via een lijst-grip voor de verschillende uitvoeringen worden gekozen en voor het wel/niet tonen van de leader en positie van de leader.


  • Water als blusmiddel toegestaan
  • Voor het blussen geen water toegestaan
  • Bij vrijkomen van stof, gevaar voor radioactieve straling
  • Oxyderend
  • Zuur
  • Alkalisch
  • Corrosief


Terug naar Inhoudsopgave


Ontruimingstekening


Algemeen

Op een ontruimingstekening moeten verkeersruimten en verblijfsruimten zichtbaar zijn, vluchtroutes en uitgangssymbolen, aanduiding "U bevindt zich hier", aanduidingen voor brandmelding, handbrandblussers en brandslanghaspels, plaatsing brancards en het verzamelpunt. Tevens veiligheidsinstructies en legenda van de voorkomende symbolen.


Voor het tekenen van een ontruimingsplan zijn een aantal symbolen en een aantal tekenroutines beschikbaar.

Een paar symbolen zijn als z.g. dynamisch block beschikbaar:

Door na plaatsing een dynamisch block aan te klikken kunnen de varianten gekozen worden.


De symbolen worden automatisch ‘rechtop’ geplaatst Modelspace. Ze zijn voorzien van een ‘ondoorzichtige’ achtergrond en worden met de Z-waarde=1 iets boven het 0-vlak geplaatst.

Om de onderliggende lijnen en arceringen onzichtbaar te maken is het volgende nodig:

  • In Modelspace of Paperspace bekijken: commando <HIDE>
  • In Modelspace (Tilemode=1) plotten:    commando <PLOT>, optie 'Hide lines' gebruiken
  • Bij Paperspace (Tilemode=0) plotten:    commando <MVIEW>, Hideplot, On, selecteer van toepassing zijnde vensters, dan commando <PLOT>


Op een ontruimingstekeningen moeten ook vluchtroutes worden aangegeven. Hiervoor zijn verschillende werkmethodes mogelijk

  • Aparte ontruimingsplattegronden
    • Op kopie van algemene beveiligingstekening van de verdieping, met de bouwkundige tekening als xref gekoppeld. Als symbolen geroteerd moeten worden is dat dan mogelijk.
      Hierbij worden symbolen enkelvoudig getekend.
    • Algemene beveiligingstekening en bouwkundige tekening als xref gekoppeld. Het roteren van symbolen is dan niet goed mogelijk.
      Hierbij worden symbolen enkelvoudig getekend
    • Per ontruimingsplattegrond alle benodigde symbolen te plaatsen, de bouwkundige tekening als xref gekoppeld.
      Bij overlappende ontruimingsplattegronden worden in de overlappende gebieden "dubbel" getekend.
    • De vluchtroutes kunnen worden getekend, of op basis van looplijnen worden gegenereerd.


Zie ook:

  • Genereren oppervlakken uit xref.
  • Verplaatsen, verschalen en roteren symbolen.
  • Symbolen groepsgewijs coderen.
  • Verschalen en verplaatsen van attributen.
  • View roteren in layout.
  • Symbolen automatisch roteren in viewport.



Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen beveiligingssymbolen - klassiek


Algemeen

Symbolen voor de volgende plannen kunnen worden geplaatst:

  • Ontruiming, Symbolen
  • Brandblusmateriaal
  • Aanvalsplan
  • Brandmelding
  • Waarschuwingstekens
  • Veiligheidsborden/redding
  • Gebodsborden
  • Verbodstekens

De symbolen worden automatisch ‘rechtop’ geplaatst. Ze zijn voorzien van een ‘ondoorzichtige’ achtergrond en worden met de Z-waarde=1 iets boven het 0-vlak geplaatst.

Om de onderliggende lijnen en arceringen onzichtbaar te maken is het volgende nodig:

  • In Modelspace of Paperspace bekijken: commando <HIDE>
  • In Modelspace (Tilemode=1) plotten:    commando <PLOT>, optie 'Hide lines' gebruiken
  • Bij Paperspace (Tilemode=0) plotten:    commando <MVIEW>, Hideplot, On, selecteer van toepassing zijnde vensters, dan commando <PLOT>


    

De volgende iconen zijn geen ‘normale’ symbolen:

  • Ontruiming:
    8Wat te doen bij brand te plotten A4 1:1
    9Tekenen primaire Vluchtroutetekenen lijn
    10Tekenen secundaire Vluchtroutetekenen lijn
    11Tekenen tertiaire Vluchtroutetekenen lijn
    12Vluchtrichtingklikken op lijn
    13Vrij toegankelijk gebied aangevenarcering gebied
    14Aanduiding Liftschachtplaatsen diagonalen 
  •     Aanvalsplan
    26Wegen bereidbaar alle voertuigenarcering gebied
    27Open water bereikbaar voor autospuitarcering gebied
    28Open water niet bereikbaar voor autospuitrandarcering
    29Trappenhuis tot bovenste verdiepingarcering gebied
    30Aanduiding Liftschachtplaatsen diagonalen
    31Brandweerliftarcering gebied
    32Verticale schacht/kokerarcering gebied

Zie ook:

  • Genereren oppervlakken uit xref
  • Verplaatsen, verschalen en roteren symbolen
  • Symbolen groepsgewijs coderen
  • Verschalen en verplaatsen van attributen


Plaatsen van symbolen

Startpunt: Lege tekening waaraan een Onderlegger-tekening als XREF is gekoppeld.
  1. Selecteer soort plan in menu 'Plan'
    • Ontruiming, Symbolen
    • Brandblusmateriaal
    • Aanvalsplan
    • Brandmelding
    • Waarschuwingstekens
    • Veiligheidsborden/redding
    • Gebodsborden
    • Verbodstekens
  2. Selecteer gewenste symbool in iconenmenu door klikken op de afbeelding of door schuiven met de schuifknop.
    • [ >> ] volgende blad iconenmenu
    • [ << ] vorige blad iconenmenu
  3. Klik op knop [ Plaats ]
  4. Geef plaats invoegpunt aan
    Het symbool wordt geplaatst; de functie is repeterend.
  5. Sluit het plaatsen van (dit symbool) af met <Enter>
    Het iconenvenster wordt opnieuw geopend
    • Ander symbool voor hetzelfde plan plaatsen
      • Ga naar Stap 2
    • Symbool uit ander plan plaatsen
      • Kies ander 'Plan' in het venster
      • Ga naar Stap 2
    • Stoppen met plaatsen symbolen
      • Klik op knop [ Stop ]


Terug naar Inhoudsopgave


Genereren vluchtroute NEN 1414


Algemeen

Vluchtroutes), met een groene band en looprichtingpijlen kunnen op drie manieren worden gezet in de tekening

  • Genereren in modelspace vanuit symbool "U bevindt zicht hier" naar symbolen "Uitgang" of "Vluchtroute" via aangegeven looplijnen.
    Als er meerdere alternatieve routes zijn tussen start- en eindpunt wordt de kortste route gegenereerd.
    Ter plaatse van vertakkingen/splitsingen in de looproutes mogen geen doorgaande lijnen zijn. Als er een doorgaande lijn is zal alleen volgens die doorgaande lijn de vluchtroute worden gegenereerd.
  • Genereren vanuit op een layout geplaatst symbool "U bevindt zicht hier" naar in modelspace geplaatste symbolen "Uitgang" of "Vluchtroute" via aangegeven looplijnen.
    Als er meerdere alternatieve routes zijn tussen start- en eindpunt wordt de kortste route gegenereerd.
    De vluchtroutes worden in modelspace geplaatst op lagen die zijn afgeleid van de layout-naam. De vluchtroutes vanuit de andere layouts moeten door bevriezen van lagen in de viewport uit worden gezet.
    Dit kan alleen als de view niet is geroteerd! 
  • Tekenen van een vluchtroute in modelspace

Zie ook:

  • View roteren in layout.
  • Symbolen automatisch roteren in viewport.


Genereren vluchtroute NEN 1414

Stap 1. Tekenen van de looproutes

  1. Selecteer in menu 'Bewerk' keuze 'Definitie looproutes'
  2. Teken de looproute vanaf symbool "U bevindt zich hier" naar een van de geplaatste symbolen "Uitgang".
  3. Teken alternatieve looproutes vanaf de splitsing met de voorgaande looproutes naar de andere symbolen "Uitgang"
    Let op: de splitsing moet starten op het einde van een lijnstuk.
    Als een aftakking niet op een einde van een lijnstuk aansluit wordt deze aftakking niet herkend bij het genereren van de vluchtroutes.


Stap 2. Plaatsen symbolen "Uitgang"

  1. Klik op knop'Ontruimingsplattegrond...'in menu 'Plan NEN 1414' 
    • Voor de Begane grond-tekening:
      1. Selecteer symbool 'Normale uitgang tevens nooduitgang' op het eerste blad van het icon-menuvenster 'Ontruimingsplan'
      2. Klik op knop [ Plaats ]
    • Voor de verdiepingstekeningen:
      1. Selecteer een vluchtroute-symbool, zoals
      2. Klik op knop [ Plaats ]
  2. Plaats het symbool op de tekening in de buurt van de uitgang(en) van gebouw of verdieping


Stap 3. Plaatsen symbool "U bevindt zich hier"

  • Het symbool kan geplaatst worden in Modelspace of op layouts
    Dit gaat alleen als de view niet is geroteerd! 
  1. Klik op knop 'Ontruimingsplattegrond...'in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer symbool 'U bevindt zich hier' op het tweede blad van het icon-menuvenster 'Ontruimingsplan'
  3. Klik op knop [ Plaats ]
  4. Plaats de pijlpunt op de tekening
  5. De functie is repeterend. Toets <Esc> om de functie te stoppen 
  6. Klik op het geplaatste symbool
    De grips van dit dynamisch symbool worden zichtbaar.
  7. Klik op de blauwe pijl om een links/rechtsspiegeling van de tekstvlag te krijgen
  8. Klik op het blauwe blokje en verschuif de vlag voor een andere positionering van de vlag


Stap 4. Genereren van de vluchtroutes

  • Symbool 'U bevindt zich hier'is geplaatst:
    • In Modelspace: activeer modelspace
    • Op een layout: activeer de betreffende layout
      Dit kan alleen op de layout als de view niet is geroteerd! 
  1. Klik op knop 'Ontruimingsplattegrond...'in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer routine 'Genereer vluchtroute' op het eerste blad van het icon-menuvenster 
  3. Klik op knop [ Plaats ]
    De vluchtroute wordt gegenereerd.
    Als symbolen op tekening staan zullen alleen vluchtwegen naar die symbolen worden gegenereerd.
    Als dit symbool niet op de tekening staat zullen vluchtroutes naar de overige vluchtroutesymbolen worden gegenereerd. 


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen vluchtroute NEN 1414


Algemeen

Vluchtroutes), met een groene band en looprichtingpijlern kunnen op twee manieren worden gezet in de tekening

  • Genereren vanuit symbool "U bevindt zicht hier" naar symbolen "Uitgang" of "Vluchtroute" via aangegeven looplijnen
  • Tekenen van een looplijn

Bij het genereren van de vluchtroute wordt de korste route (van de getekende looplijnen) tussen symbool "U bevindt zicht hier" en symbolen "Uitgang" of "Vluchtroute" als vluchtroute gegenereerd. 

Eventueel gewenste alternatieve routes kunnen worden getekend.


Vluchtroute tekenen

  1. klik op knop 'Ontruimingsplattegrond'  in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer routine 'Tekenen vluchtroute' op het tweede blad van het icon-menuvenster 'Ontruimingsplan' 
  3. Klik op knop [ Plaats ]
  4. Geef het beginpunt van de vluchtroute aan in de tekening
  5. Teken de route
    Bij aangeven van elk hoekpunt wordt het lijnstuk geplaatst als een 1m brede groene band. 
  6. Beëindig het tekenen
    Bij afsluiten van de route worden de looprichtingpijlen in de groene band geplaatst.


Terug naar Inhoudsopgave


Aangeven vluchtroute - klassiek


Algemeen

Bij het maken van ontruimingsplannen hoort het aangeven van de vluchtroute(s). 

De getekende vluchtroute is een lijn, die met de standaard AutoCAD commando’s als MOVE, ERASE, STRETCH, COPY bewerkt kan worden.

  1. Vluchtroute, primair, secundair of tertiair, wordt als lijn getekend
  2. Vluchtrichting wordt d.m.v. pijlpunten op de getekende vluchtroute aangegeven. De richting waarin de lijn is getekend bepaald in eerste instantie de richting van de pijlpunt. Deze richting is te wijzigen.


Tekenen Vluchtroute

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Ontruiming' in menu 'Plan'
  2. Selecteer in iconenvenster:
    • icon 'Primaire Vluchtroute'
    • icon 'Secundaire Vluchtroute'
    • icon 'Tertiaire Vluchtroute' 
  3. Teken de vluchtroute


Plaatsen Vluchtrichtingpijlen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Ontruiming' in menu 'Plan'
  2. Selecteer in iconenvenster 'Vluchtrichting'
  3. Plaats pijlpunt op vluchtroute
    Afhankelijk van de lijn (primair, secundair, tertiair) wordt de pijlpunt op de bijbehorende laag geplaatst; als een verkeerde lijn wordt aangewezen wordt gevraagd of het een primaire, secundaire of tertiaire pijlrichting moet worden
    • De pijlpunt wordt in de tekenrichting van de vluchtroute geplaatst.
  4. vraag: 'Pijl draaien J/N <N>'
    • Pijlpunt staat goed:
      Toets <Enter>
    • Pijlpunt staat verkeerd:
      Toets <J><Enter>
  5. vraag: 'Stoppen J/N <N>'
    • Volgende pijlpunt plaatsen:
      Toets <Enter>
    • Stoppen:
      Toets <J> <Enter>


Terug naar Inhoudsopgave


Genereren oppervlakken uit xref


Algemeen

Als in de gekoppelde bouwkundige tekening ruimtedefinities (polylijnen) aanwezig zijn en ruimtelabels (tekening gemaakt met Onderlegger / Ruimtebeheer) kunnen deze gegevens gebruikt worden om verkeersgebieden en overige gebieden worden gearceerd in de ontruimings- en aanvalstekeningen.

In configuratiebestand Bv.ini is vastgelegd hoe ruimtelabels en verkeersruimten worden herkend:


BV.INI

[Default]

verkeer=*HOR.VERK*

ruimtelabel=FM_RM3

..

  • *HOR.VERK*    attribuut Ruimtesoort bevat "HOR.VERK"
  • FM_RM3    naam van het ruimtelabel

Bv.ini staat in %AppData%\Cadac Group\Techniek 10.x\BHV\I

Als deze gegevens niet aanwezig zijn kunnen de contouren van gebouw en verkeersruimten worden aangewezen. De totale contouren worden daarna gegenereerd.

De contouren kunnen vervolgens worden gearceerd.


Ophalen definitielijnen Verkeer en Contour gebouw

  1. Selecteer menu 'Bewerk'
  2. Selecteer keuze 'Ophalen definitielijnen verkeer en contour uit xref'
  3. Selecteer de xref-tekening waarin de ruimtedefinities staan door aanklikken van een lijn/element op die xref-tekening
    Gemeld wordt dat x gebouwcontourlijnen en y definitielijnen van verkeersruimten zijn opgehaald.


Genereren contourlijnen door aanwijzen van lijnstukken

  1. Selecteer menu 'Bewerk'
  2. Selecteer:
    • Definitie gebouwcontour
    • Definitie verkeersruimten
    • Definitie terreinwegen en parkeerplaatsen
    • Definitie berijdbare wegen
  3. Wijs de begrenzingen van het gebied opvolgend aan
  4. Sluit de selectie af met:
    • <Enter>
      Gevraagd wordt of de definitie beëindigd moet worden. 
    • Toets
      • <J> Ja, gevolgd door <Enter>
        de aangewezen lijnstukken worden naar een aparte laag gekopieerd, verlengd of verkort tot hun snijpunten en omgezet tot een gesloten polylijn.
      • <N> Nee, gevolgd door <Enter>
        U kunt doorgaan met het aanwijzen van lijnstukken.
      • <S> Stop, gevolgd door <Enter>
de aangewezen lijnstukken worden naar een aparte laag gekopieerd, verlengd of verkort tot hun snijpunten en omgezet tot een gesloten polylijn


Terug naar Inhoudsopgave


Arceren verkeersruimten en overige ruimten


Algemeen

Als contourlijnenzijn gegenereerd, of getekend als polylijn, kunnen al deze vlakken worden gearceerd. 

Er kunnen specifieke contourlijnen zijn voor bijv. verkeersgebieden, contouren van gebouwen, die bij uitvoeren van de betreffende functie automatisch worden gearceerd.

Er kunnen contourlijnen zijn, op een willekeurige laag, die bij uitvoeren van een functie, bijv. Open Water, na aanwijzen van de contour gearceerd worden. 

De contourlijnen kunnen rechtstreeks uit de gekoppelde xref-tekening (ruimtebeheer) worden overgehaald, of kunnen zijn gegenereerd door aanwijzen van randlijnen. 

Zie ook Genereren oppervlakken uit xref op bladzijde 40.

De volgende arceringen zijn mogelijk:

  • Verkeersgebieden binnen het gebouw
  • Overige ruimten binnen gebouw; = Gebouwcontour – verkeersruimten
  • Gebouwcontour (Bebouwd oppervlak op terreintekening)
  • Verkeersgebieden op terrein (wegen en parkeerplaatsen)
  • Verkeersgebied buiten terrein (berijdbare wegen)
  • Open water


Arceren Verkeersruimten in gebouw

  • Contouren (polylijnen) voor verkeersruimten moeten aanwezig zijn in de tekening
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overige symbolen' in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer icon 'Verkeersruimten in gebouw' in icon menuvenster 'Overige'
  3. Klik op knop [ Plaats ]
    Alle verkeersruimten worden geel gearceerd (Solid).
  4. Klik op knop [ Stop ] om het venster te verlaten


Arceren overige ruimten in gebouw

  • Contouren (polylijnen) voor verkeersruimten en gebouwcontour moeten aanwezig zijn in de tekening
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overige symbolen'
    in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer icon 'Gebouwcontouren – Verkeersruimten' in icon menuvenster 'Overige'
  3. Klik op knop [ Plaats ]
    De overige ruimten worden grijs gearceerd (Solid).
  4. Klik op knop [ Stop ] om het venster te verlaten


Arceren gebouwcontour

  • Gebouwcontouren (polylijnen) moeten aanwezig zijn in de tekening
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overige symbolen'
    in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer icon 'Gebouwcontouren' in icon menuvenster 'Overige'
  3. Klik op knop [ Plaats ]
    Alle gebouwoppervlakken wordt grijs gearceerd (Solid).
  4. Klik op knop [ Stop ] om het venster te verlaten


Arceren Verkeersruimte op terrein 

  •     Contouren voor verkeersruimten terrein moeten aanwezig zijn in de tekening
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overige symbolen'
    in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer icon 'Wegen/parkeerplaatsen/parkeervakken binnen het terrein' in icon menuvenster 'Overige'
  3. Klik op knop [ Plaats ]
    Alle verkeersgebieden op het terrein worden grijs gearceerd (Solid).
  4. Klik op knop [ Stop ] om het venster te verlaten


Arceren berijdbare wegen buiten het terrein 

  • Contouren voor berijdbare wegen moeten aanwezig zijn in de tekening
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Overige symbolen'
    in menu 'Plan NEN 1414'
  2. Selecteer icon 'Berijdbare weg' in icon menuvenster 'Overige'
  3. Klik op knop [ Plaats ]
    Alle berijdbare wegen worden groen gearceerd (Solid).
  4. Klik op knop [ Stop ] om het venster te verlaten


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen gebiedsarceringen


Algemeen

Gebieden op de tekening kunnen gearceerd worden. Hiervoor zal eerst een gebied aangegeven moeten worden. 

Een gebied (polylijn) kan worden bepaald door het aanwijzen van opeenvolgende lijnen, of door het tekenen van een polylijn.

De volgende standaard arceringen zijn beschikbaar:

  • Gebiedsarceringen
    • Verhard terrein, bereidbaar voor voertuigen
    • Open water, bereikbaar voor voertuigen
    • Andere gebiedsaanduidingen
  • Open water, niet bereikbaar voor voertuigen
  • Vrij toegankelijk gebied (Ontruimingsplan)
Alle arceringen kunnen worden gewijzigd, behalve die voor 'Open water' en 'Open water, niet bereikbaar voor voertuigen'
De standaard AutoCAD-arceringen kunnen ook met AutoCAD commando’s <HATCH> en <BHATCH> worden geplaatst. Met die commando’s wordt de arcering echter niet automatisch op de juiste laag geplaatst!


Zie ook:

Wijzigen gebiedsarceringen.


Gebiedsarceringen: Grenslijnen van gebied aanwijzen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Gebied Definitie door lijn Selectie' in menu 'Bewerk' 
  2. Wijs de grenslijnen opeenvolgend aan.
  3. Toets <S> gevolgd door <Enter>om te stoppen
    De aangewezen grenslijnen worden zonodig verlengd of verkort tot het  snijpunt met de volgende grenslijn; een contourlijn (p[olylijn) wordt over de grenslijnen geplaatst op op laag FL7-----_Overigen.


Gebiedsarceringen: Grenslijnen van gebied tekenen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Gebied Definitie door Lijn plaatsen' in menu 'Bewerk' 
  2. Teken de grenslijnen, gebruik hierbij de ObjectSnap-modes
  3. Type <C> (voor Close; het sluiten van het gebied)
  4. Selecteer een arceerkleur in het popupvenster 'Select color' en klik op knop [ OK ]
    De contourlijn wordt geplaatst op laag FL7-----_Overigen.
    Een ruitjesarcering met de gekozen kleur wordt geplaatst.


Gebiedsarceringen: Verhard terrein aangeven

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Aanvalsplan' in rolmenu 'Plan'
  2. Selecteer 'Arcering Verharding' (icon 26) in iconenmenu
  3. Wijs grenslijngebied aan


Gebiedsarceringen: Open water aangeven

  • Plan NEN 1414
    1. Klik op knop
      of
      selecteer 'Overige symbolen'
      in menu 'Plan NEN 1414'
    2. Selecteer 'Arcering Open water' in het iconenmenu
    3. Wijs grenslijn gebied aan
  • Klassiek
    1. Klik op knop
      of
      selecteer 'Aanvalsplan' in menu 'Plan'
    2. Selecteer 'Arcering Open water' in iconenmenu
    3. Wijs grenslijn gebied aan


Gebiedsarceringen: Gebied arceren

  • Een gebied is reeds bepaald, of een polylijn is geplaatst
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Gebied arceren' in menu 'Bewerk'
  2. Kies kleur voor arcering
  3. Wijs grenslijn gebied aan
    Een ruitjesarcering met de gekozen kleur wordt geplaatst.


Open water, niet bereikbaar voor voertuigen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Aanvalsplan' in menu 'Plan'
  2. Selecteer 'Open water, niet bereikbaar voor voertuigen' in het iconenmenu
  3. Teken lijn
    Lijn wordt getekend als reeks ‘XXXXXX’


Vrij toegankelijk gebied (Ontruimingsplan)

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Ontruiming' in menu 'Plan'
  2. Selecteer 'Vrij-toegankelijk' in vervolgmenu 
  3. Selecteer Type plan:
    • Aanvalsplan
    • Ontruiming
    • Brandbestrijding
  4. Teken de grenslijnen
    Gebruik hierbij de ObjectSnap-modes
  5. Type <C>, voor  Close; het sluiten van het gebied.
  6. Kies kleur voor arcering


Terug naar Inhoudsopgave


Wijzigen gebiedsarceringen


Algemeen

Arceringen die geplaatst zijn vanuit menu Bewerk, Arceren gebied, en vanuit Plan, Aanvalsplan, Arcering verharding, kunnen worden aangepast:

  • schaal
  • rotatiehoek

type Niet gewijzigd kunnen worden:

  • Open-Water arcering;
  • Arceringen die met het AutoCAD-commando <HATCH> of <BHATCH> zijn geplaatst.

Bij het wijzigen van de arcering wordt gebruik gemaakt van het AutoCAD-commando <HATCHEDIT>. Hierbij wordt automatisch de begrenzing gesteld van het gebied rond het aangewezen punt.

Als er een referentietekening aanwezig is kan het wijzigen van de arcering enige tijd in beslag nemen


Gebiedsarceringen wijzigen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Arcering wijzigen' in menu 'Bewerk'
  2. Wijs de te wijzigen arcering aan
  3. Geef de wijzigingen op in venster 'HatchEdit'
  4. Klik op knop [ Preview ] om het resultaat te controleren
  5. Pas zonodig de spacing (verschaling) aan
  6. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Verplaatsen, verschalen en roteren symbolen


Algemeen

Geplaatste symbolen kunnen worden verschaald en geroteerd. Hierbij is het mogelijk de verschaling of rotatie van een referentiesymbool over te nemen voor gelijke geselecteerde symbolen.

Zet ORTHO Aan;

Bij hoeken ongelijk aan 0° of 90° kan de snapangle (<SNAPANG>) worden aangepast, waardoor ORTHO in de aangegeven richting werkt.

De verschaling is in feite t.o.v. de standaard tekenschaal 1:1 en heeft als zodanig niets te maken met de uiteindelijke plotschaal.

De verschaling en rotatie gebeuren t.o.v. het invoegpunt van de afzonderlijke symbolen. De bewerking kan plaats vinden op:

  • één symbool
  • alle symbolen van één type binnen een aan te geven gebied
  • alle symbolen van één type met een bepaald attribuut binnen een aan te geven gebied

Het verplaatsen en verwijderen van symbolen kan met de standaard AutoCAD commando’s gebeuren. In menu 'Bewerk', 'AutoCAD Bewerkingen' zijn de commando’s te vinden; hierbij moet een (laag)filter worden opgegeven. Bij selectie van symbolen worden dan alleen de symbolen op die laag bewerkt.


Zie ook:

  • View roteren in layout.
  • Symbolen automatisch roteren in viewport.


Verschalen symbolen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verschalen' in menu 'Bewerk' en vervolgmenu 'Symbolen' 
  2. Wijs symbool aan voor bepaling type (referentiesymbool)
  3. Selecteer te verschalen symbo(o)l(en)
    De huidige schaalfactor van het referentiesymbool wordt getoond in het venster
  4. Vul in het dialoogvenster de verschaling in, met knoppen of door intypen schaal
    De verschaling is absoluut; dus niet t.o.v. de huidige grootte.
    Hoogte op tekening moet zijn: minimaal 7 mm.
  5. Klik op knop [ OK ]


Roteren

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Roteren' in menu 'Bewerk' en vervolgmenu 'Symbool'
  2. Wijs symbool aan voor bepaling type (referentiesymbool)
  3. Selecteer te roteren symbo(o)l(en)
    De rotatie van het referentiesymbool wordt in het venster getoond
  4. Vul in het dialoogvenster de nieuwe rotatie in, met knoppen of door intypen
    De rotatie is absoluut; dus niet t.o.v. de huidige rotatie
  5. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Vervangen van symbolen


Algemeen

Reeds geplaatste symbolen kunnen worden vervangen. Dit kan op 2 manieren gebeuren:

  • Op tekening geplaatst symbool te vervangen door een nieuw symbool. Het nieuwe symbool komt (nog) niet op tekening voor.
  • Op tekening geplaatst symbool te vervangen door een ander op de tekening voorkomend symbool.

De stand (rotatie) en de coderingen van het oude symbool worden overgenomen, evenals de relatieve verschaling t.o.v. het referentiesymbool.

   

Vervangen symbolen door nieuwe symbolen

  1. Selecteer Soort plan in menu:
    • Plan NEN-EN-ISO 7010
    • Menu Plan NEN 1414
      of
      Toolbar Plan NEN1414
    • Menu Plan NEN 3011
      of
      Toolbar Plan 3011
    • Menu Plan
      of
      Toolbar Plan
  2. Selecteer nieuwe symbool in iconenvenster
  3. Klik op knop [ Vervang ]
  4. Selecteer op tekening het type te vervangen symbolen (referentie-symbool)
  5. Selecteer op tekening de te vervangen symbolen


Vervangen symbolen door op tekening staand symbool

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Vervangen' in menu 'Bewerk' en vervolgmenu 'Symbolen'
  2. Selecteer de te vervangen symbolen
  3. Selecteer het te vervangen type symbool (referentie-symbool)
    Als het referentiesymbool een andere verschaling heeft als de te vervangen symbolen, wordt dat verschil overgenomen bij het vervangen.
  4. Selecteer het nieuwe symbool.


Terug naar Inhoudsopgave


Symbolen groepsgewijs coderen


Algemeen

Symbolen kunnen worden gecodeerd. Hierbij kan worden aangegeven welke codes zichtbaar of onzichtbaar moeten worden, en welke attributes moeten worden ingevuld. Tevens kan d.m.v. opgave van filters verfijnde selecties worden gemaakt.

Zie ook:

  • Verschalen en verplaatsen van attributen.
  • Nummeren van symbolen.


Symbolen groepsgewijs coderen

  • De symbolen zijn reeds geplaatst
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Symbolen Coderen' in menu 'Bewerk'
  2. Wijs te coderen type symbool aan (referentie-symbool)
  3. Geef in venster 'Coderen'op:
    • welke attributes moeten worden gevuld of gewijzigd
    • wat de waarde van die attributes moeten zijn
    • welke attributes zichtbaar gemaakt moeten worden
  4. Geef eventueel filteropties op om specifieke symbolen te selecteren
  5. Kik op knop [ OK ]
  6. Selecteer te coderen symbolen


Terug naar Inhoudsopgave


Nummeren van symbolen


Algemeen

Symbolen kunnen per stuk verschillend of per groep worden genummerd.

De functie laat verschillende nummeringsmethodieken toe.

 

Symbolen nummeren

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Doornummeren' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer een symbool van het type dat genummerd moet worden
  3. Vul gegevens in:
    • Knop [ Een symbool per nummer ](= voor aanwijzen enkel te nummeren symbool)
      Het toe te wijzen nummer verschijnt onder in het commandoveld.
      1. Wijs te nummeren symbool aan
        Het volgende toe te wijzen nummer verschijnt onder in het commandoveld.
      2. Wijs het volgende symbool aan
        of
        toets <Esc> om te stoppen
    • Knop [ Selectie ] (=    voor selecteren meerdere identiek te nummeren symbolen)
      Het toe te wijzen nummer verschijnt onder in het commandoveld.
      1. Selecteer de te nummeren symbolen
        Het volgende toe te wijzen nummer verschijnt onder in het commandoveld.
      2. Selecteer de volgende symbolen
        of
        toets <Esc> om te stoppen


Terug naar Inhoudsopgave


Wijzigen en vervangen attribuut


Algemeen

De inhoud van attributen van gelijke symbolen kunnen groepsgewijs worden gewijzigd. Ook een deel van de tekst kan worden vervangen.

In feite kan met deze functie een teken vervangen worden door een of meerdere andere tekens; het attribute moet dus reeds gevuld zijn.

Voor het aanpassen van alle attributen van een symbool:
Gebruik het standaard AutoCAD-commando <DDATTE> of knop .

Attributen wijzigen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig attribuut' in menu 'Algemeen' en vervolgmenu 'Teksten en attributen'
  2. Selecteer het symbool waarvan een attribuut moet worden gewijzigd
  3. Geef in venster 'Wijzig Attribute'op:
    • Het te wijzigen attribuut
      De inhoud van het attribuut wordt getoond.
    • De te vervangen tekenreeks
    • De nieuwe tekenreeks
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle symbolen waarvan het attribuut op dezelfde wijze moet worden gewijzigd.


Terug naar Inhoudsopgave


Tonen gegevens


Algemeen

De gegevens van een symbool kunnen worden bekeken.

In het dialoogvenster kunnen eveneens gegevens worden gewijzigd. Coderingen kunnen ook groepsgewijs worden gewijzigd.

Door dubbelklikken op een symbool verschijnt venster Enhanced Attribute Editor.

Zie ook:

  • Verschalen en verplaatsen van attributen.
  • Nummeren van symbolen.


Gegevens tonen

  • De symbolen zijn reeds geplaatst.
  1. klik op knop
    of
    selecteer 'Tonen Gegevens' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer symbool
  3. Wijzig in venster 'Edit Attributes' eventueel gegevens
  4. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Verschalen en verplaatsen van attributen


Algemeen

De zichtbare coderingen van symbolen kunnen worden verschaald. 

De positie van de attributen kan worden gewijzigd; hierbij worden de attributen altijd geroteerd tot ze horizontaal staan. Alle (zichtbare) attributen van het symbool worden tezamen verplaatst.


Verschalen van attributen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Attributen verschalen' in menu 'Bewerk',
  2. Selecteer het symbool waarvan de attributen verschaald moeten worden
  3. Geef de nieuwe teksthoogte (op de plot) op in het pop-up-venster.
  4. Klik op knop [ OK ]


Verplaatsen van attributen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Rangschikken attributen' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer het symbool van de te verplaatsen attributen
  3. Geef de nieuwe positie van de attributen op


Terug naar Inhoudsopgave


Schakelen tussen ModelSpace en PaperSpace


Algemeen

Getekend moet worden in Modelspace (werkzijde). Dit gebeurt 1:1. Pas bij het <PLOT> commando (in modelspace) wordt een plotschaal aangegeven. Modelspace is de standaard-mode van AutoCAD.

In Paperspace (Layout - papierzijde), te vergelijken met een passepartout, kan bij een op te geven papierformaat de tekening in een of meerdere vensters zichtbaar gemaakt worden. Voor elk venster kan afzonderlijk een schaal worden opgegeven. In paperspace moet dan ook het stempel worden geplaatst, met de formaat- en schaalgegevens die horen bij het opgegeven papierformaat. Bij het <PLOT> commando in paperspace wordt als schaal altijd 1:1 opgegeven. In de vensters is immers al de verschaling vastgesteld.


Bij gebruik van Xref-tekeningen worden alle gegevens van de papierzijde van de Xref-tekeningen onzichtbaar. Men heeft dan dus geen last van over elkaar vallende stempels.


Bij het aanmaken van een nieuwe tekening, en bij het wijzigen van het kader kan ingesteld worden op er van Paperspace/Layout gebruik gemaakt moet worden.

Als gebruik gemaakt wordt van Paperspace/Layout, moeten tevens vensters aangemaakt in paperspace, met bijbehorende hulpkaders in Modelspace. Hiermee is de verschaling van de tekening binnen het venster te regelen.

Zie ook:

  • Handleiding NOR-Algemeen.
  • Printen/Plotten tekening.
  • View roteren in layout.


Schakelen van modelspace naar paperspace

  1. Klik op knop [ Paper ] onder in de statusregel
    of
    selecteer het Tabblad van de betreffende Layout
    • WCS-icon vervangen door driehoekig icon
    • Knop [ Model ] wijzigt in [ Paper ]


Schakelen van paperspace naar modelspace

  • Paperspace-moet onzichtbaar worden.
  1. Selecteer het Tabblad 'Model'
    • Driehoekig-icon vervangen WCS-icon
    • Knop [ Paper ] wijzigt in [ Model ]


Schakelen van paperspace naar modelspace-venster

  • Paperspace-zijde moet wel zichtbaar blijven.
  1. Klik op knop [ Model ]
    of
    dubbelklik in het betreffende modelspace venster
    • Binnen paperspace wordt het modelspace-venster actief
    • Driehoekig-icon vervangen door WCS-icon in het ms-venster
    • Knop [ Paper ] wijzigt in [ Model ]


Terug naar Inhoudsopgave


Breken en helen van lijnen


Algemeen

Tijdens het bewerken van een tekening kunnen 2 lijnstukken t.p.v. de onderlinge kruising in ‘stukken’ worden gebroken. Dit kan nodig zijn voor het aanbrengen van arceringen. Dit gebeurt met de optie 'Breek-lijn'.

Het kan nodig zijn om in stukken gebroken lijnen weer tot één lijn om te vormen. Dit gebeurt met de optie 'Heel-lijn'.


Lijnen in stukken breken t.p.v. onderlinge kruising

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Lijnen Breken' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer de eerste lijn.
  3. Selecteer de tweede lijn.
    De twee lijnen zijn ter plaatste van hun kruising ‘gebroken’ in totaal 4 lijnstukken.


Lijnstukken omzetten in enkele lijn

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Lijnen Helen' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer alle lijnen die geheeld moeten worden
    Alle gebroken lijnen zijn weer ‘heel’ gemaakt: lijnen moeten in elkaars verlengde liggen en op dezelfde laag staan. De lijnen mogen een verschillende kleur hebben.


Terug naar Inhoudsopgave


Bepalen afstanden


Algemeen

Het is mogelijk snel een afstand te bepalen op de tekening.


Afstandsbepaling

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Afstand' in menu 'Maatvoering'
  2. Wijs beginpunt aan op tekening
  3. Wijs tweede punt aan op tekening
    De afstand wordt, in mm, in het commandoveld getoond.


Terug naar Inhoudsopgave


Markeren en zoeken nulpunt tekening


Algemeen

Bij het koppelen van tekeningen (XREF) moeten de tekeningen onderling gepositioneerd worden. De nulpunten van de afzonderlijke tekeningen hoeven daarbij niet noodzakelijkerwijs dezelfde te zijn.

  • Bij verschillende tekeningen van 1 gebouw (bouwkundig, elektra etc. en de verschillende verdiepingen) vallen alle nulpunten bij voorkeur op elkaar;
  • Bij een terreintekening zullen de de gekoppelde tekeningen van de afzonderlijke gebouwen over het algemeen hun eigen nulpunt hebben, dat dan niet samenvalt met het nulpunt van de terreintekening.

Na positionering van de XREF-tekening is het mogelijk het nulpunt te wijzigen van de beveiligingstekening.

Nadat het nulpunt is aangepast is het mogelijk dit op te zoeken; het nulpunt wordt d.m.v. een pijl aangewezen.


Markeren Nulpunt

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Nulpunt Plaatsen' in menu 'Xref'
  2. Selecteer b.v. het invoegpunt van de onderleggertekening met OSNAPMODE <INS> (INSert)


Zoeken Nulpunt

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Nulpunt Zoeken' in menu 'Xref'
    • Een pijl wordt geplaatst die wijst naar het nulpunt
      Een markeringssymbool (Point) wordt geplaatst op het invoegpunt;
      Het nulpunt van de tekening (0,0,0) wordt daar naar toe verlegd.


Opmerking

De ‘zoek’pijl moet met <ERASE> worden verwijderd.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen noordpijl


Algemeen

Op de tekening kan een noordpijl worden geplaatst. Deze wordt altijd geplaatst in modelspace.

Indien u een eigen noordpijl wil gebruiken kunt u deze onder de naam Bqnrdpl2.dwg plaatsen in map:
C:\Program Files (x86)\Cadac Group\Techniek 10.x\Lib.
Deze noordpijl wordt dan geplaatst met knop .


Met knop  wordt onderstaand iconenmenu opgeroepen:


Plaatsen Noordpijl

  1. Klik op knop:

    • of
      selecteer 'Noordpijl' in menu 'Representatie'

    • of
      selecteer 'Plaats Noordpijl' in menu 'Algemeen' en vervolgmenu 'Symbolen'
  2. Klik op knop [ Plaats ]
  3. Plaats de Noordpijl op de tekening en geef de rotatie op 
    De Noordpijl wordt automatisch in de modelspace-omgeving van de tekening geplaatst.
  4. Plaats de volgende Noordpijl
    of
    Klik op knop [ Stop ] om te stoppen.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen schaallat


Algemeen

Op de tekening kan een schaallat worden geplaatst. Deze moet worden geplaatst in Modelspace. 

Schaallatten van verschillende lengten zijn beschikbaar:

  • 5 m
  • 10 m
  • 25 m


Plaatsen schaallat

  1. Klik op knop:

    • of
      selecteer 'Schaallat' in menu 'Representatie',

    • of
      selecteer 'Plaats schaallat' in menu 'Algemeen' en vervolgmenu 'Symbolen'
  2. Selecteer type schaallat in iconenmenu
  3. Klik op knop [ Plaats ]
  4. Plaats de schaallat op de tekening
    De schaallat wordt automatisch in de modelspace-omgeving van de tekening geplaatst.
  5. Plaats de volgende schaallat
    of
    Klik op knop [ Stop ] om te stoppen.


Terug naar Inhoudsopgave


Wijzigen stempelgegevens


Algemeen

Voor het aanpassen van de stempelgegevens kan de standaardfunctie <DDATTE> gebruikt worden.

Het stempel komt in Paperspace staan.

Welk stempel op tekening komt te staan bij het opzetten van de tekening wordt geregeld in het bestand %AppData%\Cadac Group\Techniek 10.x\Bhv\i\Bv_pap.ini.


Wijzigen stempelgegevens

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Tonen gegevens' in menu 'Bewerk'
  2. Wijzig de stempelgegevens
    Met knop [ Previous ] en [ Next ] kan naar het vorige of volgende scherm gegaan worden.
  3. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Aanmaken legenda


Algemeen

Het aanmaken van een legenda gebeurt half-automatisch; nadat u symbolen voor de legenda heeft geplaatst kunnen de verklarende teksten er automatisch naast worden geplaatst.

De omschrijvingen van de symbolen staan in bestand %AppData%\Cadac Group\Techniek 10.x\Bhv\i\Bv_sym.ini.

Een legenda kan ook gegenereerd worden. Binnen NOR BHV wordt dan gesproken over een renvooi.

Zie ook:

  • Plaatsen en bijwerken renvooi
  • Renvooi plaatsen
  • Renvooi aanmaken
  • Bestanden met Standaardinstellingen


Aanmaken legenda

  1. Plaats of kopieer de voor de legenda benodigde symbolen
  2. Klik op knop
    of
    selecteer 'Legenda' in menu 'Representatie'
  3. Wijs symbool aan
  4. Geef horizontale positie van de tekst aan
  5. Toets <Enter> voor volgende symbool


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen en bijwerken renvooi


Algemeen

Op de tekening kan een renvooi van aanwezige symbolen worden aangemaakt. Twee varianten zijn mogelijk: 

  • Een standaard renvooi inclusief kader:
    Vanuit menu 'Representatie', keuze 'Plaats Renvooi'. Hierbij wordt een te kiezen renvooikader geplaatst en gevuld met de in de tekening aanwezige symbolen.
    • Als het renvooi in Modelspace wordt geplaatst wordt rekening gehouden met de opgegeven plotschaal. Bij het starten (aanmaken) van de tekening kan dat worden opgegeven. De schaal wordt opgeslagen in de variabele USERR1
    • Bij plaatsing op een Layout wordt de legenda 1:1 geplaatst
  • Variabel in te delen renvooi: met aantal symbolen, laagnaam en blocknaam, omschrijving.
    Vanuit een telvenster (menu Representatie, keuze Symboollijst) kan een lijst geselecteerde symbolen in renvooi gezet worden.
    • Zie ook: Plaatsen lijst symbolen


Als na het plaatsen van het renvooi symbolen worden toegevoegd of verwijderd moet het renvooi worden bijgewerkt.


Renvooi plaatsen

  1. Maak modelspace of de layout actief waarop het renvooi moet worden geplaatst
  2. klik op knop
    of
    selecteer 'Plaats Renvooi' in menu 'Representatie'
  3. Selecteer het gewenste renvooi in het popup-venster
    Voor gebruik andere renvooien en/of inrichting van het renvooi: zie en inrichting
  4. Plaats het renvooi op tekening
Het renvooi wordt gevuld met de op tekening voorkomende symbolen.
De verschillende vluchtroutesymbolen worden met 1 symbool in het renvooi weergegeven.


Renvooi bijwerken

  1. Klik op knop  
    of
    selecteer 'Bijwerken Renvooi' in menu 'Representatie'
  2. Selecteer het bij te werken renvooi
    Het renvooi wordt bijgewerkt.


Renvooi aanmaken

  1. Klik op de knop  
    of
    selecteer 'Symboollijst' in menu 'Representatie'
  2. Selecteer de te tellen symbolen
    of
    toets <Enter>om alle symbolen in de selectie op te nemen
    Venster 'Aantal Symbolen voor Renvooi' verschijnt, met daarin:
    alle geselecteerde symbolen, met blocknaam, omschrijving en plaatsingslaag.
  3. Vink in het venster aan: Getotaliseerd
  4. Selecteer in het venster welke symbolen in het renvooi moeten komen
    Als identieke symbolen op verschillende lagen staan komen deze apart in de lijst.
  5. Sorteer de lijst eventueel (op een andere kolom)
    • Klikken op kolomkop sorteert, een tweede keer klikken draait de volgorde om
    • Klikken met <Shift> in gedrukt op een andere kolomkop geeft een subsortering
  6. Klik op knop [ Renvooi ]
  7. Vink in het venster aan welke gegevens moeten worden geplaatst:
    • Symbool
    • Aantal
    • Laagnaam
    • Blocknaam
    • Omschrijving 
  8. Geef de teksthoogte (op papier) op
  9. Klik op knop [ OK ]
  10. Geef en invoegpunt en rotatie op
    Voor het verversen van het renvooi moet het bestaande renvooi worden verwijderd en moet het renvooi opnieuw worden aangemaakt.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen lijst symbolen


Algemeen

De symbolen op tekening kunnen worden geteld en al dan niet getotaliseerd in een lijst op tekening gezet worden, of geprint of naar een bestand geschreven worden.

Vanuit dit venster kan ook een renvooi aangemaakt worden waarbij kan worden of de symbolen, aantal, laagnaam, blocknaam en omschrijving moeten worden geplaatst.

Hierbij kunnen alle symbolen meegeteld worden of slechts een selectie aan symbolen.

Kolommen kunnen onzichtbaar worden gemaakt door ze te versmallen. De lijst kan worden gesorteerd door te klikken op de betreffende kolomkop. 


Lijst symbolen aanmaken

  1. Klik op de knop
    of
    selecteer 'Symboollijst' in menu 'Representatie'
  2. Selecteer de te tellen symbolen
    of
    toets <Enter>om alle symbolen in de selectie op te nemen
    Venster 'Aantal Symbolen voor Renvooi' verschijnt, met daarin:
    alle geselecteerde symbolen, met blocknaam, omschrijving en plaatsingslaag.
  3. Vink in het venster aan: Getotaliseerd
  4. Voor plaatsen op tekening: 
    • kies een tekststijl
    • vink eventueel 'Rasterlijnen' aan
  5. Klik op knop [ Tekening ]
  6. Positioneer het vak op de tekening
    De lijst wordt op tekening geplaatst.
    Venster 
    'Aantal symbolen voor Renvooi' wordt weer geactiveerd.
  7. Klik op knop [ OK ] of [ Annuleren ] om het venster te verlaten


Layout van lijst aanpassen

  • Venster 'Aantal Symbolen voor Renvooi' is actief

De volgende acties zijn mogelijk:

  • Sorteren
    • Oplopend: 1 x klikken op de kolomkop
    • Aflopend: 2x klikken op de kolomkop
    • Subsortering: klik met <Ctrl> ingedrukt op de kolomkop 
  • Kolombreedte aanpassen
    • Versleep de rechter rand van de kolomkop
  • Kolom onzichtbaar/zichtbaar maken
    • Versleep de rand van de kolomkop tot de kolom onzichtbaar is
  • Kolom verplaatsen
    • Kolomkop verslepen naar gewenste positie


Markeren symbolen vanuit lijst

  • Venster 'Aantal Symbolen voor Renvooi' is actief
  1. Selecteer de regel waarvan het symbool/de symbolen gemarkeerd moeten worden.
  2. Klik op knop [ Markeer ]
    Op tekeningen worden de geselecteerde symbolen aangewezen met een grote pijlpunt.
  3. Toets <Enter> om terug te keren in venster 'Aantal Symbolen voor Renvooi'


Markering bij de symbolen verwijderen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verwijder markering' in menu 'Representatie'
    De markeringen worden verwijderd.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen Xref-Status


Algemeen

De beveiligingstekening is vaak opgebouwd uit meerdere gekoppelde referentie-tekeningen. (XREF)

Door het plaatsen van de XREF-status wordt aangegeven:

  • Welke XREF-tekeningen gebruikt zijn;
  • Op welk punt deze in de tekening zijn ingevoegd en met welke verschaling en rotatie.

Handmatig kan vervolgens een revisieletter en -datum worden opgegeven.

Als paperspace gebruikt wordt, wordt de Xref-status in Paperspace geplaatst, naar keuze linksonder of linksboven.

TekeningnaamPositieSchaal-xSchaal-yRotatieRev.Datum
NOR-N0.DWG0,0110--
C:\Program Files\Nordined\Techniek 9.0\Bhv\S\Nor_tt3.dwg190,5110--
Alle XREF-koppelingen worden getoond, ook die met betrekking tot het stempel (zoals b.v. vast gedeelte met vignet, vaste teksten en lijnen) 


Plaatsen Xref-status

Alle Xref-tekeningen zijn geplaatst; kader is in paperspace geplaatst.
  1. Selecteer 'Xref-Status Boven' of 'Xrefstatus Onder' in menu 'Xref'
    of
    klik op knop:
    • Onder: voor plaatsing links tegen onderrand van Modelspace-venster
    • Boven: voor plaatsing links tegen bovenrand van Modelspace-venster


Aanvullen Xref-status gegevens

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Wijzig tekst' in menu 'Algemeen' en vervolgmenu 'Teksten en Attributen'
  2. Wijzig de gegevens Rev. en Datum


Terug naar Inhoudsopgave


View roteren in layout


Algemeen

In een aantal gevallen zal de tekening moeten worden geroteerd om de juiste oriëntatie te krijgen als de tekening op een wand moet worden geplaatst.

Dit kan d.m.v. het instellen van een user coördinatenstelsel, het benoemen van een view en beide aan elkaar te koppelen.

Een eenvoudiger manier is middels het commando <MVSETUP>. Deze methode wordt hier beschreven.


Als symbolen in de volledige tekening in modelspace (tabblad Model) zijn geplaatst, kunnen per layout, in de viewports, de tekening worden geroteerd; Symbolen die alleen in één viewport voorkomen kunnen dan geroteerd worden met de BHV-bewerkingsfuncties, zodat de symbolen weer “leesbaar” worden.


Roteren viewport op layout (met MVSETUP)

  1. Activeer de betreffende layout
  2. Typ   mvsetup   gevolgd door <Enter>
  3. Typ   a   (van Align) gevolgd door <Enter>
  4. Typ   r   (van Rotate) gevolgd door <Enter>
  5. Als er meerdere viewports aanwezig zijn: activeer de gewenste viewport
  6. Geef het basispunt voor de rotatie op
  7. Geef de rotatie(hoek) op (t.o.v. de stand in modelspace)
    In de viewport roteert de tekening.
  8. Sluit het commando af met 2x <Enter>


Terug naar Inhoudsopgave


Symbolen automatisch roteren in viewport


Algemeen

Bij het roteren van een viewport op een layout roteren de symbolen mee. Een aantal symbolen moeten echter "rechtop" blijven staan.

Met de functie Bewerk, Roteren zijn symbolen in Modelspace om hun invoegpunt te roteren. Bij ontruimingsplattegronden kan het echter voor komen, dat een symbool in meerdere viewports en bij verschillende rotaties zichtbaar is.

Vanaf AutoCAD versie 2008 is het mogelijk symbolen automatisch rechtop te zetten in viewports op een Layout.

Hiervoor moeten de symbolen annotatief gemaakt worden en vervolgens uitlijnend op de layout (Match block orientation to layout). Nadat symbolen zijn geplaatst in Modelspace kunnen deze met het commando <BLOCK> worden aangepast.

Let op: Als dit wordt uitgevoerd op een dynamisch block verliest het dynamisch block de dynamische eigenschappen en wordt een gewoon block!




Symbolen zelf-roterend maken

  • Symbolen reeds in tekening geplaatst
Let op: Niet uitvoeren op dynamische blocks!
  1. Type commando  BLOCK
  2. Selecteer in venster 'Block Definition' het gewenste symbool
  3. Vink aan in vak 'Behavior':
    • Annotative
    • Match block orientation to layout
  4. Klik op knop [ OK ]
    In een popvenster verschijnt de melding dat het block al is gedefinieerd en x-keer voorkomt in de tekening. Moet de block definitie en de voorkomende symbolen worden aangepast?
  5. Klik in het popupvenster op knop [ Yes ]
Alle voorkomens van het aangepaste symbool worden geherdefinieerd. Deze symbolen zullen worden uitgelijnd (rechtop gezet) in geroteerde viewports.


Inregelen zelf-roterende symbolen voor nieuwe tekeningen

Het uitlijnen van de symbolen in een viewport wordt niet bij de symbolen zelf opgeslagen, maar in de z.g. block table in de actieve tekening: dit moet dus in elke (nieuwe) tekening opnieuw gebeuren.
Met gebruik van een aangepaste template (.dwt) kan dit omzeild worden.
  1. Start een nieuwe tekening
  2. Plaats daar alle symbolen in die zelf-roterend moeten worden
  3. Wijzig de block definities per symbool met het commando <BLOCK>
    1. Selecteer in venster 'Block Definition' het gewenste symbool
    2. Vink aan in vak 'Behavior':
      • Annotative
      • Match block orientation to layout
        Let op: Niet uitvoeren op dynamische blocks!
  4. Verwijder de symbolen met het commando <ERASE>
  5. Richt zonodig één of meerdere layout's in met stempel, standaard legenda etc.
  6. Bewaar de tekening met <SAVEAS>als template file (.dwt), bijvoorbeeld als BHV-NPQ.dwt
    1. Bij het opslaan kan een omschrijving worden opgegeven
    2. De template file wordt opgeslagen in de standaard Template map (van de actieve AutoCAD-versie).
      Bij AutoCAD 20XX:
      C:\Gebruikers\<user>\AppData\Local\Autodesk\AutoCAD 20XX\R2X\enu\Template


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld