Naar hoofdinhoud

E LT -04- Elektra tekening - TheModus Suite LT (Nordined LT)

How to - Elektra LT

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Elektra tekening

Plaatsen van symbolen


Na keuze van het type installatie Groep 61 Centraal, 62 Kracht, 63 Licht, 64 Communicatie of 65 Beveiliging en daarbinnen de subgroep kunnen de symbolen gekozen en geplaatst worden.

In een submenu kan via knop Hoofdmenu het 1e iconenvenster opgeroepen worden.

Zie ook: Zoekfuncties voor standaard symbolen


Het laatst gekozen symbool wordt gedurende de sessie onthouden: dit symbool kan altijd direct met de knop [ Plaats ] of [ Speciaal ] op de tekening worden geplaatst.


Verschillende speciale plaatsingsmogelijkheden bestaan daarvoor:

  • plaatsen met standaard AutoCAD plaatsingshulpmiddelen;
  • 1 of meerdere symbolen op een wand;
    • Bij ASP’s en WCD’s is de default afstand = 3 mm
    • Bij armaturen is de default afstand = 5 mm 
    • Bij Verdelen op wand kan bij opgave H.O.H.=0 op tekening het begin- en eindpunt van de verdeling worden opgegeven
  • meerdere symbolen gelijkmatig verdeeld over de aan te geven ruimte;
  • meerdere symbolen midden in ruimte, op aan te geven afstand van elkaar.
  • Het laatst geplaatste type symbool kan opnieuw gekozen worden voor plaatsing met de knop [ Plaats ]/[ Speciaal ].


Bij [ Opties ], [ Algemene instellingen ] kan aangegeven worden dat na het plaatsen van een symbool of reeks symbolen direct het codeer-venster verschijnt om de symbolen te coderen.

    

Plaatsen symbool zonder speciale opties

  1. Selecteer gewenste installatie-groep links in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer gewenste installatie-subgroep midden in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  3. Kies in Rolmenu gewenste type symbool
  4. Kies in iconenmenu en eventueel het vervolg-iconenmenu het symbool
  5. Klik op knop [ Plaats ] 
  6. Plaats symbool en geef de rotatie op
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster


Plaatsen 1 symbool op wand

 

 


  1. Kies symbool via knoppenbalk (installatiegroep) en vervolgens in iconenvenster
  2. Klik op knop [ Plaats Speciaal ]
  3. Selecteer Tabblad 'Wand'
  4. Selecteer icon 'Wand, 1x'
  5. Geef in venster op:
    • Rotatie
    • Afstand tot wand (in mm op plot)
    • Wandmontage symbool te plaatsen (alleen bij armaturen)
    • Wand selecteren (door lijn, polylijn of symbool aan te wijzen; geldt niet voor Xref)
  6. Klik op knop [ OK ]
    • Bij optie 'Wand selecteren' nietaangevinkt:
      • Teken de basislijn op de wand: Klikpunten 1. en 2.
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Bepaal aan welke zijde van de basislijn en op welke positie het symbool moet komen; Klikpunt 3.
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
        Het symbool wordt vanuit 'Klikpunt 3' loodrecht op de basislijn geplaatst op de aangegeven afstand van die basislijn.
    • Bij optie 'Wand selecteren' aangevinkt:
      • Selecteer de wand (lijn, polyline of symbool – niet van Xref) op de positie waarop het symbool geplaatst moet worden
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Bepaal aan welke zijde van de basislijn en op welke positie het symbool moet komen; Klikpunt 3.
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
        Het symbool wordt op het punt geplaatst waar de lijn/polylijn geselecteerd op de aangegeven afstand van die basislijn.


Plaatsen meerdere symbolen op wand

 

Bij opgave h.o.h.=0 worden symbolen verdeeld over lengte basislijn (a-2a-2a-..-a)

 

Bij opgave h.o.h.=0 worden symbolen verdeeld over de wandlengte (a-2a-2a-..-a)


  1. Kies symbool via knoppenbalk (installatiegroep) en vervolgens in iconenvenster
  2. Klik op knop [ Plaats Speciaal ]
  3. Selecteer Tabblad 'Wand'
  4. Selecteer icon 'Wand, Rij'
  5.  Geef de plaatsingsgegevens op in het venster:
    • Aantal symbolen
    • Rotatie
    • Afstand tot wand (in mm op plot)
    • Wandmontage symbool te plaatsen (alleen bij armaturen)
    • Wand selecteren (door lijn, polylijn of symbool aan te wijzen; geldt niet voor Xref)
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Teken de basislijn op de wand, in de richting van de te plaatsen symbolen:
    Klikpunten 1. en 2.
    • Bij optie 'Wand selecteren' nietaangevinkt:
      • Teken de basislijn op de wand: Klikpunten 1. en 2. in richting van de te plaatsen symbolen
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Bepaal aan welke zijde van de basislijn de symbolen moeten komen en geef de positie van het eerste symbool aan; Klikpunt 3. 
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
        Vanuit 'Klikpunt 3' wordt, loodrecht op de basislijn, het eerste symbool geplaatst op de aangegeven afstand van die basislijn.
    • Bij optie 'Wand selecteren' aangevinkt:
      • Selecteer de wand (lijn, polyline symbool – niet van Xref) waarop het symbool geplaatst moet worden: Klikpunt 1. 
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Bepaal de positie van het eerste symbool: Klikpunt 2. 
      • Geef de richting aan en aan welke zijde van de wand de symbolen moeten komen: Klikpunt 3. 
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Verdelen, 1 symbool midden in ruimte

 


  1. Kies symbool via knoppenbalk (installatiegroep) en vervolgens in iconenvenster
  2. Klik op knop [ Plaats Speciaal ]
  3. Selecteer Tabblad 'Wand'
  4. Selecteer Tabblad 'Verdeel'
  5. Selecteer icon 'Verdeel, Midden'
  6. Geef in venster de rotatie op
  7. Klik op knop [ OK ]
  8. Wijs hoekpunt van ruimte aan (Klikpunt 1.)
  9. Wijs tegenoverliggend hoekpunt aan (Klikpunt 2.)
  10. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Verdelen, meerdere symbolen gelijkmatig in ruimte

 


  1. Kies symbool via knoppenbalk (installatiegroep) en vervolgens in iconenvenster
  2. Klik op knop [ Plaats Speciaal ]
  3. Selecteer Tabblad 'Verdeel'
  4. Selecteer icon 'Verdeel, Haaks'
  5. Geef in venster de plaatsingsgegevens op
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Wijs hoekpunt van ruimte aan (Klikpunt 1.)
  8. Wijs tegenoverliggend hoekpunt aan (Klikpunt 2.)
  9. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Verdelen, meerdere symbolen gelijkmatig in schuine ruimte

 


  1. Kies symbool via knoppenbalk (installatiegroep) en vervolgens in iconenvenster
  2. Klik op knop [ Plaats Speciaal ]
  3. Selecteer Tabblad 'Verdeel'
  4. Selecteer icon 'Verdeel, Schuin'
  5. Geef in het venster de plaatsingsgegevens op:
    • Aantal symbolen horizontaal en verticaal, 
    • Rotatie (t.o.v. lijn tussen Klikpunten 1. en 2.)
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Wijs hoekpunt van ruimte aan (Klikpunt 1.)
  8. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  9. Wijs hoekpunt in Richting 1(X) aan (Klikpunt 2.)
  10. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  11. Wijs hoekpunt in Richting 2(Y) aan (Klikpunt 3.)
  12. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Centreren, meerdere symbolen in ruimte

 


  1. Kies symbool via knoppenbalk (installatiegroep) en vervolgens in iconenvenster
  2. Klik op knop [ Plaats Speciaal ]
  3. Selecteer Tabblad 'Centreer'
  4. Selecteer icon 'Centreer, Haaks'
  5. Geef in het venster de plaatsingsgegevens op:
    • Aantal symbolen horizontaal en verticaal
    • Rotatie
    • h.o.h.-afstand horizontaal en verticaal
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Wijs hoekpunt van ruimte aan (Klikpunt 1.)
  8. Wijs tegenoverliggend hoekpunt aan (Klikpunt 2.)
  9. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Centreren, meerdere symbolen in schuine ruimte

 


  1. Kies symbool via knoppenbalk (installatiegroep) en vervolgens in iconenvenster
  2. Klik op knop [ Plaats Speciaal ]
  3. Selecteer Tabblad 'Centreer'
  4. Selecteer icon 'Centreer, Schuin'
  5. Geef op:
    • Aantal symbolen horizontaal en verticaal
    • Rotatie (t.o.v. lijn tussen Klikpunten 1. en 2.)
    • h.o.h.-afstand horizontaal en verticaal
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Wijs hoekpunt van ruimte aan (Klikpunt 1.)
  8. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  9. Wijs hoekpunt in X-richting aan (Klikpunt 2.)
  10. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  11. Wijs hoekpunt in Y-richting aan (Klikpunt 3.)
  12. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Opmerkingen

  • Voor het aangeven van de afstand tot de wand en de h.o.h.-afstand geldt:
    • opgegeven waarde < plotschaal geeft: mm op plot
      Te gebruiken voor afstand tot wand en schakelaars en contactdozen op wand
      Zichtbaarheid van symbolen is belangrijker dan juiste plaats
    • opgegeven waarde > plotschaal geeft: mm in werkelijkheid
      te gebruiken voor h.o.h. afstand bij armaturen
    • Voorbeeld: bij plotschaal = 1:50


OpgegevenGetekendOp plot (1:50)
2 mm(2x50=) 100 mm2
5 mm(5x50=) 250 mm5
50 mm(50x50=) 2500 mm50
2400 mm2400 mm(2400/50=) 48 mm


Voor de juiste plaatsbepaling is gebruik van de optie Tracking aan te raden. (Zie Algemene werking)
  • Met knop [ Plaats ] / [Speciaal ] is het laatst geplaatste type symbool opnieuw te plaatsen. Gebruik rechter muistoets voor wisselen tussen [ Plaats ] en [ Speciaal ]


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen algemene symbolen


Behalve elektra-symbolen zijn ook algemene standaard symbolen te plaatsen:

    Noordpijlen

    Schaallatten

    Wijzigingspijlen

 


Noordpijl en schaallat plaatsen

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer functie 'Algemene symbolen' in het rolmenu
  3. Klik op knop en selecteer een Noordpijl of Schaallat
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Plaats de Noordpijl of Schaallat op de tekening en geef de rotatie op
  6. Klik op knop [ Volgend ] om het volgende identieke symbool te plaatsen
    of
    klik op knop [ OK ] of [ Annuleer ] in het commandovenster
  7. Selecteer in venster 'Aanvullende symbolen' een ander symbool
    of
    klik op knop [ Annuleren ] om de functie af te sluiten


Wijzigingspijl plaatsen

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer functie 'Algemene symbolen' in het rolmenu
  3. Klik op knop en selecteer de Wijzigingspijl
  4. Geef de wijzigingsletter en de wijzigingsdatum op
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Plaats de Wijzigingspijl op de tekening en geef de rotatie op
  7. Klik op knop [ Volgend ] om de volgende Wijzigingspijl (met dezelfde wijzigingsletter en –datum) te plaatsen
    of
    klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    Pas na klikken op knop [ OK ] worden de gegevens in de Wijzigingpijl geplaatst.
    De teksten worden "leesbaar" binnen de pijl geplaatst (horizontaal of vanaf links).
  8. Selecteer in venster 'Aanvullende symbolen' een ander symbool
    of
    klik op knop [ Annuleren ] om de functie af te sluiten

Terug naar Inhoudsopgave


Coderen van symbolen

Geplaatste symbolen zijn voorzien van diverse  attributen, zoals armatuurcodes, schakelcodes, groepscodes. Deze codes kunnen groepsgewijs worden toegekend of gewijzigd.


De volgende methoden zijn mogelijk:

  • Per Block: het identiek coderen van te selecteren gelijke symbolen
  • Gelijk: het overnemen van de codering van te selecteren symbool
  • Per Schakelcodeopgeven schakelcode, met oplopende codering
  • Per Laaghet identiek coderen symbolen op te selecteren laag
  • Per Stukcoderen van een symbool

Aangegeven kan worden of de gegevens horizontaal of verticaal geplaatst moeten worden.

Bij het selecteren van de symbolen kan gebruik gemaakt worden van "Quick Select". Als meerdere symbolen worden geselecteerd, dan zal het eerst gekozen symbool als filter gelden: alleen gelijke symbolen zullen worden bewerkt.
Dit wordt ingesteld via knop [Opties], Algemene Instellingen, vak Attributen en symbolen.
 

 

Gelijke symbolen identiek coderen (per Block)

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer functie 'Coderen' in Tabblad 'Attributen'
  4. Geef aan of de attributen 'horizontaal' of 'verticaal' geplaatst moeten worden
  5. Selecteer 'Per Block' in vak 'Methode'
  6. Klik op knop [ OK ]
    • Als 'Quick Select' is ingeschakeld
      • Selecteer eerst het type symbool dat gecodeerd moet worden en dan de andere symbolen, eventueel met de <windows> of <crossing>-optie
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Kruis aan welke gegevens u wil invullen en vul de gegevens in
      • Klik op knop [ … ] om armatuurcodes uit de projectarmaturen tabel te selecteren
      • Klik op knop [ OK ]
    • Als 'Quick Select' nietis ingeschakeld
      • Selecteer symbool
      • Kruis aan welke gegevens u wil invullen en vul de gegevens in
      • Klik op knop [ … ] om armatuurcodes uit de projectarmaturen tabel te selecteren
      • Klik op knop [ OK ]
      • Selecteer te coderen symbolen
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>

Kopiëren gegevens uit ander symbool (Gelijk)

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer functie 'Coderen' in Tabblad 'Attributen'
  4. Geef aan of de attributen 'horizontaal' of 'verticaal' geplaatst moeten worden
  5. Selecteer 'Gelijk' in vak 'Methode'
  6. Klik op knop [OK]
    • Als 'Quick Select' is ingeschakeld
      • Selecteer symbool waarvan de gegevens moeten worden overgenomen en vervolgens de symbolen die een gelijke codering moeten krijgen
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
        De attributen van het eerst geselecteerde symbool, met de attribuutwaarde, worden getoond in venster 'Attributen'.
      • Selecteer de te kopiëren attributen in venster 'Attributen'
      • Klik op knop [ OK ]
        De waarde van het gekozen attribuut wordt gekopieerd naar het overeenkomstige attribuut van alle andere geselecteerde symbolen
    • Als 'Quick Select' nietis ingeschakeld
      1. Selecteer symbool waarvan de gegevens moeten worden overgenomen
      2. Klik op knop [ OK ]
      3. Selecteer de te kopiëren attributen in venster 'Attributen'
      4. Klik op knop [ OK ]
      5. Selecteer de te coderen symbolen
      6. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Symbolen op bepaalde laag identiek coderen (Per Laag)

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer functie 'Coderen' in Tabblad 'Attributen'
  4. Geef aan of de attributen 'horizontaal' of 'verticaal' geplaatst moeten worden
  5.  Selecteer 'Per Laag' in vak 'Methode'
  6.  Klik op knop [ OK ]
  7. Selecteer symbool op de gewenste laag
  8. Kruis aan welke gegevens u wil invullen en vul de gegevens in
  9. Klik op knop [ OK ]
  10. Selecteer gebied waarin de te coderen symbolen staan
  11. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


1 symbool coderen (Per stuk)

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer functie 'Coderen' in Tabblad 'Attributen'
  4. Selecteer 'Per Stuk' in vak 'Methode'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer symbool
  7. Vul de gegevens in 
  8. Klik op knop [ OK ]
    Dubbelklikken op het symbool roept direct het venster 'Edit Attributes' op. Dit werkt sneller


Symbolen met bepaalde schakelcode identiek coderen

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer functie 'Coderen' in Tabblad 'Attributen'
  4. Selecteer 'Schakelcode' in vak 'Methode'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Geef in venster 'Coderen' de start schakelcode op
    Per selectie zal de schakelcode oplopen: a, b, c, ..y, z, aa, ab
  7. Klik op knop [ OK ]
  8. Selecteer de symbolen voor de eerste schakelcode
  9. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  10. Herhaal stap 8. en 9. voor de volgende schakelcodes
  11. Klik op knop [ Stoppen ] in commandovenster, of toets <F12>

Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken attributen


De attributen van geplaatste symbolen kunnen t.o.v. het symbool worden verplaatst of geroteerd.

 


Attributen verplaatsen of roteren

Via knop  [ Opties ], [ Algemene Instellingen ] kan worden aangegeven of bij het plaatsen van het symbool de attributen dezelfde rotatie krijgen als het symbool, of dat de attributen rechtop worden weergegeven.
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Positie' in tabblad 'Attributen' in venster 'Bewerk'
  4. Selecteer in vak 'Methode:'
    • Verplaatsen
    • Rotatie
    • Overnemen
  5. Geef de gewenste waarden
  6. Klik op knop [ OK ]
    • Als 'Quick Select' is ingeschakeld
      • Selecteer te coderen type symbool op tekening
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Kies in venster 'Attributen' de te verplaatsen/roteren attributen.
      • Klik op knop [ OK ]
      • Selecteer te coderen type symbool op tekening
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    • Als 'Quick Select' nietis ingeschakeld
      • Selecteer te coderen type symbool op tekening
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Kies in venster 'Attributen' de te verplaatsen/roteren attributen.
      • Klik op knop [ OK ]
      • Selecteer te coderen type symbool op tekening
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>

Terug naar Inhoudsopgave


Nummeren van symbolen


Symbolen kunnen worden genummerd, waarbij een voorlooptekst , startnummer en ophoogwaarde kunnen worden opgegeven.

 


Symbolen nummeren

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Nummeren' in tabblad 'Attributen' in venster 'Bewerk' 
  4. Vul in vak Parameters in:
    • Voorlooptekst
    • Startnummer
    • Ophoogwaarde (increment)
  5. Klik op knop [ OK ]
    • Als 'Quick Select' is ingeschakeld
      • Selecteer het eerste symbool waarvoor de doornummering moet gelden en vervolgens de andere te nummeren symbolen in de volgorde zoals ze genummerd moeten worden
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Selecteer in het venster bij welk attribuut de doornummering moet worden ingevuld
      • Klik op knop [ OK ]
        De symbolen worden genummerd in de volgorde waarin ze zijn geselecteerd.
      • Selecteer het volgende type symbool
        of
        klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster of toets <F12>
    • Als 'Quick Select' nietis ingeschakeld
      • Selecteer het type symbool waarvoor de doornummering moet gelden (bron voor nummering)
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
      • Selecteer in het venster bij welk attribuut de doornummering moet worden ingevuld
      • Klik op knop [ OK ]
      • Selecteer de te nummeren symbolen opvolgend
      • Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
        De symbolen worden genummerd in de volgorde waarin ze zijn geselecteerd.
      • Selecteer het volgende type symbool
        of
        klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster of toets <F12>

Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken symbolen


De symbolen kunnen groepsgewijs worden geroteerd, verwijderd, vervangen en verschaald.

Tevens kan de ophanghoogte worden ingesteld en opgegeven.

De bewerkingen kunnen 

  • direct op het betreffende symbool worden uitgevoerd met de methode Per Stuk
  • op een groep symbolen worden uitgevoerd met de methode Per Block. Alleen eenzelfde type symbolen wordt dan bewerkt.

 

 

Symbolen roteren

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer tabblad 'Symbolen' in venster 'Bewerk' 
  4. Selecteer 'Roteren' in vak 'Functie'
  5. Selecteer in vak 'Methode':
    • Per Block
    • Per Stuk
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Selecteer het te roteren type symbool op tekening
  8. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  9. Selecteer symbolen op tekening. (optie window/crossing)
  10. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  11. Geef de rotatie op in het venster en klik op knop [ OK ]


Symbolen verwijderen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer tabblad 'Symbolen' in venster 'Bewerk' 
  4. Selecteer 'Verwijderen' in vak 'Functie'
  5. Selecteer in vak 'Methode':
    • Per Block
    • Per Stuk
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Selecteer het te verwijderen type symbool
  8. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  9. Selecteer symbolen op tekening(optie window/crossing)
  10. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Ophanghoogte opgeven/wijzigen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer tabblad 'Symbolen' in venster 'Bewerk' 
  4. Selecteer 'Ophanghoogte' in vak 'Functie'
  5. Geef via knop 'Instellen' eventueel een andere ophanghoogte op
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Selecteer de symbolen waarvoor de ophanghoogte moet worden aangegeven.
  8. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
De symbolen worden op de opgegeven z-waarde geplaatst.
Met de functie Maten, Plaatsen van de ophanghoogte bij de symbolen wordt de algemene hoogte per type in een legenda geplaatst en de daarvan afwijkende hoogte bij de betreffende symbolen geplaatst. 


Symbolen vervangen

  • Het nieuwe symbool moet reeds op tekening aanwezig zijn
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer tabblad 'Symbolen' in venster 'Bewerk '
  4. Selecteer 'Vervangen' in vak 'Functie'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer het nieuwe type symbool op de tekening
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  8. Selecteer de te vervangen symbolen
  9. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
De symbolen worden vervangen; de attribuutgegevens worden hierbij overgenomen.


Symbolen verschalen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Symbolen/coderen' in het rolmenu
  3. Selecteer tabblad 'Symbolen' in venster 'Bewerk' 
  4. Selecteer 'Verschalen' in vak 'Functie'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer het te verschalen type symbool
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  8. Selecteer de te verschalen symbolen
  9. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  10.  Geef in het venster de schaalfactor op (t.o.v. de huidige verschaling)
  11. Klik op knop [ OK ]

Terug naar Inhoudsopgave


Armaturenlijst


Per project kan een project armaturenlijst worden opgebouwd. Hierbij kan gebruik gemaakt worden van een catalogus.

De lijst projectarmaturen kan op tekening worden geplaatst of worden geëxporteerd naar MS-Excel 

Bij het coderen van armaturen kan uit de project armaturenlijst worden gekozen.

 

 

Aanmaken project

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Armaturenlijst' in het menu
  3. Klik op knop [ Nieuw project ] in venster 'Armatuur codes'
  4. Klik op knop [ Nieuw ] in venster 'Projecten beheer'
  5. Geef de code en omschrijving voor het nieuwe project op
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster 'Projecten beheer' te verlaten
  8. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster 'Armatuur codes' te verlaten


Aanmaken projectarmaturen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Armaturenlijst' in het menu
  3. Selecteer het project waaraan armatuurcodes en armaturen moeten worden toegevoegd
  4. Klik op knop [ Nieuw ] om een nieuw armatuur en armatuurcode toe te voegen
  5. Selecteer in venster 'Armaturenlijst' uit welke lijst moet worden geselecteerd
    • Uit de catalogus
    • Uit een andere project
  6. Geef op van welke fabrikant de armaturen getoond moeten worden
  7. Dubbelklik op het gewenste armatuur
    of
    klik op knop [ Selecteren ]
  8. Geef de armatuurcode op
  9. Klik op knop [ OK ]
  10. Selecteer het volgende armatuur,
    of
    klik op knop [ Sluiten ]in venster 'Armaturenlijst'
    In venster 'Armatuur codes' zijn de toegevoegde armatuurcodes zichtbaar.
  11. Dubbelklik op een veld om gegevens toe te voegen of te wijzigen
  12. Klik op knop [ Sluiten ] in venster 'Armatuur codes'


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen railkokersystemen


Na de keuze uit menu 'Centraal' of 'Licht' kunt u railkokersystemen tekenen. De basislijn kan de linkerzijde, rechterzijde of het midden van de railkoker zijn.

 


De railkoker kan eventueel worden bewerkt met de bewerkingsfuncties voor goten en kabelladders. Zie hiervoor:

  • Bewerken goten en kabelladders
  • Arceren goten


Railkokersysteem tekenen

  1. Selecteer knop Centraal (61) of knop  Licht (63) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Klik op knop of knop  in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  3. Selecteer 'Railkokersysteem' in het rolmenu
  4. Selecteer de gegevens in venster 'Railkoker'
  5. Geef de attribuutwaarden: Kast, Groep en Code op
  6. Selecteer de positie van de basislijn
  7. Klik op knop [ OK ]
  8. Teken de basislijn in de tekening, eventueel meerdere segmenten achter elkaar
  9. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    De basislijn wordt omgezet naar de railkoker, coderingen worden bij het beginpunt van elk segment en bij elk hoekstuk geplaatst.
  10. Teken de volgende basislijn
    of
    klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster 


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen goten en kabelladders

Na keuze voor Centraal (Groep 61), Goten (Subgroep 61.3) kunt u tekenen:

  • Wand- en plintgoten
  • Vloer- en kabelgoten, Kabelladders
  • Zak/Stijggoten (= plaatsen pijlen + afsluiting goot)

Indien u de loop van de gootdelen aaneen sluitend tekent worden automatisch bochtstukken geplaatst.

   


Aangegeven kan worden of de te tekenen basislijn de linkerkant, rechterkant of midden van de goot is.


Tekenen Kabelgoot, Kabelladder en Vloergoot

Teken telkens aaneengesloten gootdelen; bochtstukken worden dan automatisch geplaatst.
T-stukken, Hoekstukken en verbindingsstukken moeten worden gegenereerd.
Na het bevestigen van de basislijn met [ OK ] worden eerst de hoekstukken opgebouwd, daarna pas de goten
  1. Selecteer knop  Centraal (61) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer knop  Goten (61.3) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  3. Selecteer 'Goten' in het Rolmenu
  4. Selecteer type goot in venster 'Goten'
    • Kabelgoot
    • Kabelladder
    • Vloergoot
  5. Geef maten op, bepaal positie van de basislijn en klik op knop [ OK ]
  6. Teken basislijn (opeenvolgende lijnstukken)
    • als hele (poly)lijn fout is getekend
      klik op knop [ Opnieuw ]
    • als lijnstuk fout is getekend,
      type: u, gevolgd door <Enter>
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Tekenen Wandgoot en Plintgoot

Teken telkens aaneengesloten gootdelen; bochtstukken worden dan automatisch geplaatst.
T-stukken, Hoekstukken en verbindingsstukken moeten worden gegenereerd.
Na het bevestigen van de basislijn met [OK] worden eerst de hoekstukken opgebouwd, daarna pas de goten.
  1. Selecteer knop  Centraal (61) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer knop Goten (61.3) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  3. Selecteer 'Goten' in het Rolmenu
  4. Selecteer type goot in venster 'Goten'
    • Wandgoot
    • Plintgoot
  5. Geef maten op, bepaal positie van de basislijn en klik op [ OK ]
  6. Teken basislijn op wand (opeenvolgende lijnstukken)
    • als hele (poly)lijn fout is getekend
      klik op knop [ Opnieuw ]
    • als lijnstuk fout is getekend,
      Type: u, gevolgd door <Enter>
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  8. Geef bij het eerst getekende lijnstuk aan naar welke kant de goot de ruimte in steekt
  9. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Plaatsen Zak/Stijggoten

  1. Selecteer knop  Centraal (61) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer knop  Goten (61.3) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  3. Selecteer 'Goten' in het Rolmenu
  4. Selecteer 'Zak/Stijggoot' in venster 'Goten'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer in iconenmenu gewenste pijl en klik op [ Plaats ]
  7. Selecteer goot waarop pijl moet worden geplaatst
  8. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    Pijl + afsluiting wordt geplaatst op dichtstbijzijnde gooteinde.

Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken goten en kabelladders


Getekende goten en kabelladders kunt u automatisch op elkaar aansluiten

door het genereren van hoekstukken, T-splitsingen, kruisingen, verbindingen en verticale goten.

Eindstukken kunnen worden geplaatst en goten/hulpstukken kunnen worden gearceerd.

 


Hoekstukken en kruisingen genereren

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' in het Rolmenu
  3. Selecteer in het vervolgmenu:
    • Hoekstuk
    • Kruising
  4. Selecteer de 2 goten
  5. Klik op knop [ OK  in commandovenster, of toets <F11>


Genereren T-stuk

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'T-stuk' in het Rolmenu
  3. Selecteer doorgaande goot
  4. Selecteer aftakkende goot
  5. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Verbinden 2 goten

Beide goten moeten in elkaars verlengde liggen of evenwijdig aan elkaar lopen.
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2.  Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'Verbind 2 goten' in het Rolmenu
  3.  Selecteer 2 goten (bij verval eerst de laagste goot)
  4. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    • gelijke breedte, verschillende ophanghoogte: Verval getekend
    • gelijke ophanghoogte, verschillende breedte: Verloop getekend.
  5. Geef bij 'Verloop' het punt van overgang aan op tekening
  6. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Verticale goot

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'Verticale goot' in het Rolmenu
  3. Selecteer de twee goten
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
  5. Geef de afmetingen van de verticale goot op in het venster
  6. Klik op knop [ OK ]
    • Indien de goten in elkaars verlengde liggen:
      • Geef de positie van de verticale goot op
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
        De verticale goot wordt geplaatst.
  7. Wijs de volgende goten aan,
    of
    klik op knop [ Stoppen ] of toets <F12>


Verlengen / inkorten van goten

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'Verlengen / Inkorten' in het Rolmenu
  3. Selecteer de te verlengen of verkorten goot
  4. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    De geselecteerde goot wordt verwijderd.
  5. Teken de nieuwe basislijn
  6. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  7. Selecteer de mee te verplaatsen gootdelen (afstand tot einde goot blijft gelijk)
  8. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Goot onderbreken

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'Onderbreken' in het Rolmenu
  3. Selecteer de te onderbreken goot
  4. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  5. Teken een lijn op of langs de goot ter grootte van het te onderbreken gootgedeelte
  6. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    De goot wordt onderbroken.
  7. Herhaal stap 3 t/m 6 voor de volgende goot
    of
    klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster, of toets <F12>


Toevoegen eindstuk

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'Eindstuk' in het Rolmenu
  3. Selecteer de goot waar het eindstuk op moet worden geplaatst
  4. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    Het eindstuk wordt geplaatst.
  5. Wijs de volgende goot aan,
    of
    klik op knop [ Stoppen ] of toets <F12>


Arceren goten

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'Arceren' in het Rolmenu
  3. Selecteer de te arceren goten en hulpstukken (T-stuk, hoekstuk, kruising)
  4. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    De goten en hulpstukken worden gearceerd.
  5. Selecteer de volgende goot/hulpstuk
    of
    klik op knop [ Stoppen ]
    Via [ Opties ], [ Alg. Instellingen ] is het type en kleur van de arcering voor de goten in te stellen.


Arcering verwijderen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Goten / Railkokers' en vervolgens 'Verwijder arcering' in het Rolmenu
  3. Selecteer de te verwijderen arceringen
  4. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>

Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen leidingen en kabels


Leidingen of kabels kunnen worden getekend.

Hierbij is het mogelijk tijdens het tekenen de peilmaat op te geven en te wijzigen. Normaal wordt de montagehoogte van de te verbinden symbolen aangehouden.

Het is mogelijk de horizontale leiding op een vaste peilmaat te tekenen (Horizontale leiding altijd ... aangevinkt); bij het aansluiten op een symbool wordt dan een verbinding getekend naar de montagehoogte van het betreffende symbool. 

 


Leidingen en kabels tekenen

  1. Selecteer knop  Licht (63) in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer knop Standaard (63.1) of  Calamiteiten (63.2) in knoppenbalk NOR-Elektra LT
  3. Selecteer 'Leidingaanleg' in het Rolmenu
  4. Geef in venster Leidingen op
    • Kabel, kabeltype, aantal aders en diameter van de aders, of
    • uis, materiaal en diameter
  5. Vink eventueel aan dat de horizontale leiding altijd op een vaste hoogte moet komen; geef dan ook
    • de peilmaat op
    • en dat zakleidingen wel/niet alleen bij de eindpunten van de leiding moet komen.
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Geef het beginpunt en vervolgpunten van de leiding op in de tekening
    (teken de leiding/kabel)
    Geef eventueel de wijziging in Z-waarde op
  8. Klik in het commandovenster op:
    • Knop [ OK ] voor het stoppen met tekenen van deze buis/kabel.
    • Knop [ Opnieuw ] voor het helemaal opnieuw tekenen van de leiding/kabel, of het beginnen met eenzelfde buis/kabel
    • Knop [ Stoppen ] voor het afsluiten van de tekenfunctie

Terug naar Inhoudsopgave


Leidingen bewerken

Getekende leidingen (buizen of kabels) kunnen worden vervangen door leidingen van een ander type of buizen met andere afmetingen.

 


Bewerken leidingen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Leidingen' in het rolmenu
  3. Geef in venster 'Bewerken Leidingen' aan wat gewijzigd moet worden en waarin
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de te wijzigen leidingen
  6. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>

Terug naar Inhoudsopgave


Sparingen


Sparingen kunnen worden gegenereerd op basis van de geplaatste elektra-symbolen.

Na plaatsing van een meetpunt kunnen de bijbehorende symbolen worden geselecteerd; de sparingsymbolen worden geplaatst en voorzien van een volgnummer.

Van de sparingen kan een sparingslijst worden opgesteld.

Via knop [Lagen] kunnen de sparingen (alleen) zichtbaar of onzichtbaar gemaakt worden.

In venster Sparingen kan met knop [Instellingen] configuratiebestand Sparing.ini worden geopend in Notepad. In dit bestand staan de benodigde sparingsinstellingen. 

 

 


Plaatsen Meetpunt

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Sparingen' in het rolmenu
  3. Klik op knop [ Meetpunt plaatsen ] in venster 'Sparingen'
  4. Plaats het meetpunt op de tekening en geef de rotatie op
  5. Geef in het venster 'Enter Attributes' eventueel een andere tekst en/of nummer op
  6. Klik op knop [ OK ] 
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    Venster 'Sparingen' wordt weer getoond.
  8. Klik op knop [ Afsluiten ] om venster 'Sparingen' te verlaten.


Coderen Meetpunt

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Sparing' in het rolmenu
  3. Klik op knop [ Meetpunt coderen ] in venster 'Sparingen'
  4. Selecteer het meetpunt op de tekening
  5. Geef in het venster 'Enter Attributes' eventueel een andere tekst en/of nummer op
  6. Klik op knop [ OK ] 
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    Venster 'Sparingen' wordt weer getoond.
  8. Klik op knop [ Afsluiten ] om venster 'Sparingen' te verlaten.


Genereren sparingen

  • Als venster 'Sparingen' nog niet actief is:
  • Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  • Selecteer 'Sparingen' in het rolmenu
  1. Stel de wijze van plaatsen van de sparingsymbolen in:
    • Altijd horizontaal
    • Onder een vaste op te geven hoek
    • Met dezelfde rotatie als het meetpuntsymbool
    • Met dezelfde rotatie als het bijbehorende elektra-symbool
  2. Klik op knop [ Genereer sparing ] in venster 'Sparingen'
  3. Selecteer het te gebruiken Sparingsmeetpunt
  4. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  5. Selecteer de uit te sparen symbolen
  6. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  7. Geef het startnummer voor de sparingsnummering op
  8. Klik op knop [ OK ]
    • Als voor een symbool (code plus omschrijving) geen sparingssymbool is opgenomen (in ..\Elt\B\Sparing.ini) komt de vraag:
      Sparing opnemen voor dit symbool?
      • Knop [ Ja ], om sparingsymbool te plaatsen
      • Knop [ Nee ], om symbool over te slaan (geen sparing voor te genereren)
        De sparingsymbolen worden geplaatst en genummerd.
        Venster 'Sparingen' wordt weer getoond.
  9. Klik op knop [ Afsluiten ] om venster 'Sparingen' te verlaten.


Sparingslijst plaatsen

  • Als venster 'Sparingen' nog niet actief is:
    • Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
    • Selecteer 'Sparingen' in het rolmenu
  1. Klik op knop [ Sparingslijst plaatsen ] in venster 'Sparingen'
  2. Selecteer het meetpunt waarvoor de sparingslijst moet worden opgesteld.
  3. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  4. Selecteer de sparingen die in de lijst moeten worden opgenomen
  5. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
    De sparingslijst komt aan de kruisdraden te hangen.
  6. Plaats de lijst op in de tekening
    Venster Sparingen wordt weer getoond.
  7. Klik op knop [ Afsluiten ] om venster 'Sparingen' te verlaten.

Terug naar Inhoudsopgave


Telstaten, calculaties en renvooi


Per type installatie worden alle symbolen op tekening geteld, al dan niet getotaliseerd  . Tevens kunnen alle symbolen op tekening op een telstaat worden gezet.

De afzonderlijke telstaten kunnen als bestand op schijf worden gezet, of worden afgedrukt op een printer.

Van de op de tekening voorkomende symbolen kan een renvooi aangemaakt worden.

Een aantal speciale exportfuncties zijn mogelijk

  • Invoerbestand voor NOR-Licht & Kracht LT voor genereren van het installatieschema;
  • Invoerbestand voor calculatie aanmaken voor
    • InstallOffice
    • Syntess
  • Plaatsen van de telstaat in MS-Excel (wordt direct gestart)

 

 


Tellen

  1. Selecteer knop [ Tel ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer in venster 'Tellen' wat geteld moet worden
  3. Klik op knop [ Tellen ]
    • Bij 'Licht & Kracht', 'Zwakstroom' en 'Kanalisatie':
      • Selecteer gebied/symbolen die geteld moeten worden
      • Klik op [ OK ] in het commandovenster
    • Bij 'Aant. Symbolen' worden alle symbolen geteld.
    • Bij 'Leidingen' worden de leidingen geteld
    • Bij 'Calculatie' wordt een invoerbestand aangemaakt voor
      • InstallOffice
      • Syntess
  4. Vink aan op welke manier de telstaat moet worden geëxporteerd. 'Exporteren naar:' 
    • Licht en Kracht: voor maken invoerbestand voor NOR-Licht & Kracht LT
    • Bestand: voor wegschrijven telstaat naar (ASCII-)bestand
    • Printen: voor uitprinten telstaat
    • Tekening: voor het plaatsen van de lijst op de tekening
    • Excel: voor het starten van MS-Excel met de telstaat
  5. Klik op knop [ Exporteren ]
  6. Geef in het vervolgvenster de specifieke gegevens op (bestandsnaam, printer, etc.)
  7. Klik op knop [ Sluiten ] om het venster 'Tellen' te verlaten


Renvooi op tekening plaatsen

  1. Selecteer knop [ Tel ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Vink aan wat voor renvooi geplaatst moet worden
    • Symbolen: Symbolen plus omschrijving
    • AfkortingenBestemmings- en materiaal afkortingen van symbolen
  3. Klik op knop [ Plaatsen ] in het vak 'Renvooi' in venster 'Tellen'
  4. Selecteer het gebied waarin de symbolen voorkomen die (enkelvoudig) in het renvooi moeten worden opgenomen
  5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
    Het renvooi komt aan de kruisdraden te hangen.
  6. Plaats het renvooi op tekening
  7. Klik op knop [ Sluiten ] om het telvenster te verlaten


Markeren symbool op tekening

  1. Selecteer knop [ Tel ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer in venster 'Tellen' wat geteld moet worden
  3. Klik op knop [ Tellen ]
    • Bij 'Licht & Kracht', 'Zwakstroom' en 'Kanalisatie':
      • Selecteer gebied/symbolen die geteld moeten worden
      • Klik op [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
    • Bij 'Aant. Symbolen' worden alle symbolen geteld.
    • Bij 'Leidingen' worden de leidingen geteld
  4. Selecteer een of meerdere regels in het telvenster
  5. Klik op knop [ Markeer ]
    In de tekening worden de geselecteerde symbolen gemarkeerd met een doughnut (rode dikke cirkel).
  6. Klik in het commandovenster op knop
    • [ OK ] om terug te keren naar het telvenster; de markering(en) blijven staan
    • [ Schonen ], om terug te keren naar het telvenster, waarbij de markering(en) worden verwijderd.
      Dit wissen kan ook via knop [ Bewerk ] in knoppenbalk NOR-ELT, menukeuze 'Markering wissen'
  7. Klik op knop [ Sluiten ] om het telvenster te verlaten

Terug naar Inhoudsopgave


Bematen goten en leidingen


Getekende goten en kabelladders kunt u bematen; de hoogte/breedte/ophanghoogte worden daarbij uit de tekening uitgelezen.

Bij de ophanghoogte wordt een staatje met de standaard ophanghoogte voor armaturen, schakelaars, wandcontactdozen/aansluitpunten, en ‘overige’ op de tekening geplaatst. Alleen bij symbolen met een afwijkende ophanghoogte wordt dit bij het betreffende symbool vermeld.

 


Bematen goten

  1. Selecteer knop [ Maten ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer het type bemating in tabblad 'Bematen' in venster 'Bematen' 
    • Breedte
    • Ophanghoogte
  3. Klik op knop [ Plaatsen ]
  4. Selecteer de te  bematen goot/kabelladder.
    de bemating komt te staan aan de kant van de aangewezen rand van het kanaal.
  5. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Ophanghoogte symbolen bijschrijven

  1. Selecteer knop [ Maten ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Ophanghoogte Symbolen' in tabblad 'Bematen' in venster 'Bematen' 
  3. Klik op knop [ Plaatsen ]
  4. Selecteer de symbolen waarvan de ophanghoogte moet worden bijgeschreven
  5. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  6. Plaats de legenda met de standaard ophanghoogtes op de tekening
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandoveld,
    of
    klik op knop [ Stop ] of toets <F12>
Alleen bij symbolen waarvan de ophanghoogte afwijkt van de standaardhoogte wordt de hoogte vermeld.

Terug naar Inhoudsopgave


Bematen leidingen


Gegevens van leidingen kunnen worden bijgeschreven.

 

Leidinggegevens bijschrijven

  1. Selecteer knop [ Maten ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Leidingen' in tabblad 'Bematen' in venster 'Bematen' 
  3. Geef op wat bijgeschreven moet worden:
    • Type
    • Lengte
    • Peilmaat
  4. Geef op wat de teksthoogte moet worden (<maat op papier>x<plotschaal).
    Bijvoorbeeld: 2.5 mm bij plotschaal 1:50 = 2.5 x 50 = 125
  5. Klik op knop [ Plaatsen ]
  6. Selecteer de leidingen waarbij de gegevens moeten worden bijgeschreven
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>
  8. Selecteer eventueel andere leidingen en klik op knop [ OK ] in het commandoveld,
    of
    klik op knop [ Stop ] of toets <F12>

Terug naar Inhoudsopgave


Maatvoeren


Voor het maatvoeren van de tekening worden de standaard AutoCAD-opties gebruikt.

 

Zie ook 'Instelling Dimension Style maatvoering'


Maatvoeren van de tekening

  1. Selecteer knop [ Maten ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer Tabblad 'Maatvoeren' in venster 'Bematen'
  3. Selecteer type maatvoering en te gebruiken opties
    • Horizontaal: maat in X-richting
    • Verticaal: maat in Y-richting
    • Aligned: maat tussen de twee meetpunten
    • Continue: kettingbemating (na eerste bemating hor./vert./aligned.)
  4. Klik op knop [ Plaatsen ]
  5. Plaats 1e en 2e maatpunt (gebruik AutoCAD plaatsingsfuncties)
  6. Plaats maatlijn
  7. Bevestig met <ENTER>, of wijzig de uitgelezen maat
    <Enter> of klikken met de rechter-muistoets herhaalt het maatvoeringscommando.
Het standaard maatvoeringscommando van AutoCAD LT wordt gebruikt. 
Indien met STRETCH de maatvoeringspunten worden verplaatst zal tevens de maat worden bijgewerkt. (behalve als de maattekst handmatig is ingegeven.)


Terug naar Inhoudsopgave


Teksten en attributen bewerken


Geplaatste teksten en attributen kunnen groepsgewijs bewerkt worden:

  • Wijziging van laagnaam
  • Wijziging van kleur
  • Wijziging van teksthoogte
  • Wijziging/vervanging van tekst(delen) door een andere tekst of tekstdeel 
  • Tekstrotatie

Hierbij kunnen verschillende selectiemogelijkheden (filters) worden opgegeven op basis van:

  • Laagnaam
  • Kleur
  • Teksthoogte
  • Tekstinhoud
  • Attribuutnaam
  • Tekst rotatie
De standaard AutoCAD commando’s om teksten te wijzigen DDEDIT, DDMODIFY en CHANGE kennen deze combinatie van mogelijkheden niet.
Teksten worden met de standaard AutoCAD commando’s TEXT, DTEXT en MTEXT geplaatst.

 


Wijzigen teksten of attributen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Elektra LT
  2. Selecteer 'Bewerken tekst' in het Rolmenu
  3. Geef selectie criteria op voor de te vervangen teksten of attributen
  4. Geef de nieuwe tekst of teksteigenschappen op:
    Tekstkleur kan worden bepaald
    • Automatisch: Volgens norm,
      of
    • Opgave: kleur.
  5. Klik op knop [ OK ]
  6.  Selecteer de te wijzigen teksten of attributen
  7. Klik op knop [ OK ] in commandovenster, of toets <F11>


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld