Naar hoofdinhoud

Afvoeren -04- Afvoer-installatie - TheModus Suites (Nordined)

How to - Afvoeren

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Afvoer-installatie


Kiezen afvoersysteem


Algemeen

Voor diverse afvoersystemen zijn onderdelen beschikbaar. Voordat met tekenen begonnen wordt moet u eerst een keuze maken voor een systeem. Het is mogelijk meerdere systemen op een tekening te gebruiken. Getekend wordt met het laatst gekozen systeem.

Bij het genereren van bochten en T-stukken wordt automatisch het juiste systeem bepaald; bij het tekenen van buizen en plaatsen van hulpstukken wordt uitgegaan van het actieve afvoer-systeem.

Beschikbaar zijn afvoersystemen van Geberit, Dyka, Wavin, Twebo, Milder, Pipelife en Martens.


Afvoersysteem kiezen

  1. Klik op knop in menu 'Afvoeren'
    of
    selecteer 'Keuze Afvoersysteem…' in pull-downmenu 'Afvoeren'
    Indien al een systeem actief is, wordt dat getoond linksonder in de statusbalk.
  2. Selecteer de fabrikant
  3. Selecteer het systeem
  4. Klik op knop [ OK ]
    In de statusbalk linksonder in het AutoCAD-venster wordt het actieve systeem getoond.
  5. Pas eventueel de standaard instellingen voor de bochten aan:
    1. Klik op knop in menu 'Afvoeren' 
      of
      selecteer 'Default...'in pull-downmenu 'Afvoeren' 
    2. Pas zonodig de instellingen aan in venster Instellingen:
      • Afschot
      • Afronding
      • Hoekoplossing
    3. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Afvoeren Algemeen


Algemeen

Voor het tekenen en bewerken van de installatie kunnen verschillende instellingen het werken en daarmee tevens het controleren gemakkelijk maken.

  • Teken-instellingen als de snaphoek (SNAPANGLE) 
  • Zichtbaarheid van lagen
  • Ongedaan maken laatste NOR-commando
    Een NOR-commando bevat meestal meerdere AutoCAD-commando's. Hierdoor werkt de standaard Undo-functie niet efficient


Instelling snaphoek

  • Voor instellen snaphoek
    1. Klik op knop in menu 'Afvoeren'
      of
      selecteer 'Snaphoek instellen' in pull-downmenu 'Applicatie'
    2. Geef de snaphoek op
      De snaphoek is ingesteld.
  • Voor instellen snaphoek = 0
    1. Klik op knop in menu 'Afvoeren'
      of
      selecteer 'Snaphoek op “0” zetten' in pull-downmenu 'Applicatie'
      De snaphoek wordt teruggezet op 0


Undo markeerpunten zetten en gebruiken

  • Undo-markeerpunt plaatsen
    1. Klik op knop in menu 'Afvoeren'
      of
      selecteer 'Zet markeerpunt' in pull-downmenu 'Applicatie'
      Het markeerpunt wordt gezet.
  • Voor Undo tot het vorige markeerpunt
    1. Klik op knop in menu 'Afvoeren'
      of
      selecteer 'Undo markeer' in pull-downmenu 'Applicatie'
      Het NOR-commando wordt ongedaan gemaakt.


Kleur Afvoeren-lagen op default zetten

  1. Klik op knop in menu 'Afvoeren - Bewerk'
    of
    selecteer 'Volgens W-lagen.ini' in menu 'Bewerk', 'Weergave' in het vervolgmenu
    De laaginstellingen (kleur en lijntype) zoals die in \W-lagen.ini zijn vastgelegd worden toegepast op de tekening. W-lagen.ini staat in %APPDATA%\Cadac Group\Techniek 10.x\Wlib\I\


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen leidingen


Algemeen

Afvoerleidingen worden van knikpunt naar knikpunt getekend

  • beginnend ergens op de tekening;
  • beginnend met plaatsen hulpstuk en dan direct verder tekenen;
  • aansluitend op een hulpstuk.

Bij elk knikpunt in de leiding wordt automatisch een bocht geplaatst. De standaard instelling hiervoor is één 90° -bochtstuk. De standaard instelling is aan te passen via 'Default…' in menu 'Afvoeren'

Per knikpunt kan voor een ander (standaard) hulpstuk of voor een extra (eigen) hulpstuk worden gekozen. De buizen worden hierbij automatisch ingekort. 

Bij T-stukken en broekstukken kan worden gekozen of doorgetekend wordt met de doorgaande leiding of met de aftakking.

Als op een hulpstuk aangesloten wordt, wordt de bijbehorende diameter leiding gebruikt en de leiding komt in de richting van het hulpstuk te liggen.

Bij het tekenen van een nieuwe afvoer moet een diameter uit het popvenster worden gekozen.

Bij het tekenen moet de Z-waarde=0 zijn. Voor de buislengte wordt bij het aanmaken van de telstaat rekening gehouden met het afschot.

Eventueel elementen selecteren met knop of keuze 'Z-waarde op 0 zetten' in menu 'Bewerk'.


 

Starten met tekenen afvoer

  • Gewenste afvoersysteem reeds actief (zie linksonder in scherm)
  1. Klik op de knop of selecteer in menu 'Afvoeren' de te tekenen afvoer:
    Riolering algemeenOnt-/beluchting
    HemelwaterafvoerFaecalienafvoer
    Faecalien PersVuilwater
    Vuilwater PersGecombineerde afvoer
    Chemische afvoerBiologische Afvoer
    Radioactieve afvoerStofzuig
  2. Geef het beginpunt van de buis op
  3.  Geef het eindpunt van de buis op
  4. Selecteer de diameter
    • in het pop-up venster
      of
    • klik op knop om afmeting uit hulpstuk uit te lezen
      • Selecteer de hartlijn van de buis
        of
      • de mof/spie van het hulpstuk
  5. Geef het volgende knikpunt voor de buis op
    of
    kies een ander standaard hulpstuk of extra hulpstuk


Starten met tekenen door plaatsen hulpstuk

    Gewenste afvoersysteem reeds actief (zie linksonder in scherm)

  1. Klik op de knop of selecteer in menu 'Afvoeren' de te tekenen afvoer:
    Riolering algemeenOnt-/beluchting
    HemelwaterafvoerFaecalienafvoer
    Faecalien PersVuilwater
    Vuilwater PersGecombineerde afvoer
    Chemische afvoerBiologische Afvoer
    Radioactieve afvoerStofzuig
  2. Geef het startpunt van de buis op
    [Ref]    beginpunt opgeven via referentiepunt
  3. Toets <S> of <E> voor hulpstuk
    of
    klik met rechter muistoets
  4. Selecteer en plaats het hulpstuk
  5. Geef eindpunt van de buis op


Starten tekenen vanaf bestaande buis of hulpstuk

  • Gewenste afvoersysteem reeds actief (zie linksonder in scherm)
  1. Klik op de knop of selecteer in menu Afvoeren de te tekenen afvoer:
    Riolering algemeenOnt-/beluchting
    HemelwaterafvoerFaecalienafvoer
    Faecalien PersVuilwater
    Vuilwater PersGecombineerde afvoer
    Chemische afvoerBiologische Afvoer
    Radioactieve afvoerStofzuig
  2. Selecteer de hartlijn van de buis, of de aansluitkant van het hulpstuk
  3. Geef het eindpunt van de buis op.


Verder tekenen met standaard bocht

  • Het tekencommando is reeds actief, 
  • een buis is reeds geplaatst en het programma vraagt om het volgende punt
  1. Geef het volgende punt op
    De bocht wordt op de bestaande buis geplaatst en het buisdeel wordt op de bocht geplaatst.
    De richting van de nieuwe buis wordt bepaald door de stand van het hulpstuk waarop de buis wordt aangesloten.
    Bij Wavin-afvoersystemen worden de 88°–bochten behandeld alsof het 90°-bochten zijn; dit na overleg met de leverancier.


Verder tekenen met standaard hulpstuk

  • Het tekencommando is reeds actief, 
  • een buis is reeds geplaatst en het programma vraagt om het volgende punt
  •     Standaard hulpstuk: Bocht, T-stuk, Verloopstuk, Mof
  1. 1.    Toets <S> gevolgd door <Enter>
    of
    klik met rechter muistoets
  2. Selecteer in het venster het type hulpstuk en de afmetingen
    • Aanzicht
    • Soort hulpstuk
    • Aansluitdiameter(s)
  3. Klik op knop [ OK ]
    Gevraagd wordt de richting van de aftakking
    • Hulpstuk direct op bestaande buis plaatsen
      1. Geef het volgende punt op
    • Bestaande buis verlengen om hulpstuk zo te plaatsen dat de nieuwe buis door het aan te geven punt gaat
      1. Geef de manier van referentiepunt bepalen op. Type:
        • Referentie: <R> gevolgd door <Enter> – referentiepunt
        • rEf 45:       <E> gevolgd door <Enter> – voor aansluiten onder 45°
        • reF 90:       <F> gevolgd door <Enter> – voor aansluiten onder 90°
      2. Selecteer het referentiepunt met ObjectSnap
      3. Geef met relatieve coördinaten het punt op
        Als referentiepunt en gewenst punt identiek zijn: met @0,0


Verder tekenen met eigen hulpstuk

Alleen van toepassing als u zelf hulpstukken heeft aangemaakt via Usermenu, Afvoer, Maak symbool
  • Het tekencommando is reeds actief, 
  • Een buis is reeds geplaatst en het programma vraagt om het volgende punt
  1. Type <E> gevolgd door <Enter>
    of
    klik met rechter muistoets 
  2. Selecteer in het venster het type hulpstuk en de afmetingen
    • Aanzicht
    • Soort hulpstuk
    • Aansluitdiameter(s)
  3. Klik op knop [ OK ]
    Gevraagd wordt de richting van de aftakking
    • Hulpstuk direct op bestaande buis plaatsen
      1. Geef het volgende punt op
    • Bestaande buis verlengen om hulpstuk zo te plaatsen dat de nieuwe buis door het aan te geven punt gaat
      1. Geef de manier van referentiepunt bepalen op. Type:
        • Referentie: <R> gevolgd door <Enter> – referentiepunt
        • rEf 45:       <E> gevolgd door <Enter> – voor aansluiten onder 45°
        • reF 90:       <F> gevolgd door <Enter> – voor aansluiten onder 90°
      2. Selecteer het referentiepunt met ObjectSnap
      3. Geef met relatieve coördinaten het punt op
        Als referentiepunt en gewenst punt identiek zijn: met @0,0


Hulpstuk direct op het net geplaatste hulpstuk plaatsen

  • Het tekencommando is reeds actief, 
  • een buis is reeds geplaatst en het programma vraagt om het volgende punt
  1. Type <S> gevolgd door <Enter>
    of
    klik met rechter muistoets 
  2. Selecteer in het venster het type hulpstuk en de afmetingen
    • Aanzicht
    • Soort hulpstuk
    • Aansluitdiameter(s)
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Geef eventueel de richting van de bocht of aftakking aan


Lengte van het nieuwe buisdeel opgeven

  • Het tekencommando is reeds actief, 
  • een buis is reeds geplaatst en het programma vraagt om het volgende punt
  1. Type de gewenste lengte gevolgd door <Enter>
    Opgegeven lengte is van knikpunt tot knikpunt. Het programma kort de buis in bij het plaatsen van de hulpstukken.


Net geplaatste buis verlengen

  • Het tekencommando is reeds actief, 
  • een buis is reeds geplaatst en het programma vraagt om het volgende punt
  1. Geef het nieuwe eindpunt op
    De buis kan op deze manier niet worden verkort.


Terug naar Inhoudsopgave


Aansluiten afvoeren


Algemeen 

In een drietal situaties kunnen afvoerbuizen automatisch worden getekend of verlengd:

  • Een afvoer kan worden verlengd tot een reeds getekend hulpstuk. 
    • Deze situatie komt voor als hulpstukken en of leidinggedeeltes uit een (rechte) leiding zijn verwijderd.
  • Twee afvoerbuizen van dezelfde diameter in elkaars verlengde kunnen tot 1 buis worden samengevoegd. Hierbij worden de buisdelen zonodig automatisch verlengd.
  • Tussen twee hulpstukken met aansluitpunten in elkaars verlengde kan de tussenliggende buis automatisch worden gegenereerd.
Als meer dan 2 buizen en/of hulpstukken worden geselecteerd (met optie <crossing>) zal ‘de eerste de beste’ combinatie worden geselecteerd.
Als de hartlijn van de afvoer en het aansluitende hulpstuk niet in elkaars verlengde liggen (onder dezelfde hoek liggen) is het niet mogelijk automatisch de afvoer aan te sluiten. Het programma geeft dan een foutmelding.


Aansluiten afvoer op hulpstuk

  1. Klik op knop
    of
    selecteer menukeuze 'Aansluiten afvoer' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer aan te sluiten hulpstuk en aan te sluiten buis (bij buis: hartlijn)
    • eventueel met selectie-optie <crossing>
  3. Sluit selectie af met <Enter> 


Aansluiten van twee afvoeren op elkaar

  1. Klik op knop
    of
    selecteer menukeuze 'Aansluiten afvoer' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer hartlijnen van de twee samen te voegen buizen
    • eventueel met selectie-optie <crossing>
  3. Sluit selectie af met <Enter>


Buis tussen twee hulpstukken genereren

  1. Klik op knop
    of
    selecteer menukeuze 'Aansluiten afvoer' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer de twee hulpstukken waartussen de buis moet komen
    • eventueel met selectie-optie <crossing>
  3. Sluit selectie af met <Enter>


Terug naar Inhoudsopgave


Opdelen buizen in standaard lengtes


Algemeen

Afvoeren kunnen worden opgedeeld in standaardlengtes. Tevens kan worden aangegeven of voor de restlengtes een vaste maat moet worden genomen.

De standaardlengten zijn afhankelijk van het fabrikaat (o.a. 4000mm en 5000mm.)


In de instelling is vastgelegd dat de minimale lengte 300mm bedraagt. Via NOR-Options (Menu 'Applicatie', 'Instellingen', 'Algemeen', onderdeel 'Afvoeren', tabblad 'Algemeen') is dat aan te passen.


     


Opdelen riool

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Opdelen afvoer' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer de hartlijn van de te splitsen afvoer
    Venster 'Opdelen afvoer' verschijnt, met melding aantal standaardlengtes en restlengte.
  3. Wijzig eventueel:
    • Standaardlengte
    • Mof keuze
    • Min. restlengte
      Als de lengte korter is als de standaardlengte wordt de afvoer niet opgedeeld.
  4. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Genereren bochten en T-aansluitingen


Algemeen

Twee afvoeren kunnen verbonden worden met een bochtstuk of T-stuk.

De afvoeren worden automatisch verlengd of ingekort.

De afvoeren moeten, afhankelijk van de beschikbare buizen en T-stukken, onder een hoek van 22°, 45° of 90° met elkaar staan.


De diameters van de afvoeren kunnen ongelijk zijn; een verloopbocht of verloopstuk wordt dan gegenereerd.

Bij een T-stuk moet de diameter van de doorgaande afvoer groter dan of gelijk aan de diameter van de aftakking zijn.


Genereren bochtstuk

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Genereren Bochtstuk' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer hartlijn eerste afvoer
  3. Selecteer hartlijn tweede afvoer
  4. Selecteer bocht


Genereren T-stuk

  1. 1.    Klik op knop
    of
    selecteer 'Genereren T-stuk' in menu 'Bewerk'
  2. Selecteer hartlijn doorgaande afvoer:
    plaats bepaalt de stromingsrichting.
  3. Selecteer hartlijn aansluitende afvoer
  4. Indien afvoeren onder 90° :
    • Kies 'T-stuk'in Schermmenu
      • 45° m/m
      • 90° m/m


Wat kan er fout gaan

  • Geen hulpstukken aanwezig voor aanwezige hoek
  • Afvoeren bij bocht hebben ongelijke diameters.
  • Aftakking bij T-stuk heeft grotere diameter dan doorgaande afvoer. De grootste diameter wordt automatisch de doorgaande diameter.
  • Diameter van de aftakking komt bij T-stuk niet voor.
  • Aansluitingen zijn niet te maken als hulpstukken of buizen:
    • niet op Z-waarde=0 staan: 
      • Gebruik 'Z-waarde op 0' of knop
    • niet op 0º, 90º, 180º of 270º staan:
      • Gebruik 'Corrigeer' of knop


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen los hulpstuk


Algemeen

Hulpstukken kunnen op de tekening geplaatst worden, na opgave van gegevens.

Hulpstukken kunnen op een buis of hulpstuk geplaatst worden, waarbij de gegevens uit de tekening kunnen worden uitgelezen. Hierbij wordt de buis niet ingekort zoals dat bij het plaatsen tijdens het tekenen wel gebeurt.

Opm.    Bij de Wavin-afvoersystemen worden de 88 -bochten behandeld alsof het 90 -bochten zijn; dit na overleg met de leverancier.

 


Plaatsen hulpstuk ‘los’ op tekening

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Plaatsen' in menu 'Hulpstukken'
  2. Geef de positie op de tekening op
  3. Selecteer in venster 'Selecteer hulpstuk'
    • Aanzicht
    • Soort en type hulpstuk
    • Diameters van de aansluitingen
  4. Klik op knop [ OK ]
  5.  Geef de rotatie op
    Het volgende (identieke) hulpstuk kan direct geplaatst worden. De functie is repeterend. 


Plaatsen hulpstuk op buis

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Plaatsen' in menu 'Hulpstukken'
  2. Selecteer de hartlijn van de buis waarop het hulpstuk moet komen
  3. Selecteer in venster 'Selecteer hulpstuk'
    • Aanzicht
    • Soort en type hulpstuk
    • Diameters van de aansluitingen
      De keuze aan diameters zijn afhankelijk van de gevonden buisdiameter
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef de aftakrichting op.
    Het hulpstuk wordt automatisch aan het einde van de buis geplaatst; de buis wordt niet ingekort, zoals dat bij plaatsing van hulpstukken tijdens het tekenen gebeurt.


Plaatsen hulpstuk op hulpstuk

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Plaatsen' in menu 'Hulpstukken'
  2. Selecteer het hulpstuk waarop het hulpstuk moet komen
  3. Selecteer in venster 'Selecteer hulpstuk'
    • Aanzicht
    • Soort en type hulpstuk
    • Diameters van de aansluitingen
      De keuze aan diameters zijn afhankelijk van de gevonden aansluitdiameter: bij selectie van een mof worden alleen de hulpstukken met een passende spie getoond. 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef de aftakrichting op


Plaatsen hulpstuk in verlengde van buis of hulpstuk, zodat vervolg door referentiepunt gaat

  1. Klik op knop

    of
    selecteer 'Plaatsen' in menu 'Hulpstukken'

  2. Selecteer het hulpstuk of hartlijn van de buis waarop het hulpstuk moet komen
  3. Selecteer in venster 'Selecteer hulpstuk'
    • Aanzicht
    • Soort en type hulpstuk
    • Diameters van de aansluitingen
      De keuze aan diameters zijn afhankelijk van de gevonden aansluitdiameter: bij selectie van een mof worden alleen de hulpstukken met een passende spie getoond.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Toets <R> gevolg door <Enter> (voor opgave van referentiepunt)
  6. Geef het referentiepunt op
  7. Geef met relatieve coördinaten (@x,y of @a<h) het punt op waardoor de buis moet gaan
    Het hulpstuk wordt automatisch zo geplaatst dat een buis tussen eerste hulpstuk en nieuwe hulpstuk gegenereerd kan worden, en dat de buis aan de aftakkende kant door het aangegeven punt loopt


Terug naar Inhoudsopgave


Tekenen pijlen


Algemeen

Pijlen voor de opgaande en/of neergaande afvoeren kunnen worden geplaatst.

 

Pijlen tekenen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Pijlen...' in menu 'Hulpstuk'
  2. Selecteer pijlsoort uit ICON-menu
  3. Geef in de tekening aan waar de pijl moet komen te staan


Terug naar Inhoudsopgave


Coderen en bewerken van pijlen


Algemeen

Pijlen kunnen worden voorzien van coderingen; de positie van de codering kan worden gewijzigd. Coderingen kunnen worden verwijderd.

Pijlen kunnen worden verschaald.

Pijlen kunnen worden vervangen door een ander type pijl.

 


Vervangen van pijlen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Pijlen' in menu 'Bewerk', en 'Vervangen' in het vervolgmenu
  2. Selecteer een pijl van het te vervangen soort en type
    Hiermee wordt een laag- en blockfilter geactiveerd.
  3. Selecteer de nieuwe pijl in het iconenvenster
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de te vervangen pijlen met optie <window> of <crossing>
    Alleen de pijlen van het geselecteerde type worden vervangen door nieuwe.


Verschalen pijlen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Pijlen' in menu 'Bewerk', en selecteer 'Verschalen' in het vervolgmenu,
  2. Selecteer te verschalen pijlen
  3. Geef de schaalfactor op via het rechtermuistoets menu, of door intypen 


Omdraaien van pijlen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Pijlen' in menu 'Bewerk', en 'Draaien' in het vervolgmenu
  2. Selecteer de te draaien pijlen.


Diameteren afvoeren

  1. 1.    Klik op knop
    of
    selecteer 'Pijlen' in menu 'Bewerk', en 'Diameteren' in het vervolgmenu
  2. Geef de diameter op door:
    • Selecteren van diameter (shortcutmenu, schermmenu, intoetsen)
  3. Selecteer de te coderen pijlen (window-optie)
    De schrijfwijze (25mm of 1") kan worden aangepast via menu 'Applicatie', 'Instellingen', 'Algemeen', in venster 'Nordined Options' onderdeel 'Bematingen', tabblad 'Sanitair', subtabblad 'Afvoer'.


Gespiegelde pijlen resetten

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Pijlen' in menu 'Bewerk', en 'Reset gespieg. pijlen' in het vervolgmenu
  2. Selecteer de terug te spiegelen pijlen
    De gespiegelde pijlen worden teruggespiegeld. De coderingen blijven leesbaar


Verwijderen pijlcodering

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verwijderen' in menu 'Bewerk', en 'Pijlcodering' in het vervolgmenu
  2. Selecteer de te verwijderen pijlcoderingen


Terug naar Inhoudsopgave


Toekennen en tonen positienummers


Algemeen

Het is mogelijk om een label aan een afvoerleiding te hangen.

Het nummer in dit label, het positienummer, is uniek. Het label kan automatisch genummerd worden. Bij tellen van de onderdelen binnen de tekening wordt de positienummering weergegeven (bij totaliseren alleen het eerste posnummer van bepaalde buisdiameter).

De volgorde van de posnummers kan worden gewijzigd: gesorteerd binnen een aan te geven gebied.

Bij het opnieuw plaatsen van posnummers wordt niet gecontroleerd op dubbele posnummers. Als slechts voor een deel van de tekening posnummers opnieuw worden geplaatst moet dus gelet worden op het startnummer.
Aan te bevelen is dan ook om bij het opnieuw plaatsen van de posnummers de gehele tekening te selecteren en niet slechts een deel.

Lengte postnrlijn (mm) is afstand tussen bolletje en buitenkant buis (standaardinstelling). De lengte kan via 'Default…' in menu 'Afvoeren' worden vastgesteld.

Zie ook:

Aanmaken zaagstaat / telstaat hulpstukken


Toekennen posnummers, automatisch plaatsen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer menukeuze 'Automatisch' in menu 'Posnummers'
  2. Selecteer het gebied waarbinnen afvoeren moeten worden genummerd


Toekennen posnummers, handmatig plaatsen,

  1. Klik op knop
    of
    selecteer menukeuze 'Handmatig' in menu 'Posnummers'
  2. Selecteer het gebied waarbinnen afvoeren moeten worden genummerd
  3. Positioneer voor elke afvoer het posnummer


Verwijderen posnummers en opnieuw plaatsen

  1. 1.    Klik op knop
    of
    selecteer menukeuze 'Opnieuw' in menu 'Posnummers'
  2. Selecteer de posnummers die verwijderd moeten worden (optie <crossing>)
  3. Geef de startwaarde op.    ( = beginwaarde voor automatische nummering)
    Er vindt geen controle plaats op dubbele positienummering!


Sorteren posnummers

  • Posnummering is reeds aangebracht.
  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Sorteren' in menu 'Posnummers'
  2. Selecteer het gebied waarin de posnummers gesorteerd moeten worden
  3. Geef de richting van de sortering op
    • Voorbeeld: Linksboven naar rechtsonder
    • De buis linksboven krijgt het laagste posnummer, de buis rechtsonder het hoogste posnummer
    • De bestaande posnummers worden gebruikt, de nummers worden alleen aan een andere buis gekoppeld.


Zichtbaarheid van de posnummers

De zichtbaarheid van de posnummers en de kaders van de posnummers zijn afzonderlijk te regelen

  1. Selecteer 'Weergave' in menu 'Posnummers'
    of
    Klik op knop:
    • De posnummers zijn zichtbaar
    • De posnummers zijn onzichtbaar
    • De kaders (cirkel en verwijslijn) zijn zichtbaar
    • De kaders (cirkel en verwijslijn) zijn onzichtbaar


Wat kan er fout gaan

  • Positienummer is niet uniek
  1. Verwijder alle posnummers en kies voor opnieuw plaatsen.
    Wijzigen Posnummer met commando <DDATTE> is niet mogelijk, omdat de gegevens als extended data aan de hartlijn zijn gekoppeld.


Terug naar Inhoudsopgave


Aanmaken zaagstaat / telstaat hulpstukken


Algemeen

Een selectie van buizen en/of hulpstukken op de tekening kan worden geteld en gesorteerd. 

Het resultaat wordt zichtbaar in een venster. Vervolgens kan de zaagstaat / materiaalstaat

  • Op de printer worden afgedrukt
  • als ASCII bestand worden opgeslagen voor b.v. verwerking in een database
  • op de tekening worden geplaatst

In de vensters 'Tellen zaagstaat', 'Tellen hulpstukken' en 'Materiaalstaat' is bovendien mogelijk:

  • Wel/niet te totaliseren
  • Kolommen breder/smaller maken
    Als de kolombreedte op 0 wordt gebracht wordt de kolom ook onzichtbaar in de uitvoer naar printer, bestand en tekening.
  • Kolom verplaatsten
  • Sortering plaats te laten vinden op een bepaalde kolom, of over meerdere kolommen (sub-sorteringen)
  • Markering plaatsen bij in het venster geselecteerde buizen

 

Zaagstaat, telstaat hulpstukken of materiaalstaat aanmaken

  1. Klik op knop:
    •  of selecteer Zaagstaat in menu Tellen
    •  of selecteer Hulpstukken in menu Tellen
    •  of selecteer Materiaalstaat Algemeen in menu Tellen
    •  of selecteer Productiestaat Dyka in menu Tellen
  2. Selecteer de te tellen buizen en/of hulpstukken
    Het venster 'Tellen zaagstaat' verschijnt gesorteerd op diameter en daarbinnen op lengte van groot naar klein. De vensters 'Tellen hulpstukken' en de 'Materiaalstaat' verschijnen ongesorteerd. 
  3. Bepaal of de staat wel/niet getotaliseerd moet worden
    Wijziging van het venster worden uitgebreid beschreven in de handleiding NOR Algemeen.
  4. Maak het venster zonodig breder en/of hoger
  5. Pas zonodig de lay-out van het venster aan:

    U wilt …Doe . . .
    A.Kolommen sorteren
    1. Klik op de kolomkop voor de hoofdsortering
    2. Klik met <Ctrl> ingedrukt
    B.Kolommen verplaatsen
    1. Klik op de kolomkop en versleep de kolom naar de nieuwe positie
    C.Kolom onzichtbaar maken of verbreden/versmallen
    1. Versleep in de kolomkop het scheidinglijntje.
      Als de kolom geheel versmald wordt is de kolom onzichtbaar geworden; het scheidingslijntje wordt dan verkort weergegeven
    D.Overzicht als bestand wegschrijven
    1. Klik op knop [ Bestand ]
    2. Selecteer de juiste directory
    3. Geef de bestandsnaam op
    4. Klik op knop [ Save ]
    E.Overzicht naar printer versturen
    1. Klik op knop [ Printer ]
    2. Geef in venster 'Print Telstaat'zonodig:
      • kop- en voetteksten op
      • font en lettergrootte
      • marges
      • printerinstellingen (landscape/portrait)
    3. Klik op knop [ Print ]
    4. Klik in het printervenster op knop [ OK ]
    F.Overzicht op tekening plaatsen
    1. Pas eventueel de tekststijl aan
    2. Vink eventueel 'Rasterlijnen' aan
    3. Klik op knop [ Tekening ]
    4. Geef de teksthoogte op
      of
      toets <Enter>: voor de default teksthoogte
    5. Plaats het tabelkader op de tekening.
      Met opties in het aangrijpingspunt van links Onder te wijzigen in Rechts onder, Links boven of rechts Boven)
      Het telvenster verschijnt dan weer
    6. Klik op knop [ OK ] om het telvenster te verlaten 
  6. Klik op knop: 
    • [ Stop ] om het venster te verlaten; eventueel aangebrachte markeringen worden niet verwijderd;
    • [ x ] om venster te verlaten; eventueel aangebrachte markeringen worden wel verwijderd.


Markeren buizen of hulpstukken

  • Venster 'Tellen zaagstaat' of venster 'Tellen hulpstukken' actief
  1. Selecteer regel(s) van de te markeren buizen of hulpstukken
    • Als de telstaat is getotaliseerd zullen alle overeenkomstige buizen/hulpstukken worden gemarkeerd met een markeercirkel
    • Als de telstaat is niet is getotaliseerd zullen alleen de afzonderlijk geselecteerde buizen/hulpstukken worden gemarkeerd met een markeercirkel
    • Standaard Windows-selectie is mogelijk
      • Klikken op regel is selecteren/deselecteren
      • Klikken met toets <Ctrl> ingedrukt is erbij selecteren
      • Klikken met toets <Shift> ingedrukt is een reeks selecteren
  2. Klik op knop [ Markeer ]
    De geselecteerde buizen/hulpstukken worden gemarkeerd.
    Als een nieuwe selectie in het Telstaat venster wordt opgegeven, wordt bij het markeren daarvan de vorige markering eerst verwijderd.


Markering verwijderen bij verlaten telvenster

  1. Klik op knop [ Schoon ]
    of
    verlaat het telvenster met knop [ x ] en niet met knop [ OK ]


Markering verwijderen na verlaten telvenster

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Laagbewerking' in menu 'Bewerk', en 'Erase' in het vervolgmenu
  2. Selecteer een markeercirkel voor het bepalen van het laagfilter
  3. Selecteer de te verwijderen markeercirkels (met <window>-optie)


Aanwijzing

  • Verwijder de op tekening geplaatste telstaten na wijziging in posnummering. Daarna nieuw telstaat plaatsen.


Terug naar Inhoudsopgave


Aanmaken exportbestand voor DYKA


Algemeen

Vanuit de materiaalstaat is een exportbestand voor DYKA aan te maken. Dyka kan dit exportbestand dan als order in hun administratief systeem inlezen.

De algemene werkwijze is als volgt:

  1. Teken het afvoersysteem
  2. Voorzie de leidingen van posnummers
  3. Genereer van het te bestellen afvoerstysteem een materiaallijst
  4. Totaliseer de gegevens
  5. Sorteer de materiaalstaat op Lengte en daarna op Posnummer
  6. Genereer het exportbestand en vul de ordergegevens in 

Voor het exportbestand moeten de volgende zaken worden opgegeven

  • Algemene projectgegevens
    • Order- en projectnummer 
    • Projectomschrijving
    • Tekening
  • Bestelgegevens
    • Bestel- en Afleverdata
    • Afleveradres
    • Wel/Geen voormontage
      Bij voormontage wordt de prefab voorgemonteerd geleverd. De tekening moet dan wel worden meegestuurd
    • Aantal sets:
      Aantal sets houdt in dat de gehele bestelling in dat aantal moet worden geleverd:
      2 sets betekent: 2x de aantallen op de materiaalstaat

Het exportbestand kan met een apart programma worden opgeroepen om de project-, aflever- of adresgegevens aan te passen.

   

Exportbestand voor DYKA aanmaken

  • Materiaalstaat is gegenereerd, telvenster open
  1. Vink rechtsboven in het venster aan: Getotaliseerd
  2. Maak een sortering op lengte (hoog naar laag) door 2x klikken op de kolomkop 'Lengte'
  3. Maak een subsortering door met <Ctrl> ingedrukt 1x te klikken op kolomkop 'Posnr'.
  4. Klik op knop [ Prefab Dyka ]
  5. Geef de gegevens op in venster 'Export artikel en ordergegevens'
    • Order- en projectnummer, projectomschrijving, tekeningnummer
    • Bestel en afleverdatum
    • Afleveradres
    • Aantal sets
    • Wel/geen voormontage
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Geef de bestandsnaam en de map voor het exportbestand op
    Het exportbestand wordt aangemaakt en moet worden verstuurd naar Dyka. Indien voormontage gewenst is moet ook de betreffende tekening worden meegestuurd.
    Dyka kan dit exportbestand als order in hun administratief systeem inlezen.


Aanpassen algemene gegevens van een exportbestand

  • Exportbestand al aangemaakt
  1. Start programma 'Dyka Orderbestand' via:
    [ Start ], Cadac Group, Dyka Orderbestand 
    Als deze functie vaker gebruikt wordt kunt u een snelkoppeling daarvoor op het bureaublad plaatsen, en daarmee de functie starten. Sleep hiervoor de snelkoppeling vanuit [ Start ], Cadac Group, Dyka Orderbestand naar uw bureaublad.
  2. Klik op knop [ Open order ]
  3. Zoek het exportbestand op en open het
  4. Pas de gegevens aan
  5. Klik op knop [ Opslaan ]


Terug naar Inhoudsopgave


Genereren en verwijderen van sparingen


Algemeen

De sparingen worden gegenereerd aan de hand van verticale aftakkingen in de afvoeren.

  • De afmeting van de sparing is in principe afhankelijk van de maat van het hulpstuk
    • door 'Default' aan te vinken worden de standaard maten uit %AppData%\Cadac Group\Techniek 10.x\Av\i\Afvoer.ini gebruikt
    • Als 'Default' niet wordt aangevinkt zijn eigen maten op te geven.
  • Alle sparingen staan op één laag (WB522---_SPARING).
    Via menu 'Algemeen', 'Laaginstelling', 'Status' kan de laag uit gezet worden.
  • De maatvoering van de sparingen komt op een aparte maatvoeringslaag.
  • Een ‘kale’ sparingstekening (alleen bouwkundig + sparingen) wordt verkregen door het uitzetten van de overige Afvoer-lagen

 

Genereren ronde sparingen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Sparing…' in menu 'Hulpstuk'
  2. Geef in venster 'Invoeren sparing'op:
    • Type sparing: Rond
    • Default afmetingen
      • Ja: vink Default aan
      • Nee: geef dan de afmetingen op
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de hulpstukken waarvoor een sparing moet worden gegenereerd
    • optie <crossing>
      Bij het genereren van de sparingen worden de sparingen automatisch bemaat.


Genereren rechthoekige sparingen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Sparing…' in menu 'Hulpstuk'
  2. Geef in venster 'Invoeren sparing'op:
    • Type sparing: Recht
    • Default afmetingen
      • Ja: vink Default aan
      • Nee: geef dan de afmetingen op
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Selecteer de hulpstukken waarvoor een sparing moet worden gegenereerd
    • optie <crossing>
  5. Wijs de lijn aan waarmee de sparingen mee moeten uitlijnen
    Bij het genereren van de sparingen worden de sparingen automatisch bemaat.


Verwijderen sparingen

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Verwijder Sparing' in menu 'Hulpstuk'
  2. Selecteer de sparingen die verwijderd moeten worden.
    • optie <crossing>)


Terug naar Inhoudsopgave


Enkel-/dubbellijnige presentatie


Algemeen

Om bij een uitgebreide tekening een duidelijk overzicht te krijgen van de getekende leidingen, kan er een enkellijnige presentatie van alle leidingen worden gegenereerd: alleen de hartlijn van de leiding wordt dan getekend.

Bij het tekenen van leidingen en plaatsen van hulpstukken wordt automatisch omgeschakeld naar de dubbellijnige presentatie.

 


Genereren enkellijnige presentatie

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Presenteer' in menu 'Bewerk', en 'Enkellijnig'in het vervolgmenu
    het enkellijnige schema wordt getoond.


Wisselen tussen enkellijnig en dubbellijnig

  1. Klik op knop
    of
    selecteer 'Presenteer' in menu 'Bewerk', en 'Dubbellijnig'in het vervolgmenu
    het dubbellijnig schema wordt getoond.


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld