Naar hoofdinhoud

Stroomkringschema LT -04- Bewerken Stroomkringschema - TheModus Suite LT (Nordined LT)

How to - Stroomkringschema LT

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Bewerken Stroomkringschema

Kopiëren / spiegelen / vervangen / verwijderen symbool


Symbolen kunnen worden gespiegeld

Reeds geplaatste symbolen kunnen worden vervangen door een ander reeds geplaatst symbool(type). 

Als het vervangende symbool even groot is als het oude symbool zullen de aansluitdraden goed aansluiten.
Als het vervangende symbool groter of kleiner is moet het bestaande symbool eerst verwijderd worden, en dan pas kan het nieuwe symbool geplaatst worden.

Symbolen kunnen worden verwijderd, waarbij de draadeinden weer worden verbonden.

Symbolen kunnen meervoudig worden gekopieerd; deze functie is vooral handig bij het plaatsen van klemmen.

 


Kopiëren symbool

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Multi-kopie' in rolmenu 'Bewerk'
    • Y-coördinaat niet overnemen, nietin lijn plaatsen
      Kopiëren gebeurt via het standaard AutoCAD commando Copy, Multiple
      1. Kies "Los"
      2. Geef aan waar de kopie geplaatst moet worden
        • Huidig blad
        • Ander blad
      3. Klik op knop [ OK ]
      4. Selecteer het te kopiëren symbool/symbolen
      5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
        Het invoegpunt van het symbool wordt als basispunt voor de verplaatsing genomen.
      6. Indien "ander blad" was opgegeven: kies het blad uit het menu
      7. Plaats telkens het symbool op tekening
      8. Sluit af met <Enter>
    • Y-coördinaat niet overnemen, welin lijn plaatsen
      Kopie van het symbool wordt in de lijn geplaatst op de aangegeven positie (hoogte), de lijn zelf wordt onderbroken.
      1. Kies "In lijn"
      2. Vink uit "Y-coordinaat overnemen van bronsymbool"
      3. Geef aan waar de kopie geplaatst moet worden
        • Huidig blad
        • Ander blad
      4. Klik op knop [ OK ]
      5. Selecteer het te kopiëren symbool
      6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
      7. Indien "ander blad" was opgegeven: kies het blad uit het menu
      8. Selecteer de draden waarin het symbool moet worden gekopieerd
      9. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
      10. Geef de hoogte (Y-coördinaat) op door klikken op de tekening
      11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
        In alle geselecteerde draden wordt het symbool op de aangegeven hoogte geplaatst; de draden worden onderbroken.
    • Y-coördinaat wel overnemen, welin lijn plaatsen
      Kopie van het symbool wordt in de lijn geplaatst op dezelfde positie (hoogte) als het basissymbool, de lijn zelf wordt onderbroken.
      1. Kies "In lijn"
      2. Vink aan "Y-coördinaten overnemen" en "In lijn plaatsen" 
      3. Geef aan waar de kopie geplaatst moet worden
        • Huidig blad
        • Ander blad
      4. Klik op knop [ OK ]
      5. Selecteer het te kopiëren symbool
      6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
      7. Indien "ander blad" was opgegeven: kies het blad uit het menu
      8. Selecteer de draden waarin het symbool moet worden gekopieerd
      9. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
        In alle geselecteerde draden wordt het symbool op dezelfde hoogte geplaatst als het oorspronkelijke symbool; de draden worden onderbroken.


Symbolen spiegelen

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Spiegelen' in rolmenu 'Bewerk'
  3. Wijs het type symbool aan dat gespiegeld moet worden
  4. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    Het symbool wordt nu gespiegeld over de X-as
    Voor contacten kan het symbool al bij plaatsing worden gespiegeld, door dit in het dialoogvenster
    'Relaiscontact' aan te geven


Vervangen symbool (nieuwe symbool al op tekening aanwezig)

Deze methode kan worden toegepast bij symbolen van gelijke grootte. Bij symbolen van ongelijke grootte worden met deze methode wel de symbolen vervangen, maar zullen de draden vervolgens niet meer goed aansluiten op de symbolen. Gebruik hiervoor de functie ‘Aanhelen’ om het symbool te verwijderen en de lijnen te helen en plaats het symbool opnieuw.
  1. Zorg ervoor dat het nieuwe symbool in de tekening staat
  2. Klik op knop [ Bewerk ]
  3. Selecteer 'Vervangen' in rolmenu 'Bewerk'
  4. Selecteer het nieuwe symbool
    • klik op [ OK ] in het commandovenster
      of
      toets <F11>
  5. Selecteer één van de te vervangen symbolen als voorbeeld
    1. klik op [ OK ] in het commandovenster
      of
      toets <F11>
  6. Geef nu het gebied op waarvan de symbolen van het aangewezen type vervangen moeten worden.
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    Als de te vervangen symbolen attributen hebben die overeenkomen met attributen van het nieuwe symbool, dan blijft de ‘oude’ codering gehandhaafd.


Verwijderen symbool

Met deze functie kunnen onderbroken lijnen worden geheeld. Als de lijn onderbroken wordt door een symbool kan deze uit de lijn worden verwijderd.
  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Aanhelen' in het rolmenu 'Bewerk'
  3. Selecteer  m.b.v. een crossing in één keer de twee te helen lijnen, met het symbool dat de lijn onderbreekt.
  4. Klik op [ Ja ] bij de vraag ‘Geselecteerd symbool verwijderen?’, als het symbool verwijderd moet worden.
    De lijnen worden nu geheeld.


Terug naar Inhoudsopgave


Kopiëren groepen


Groepen in de tekening kunnen worden gekopieerd, eventueel naar een ander blad.

Groep kopiëren

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Kopiëren groep' in het rolmenu
  3. Geef het invoegpunt van de te kopiëren groep op
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  5. Selecteer alle onderdelen van de te kopiëren groep
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  7. Selecteer het blad in de lijst waar de groep naar toe moet worden gekopieerd
  8. Klik op knop [ OK ]
  9. Plaats de groep op het geselecteerde blad
  10. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  11. Geef in venster 'Coderen' de codering op
  12. Klik op knop [ Coderen ]
  13. Selecteer de te coderen onderdelen
  14. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster


Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken aansluitingen


Met de functies T-aansluiting en Hoek-aansluiting kunnen horizontaal en verticaal getekende draden op elkaar worden aangesloten. 

Met een code wordt de volgorde aangegeven. De code geeft van links naar rechts aan op welke raildraad de opeenvolgende draden worden aangesloten.

Tevens kunnen aftakkingen worden gemaakt.

 

 

T-aansluiting op rail maken

  • Menu 'Hoofdstroom' is actief
  1. Selecteer knop
  2. Selecteer 'T-aansluiting' in het rolmenu
  3. Selecteer de draden van de rail (optie <crossing>)
  4. Selecteer de draden van de voeding/groep (optie <crossing>)
  5. Klik op knop [ OK ] in het commando venster
    of
    klik op knop [ Opnieuw } om de selectie van draden opnieuw te maken
  6. Geef de aansluitvolgorde van de draden aan in het dialoogvenster 'Volgorde'
  7. Klik op knop [ OK ] in dialoogvenster 'Volgorde'
    De T-aansluiting wordt gemaakt.
  8. Selecteer draden voor het maken van de volgende T-aansluiting
    of
    klik op knop [ Stoppen ] voor het beëindigen van de functie

Hoek-aansluiting op rail maken

  • Menu 'Hoofdstroom' is actief
  1. Selecteer knop
  2. Selecteer 'Hoek-aansluiting' in het rolmenu
  3. Selecteer de (horizontale) draden van de rail (optie <crossing>) aan de zijde waar de draden moeten blijven staan.
  4. Klik op knop [ OK ] in het commando venster
  5. Selecteer de (verticale) draden van de voeding/groep (optie <crossing>)
  6. Klik op knop [ OK ] in het commando venster
  7. Geef de aansluitvolgorde van de draden aan in het dialoogvenster 'Volgorde'
  8. Klik op knop [ OK ] in dialoogvenster 'Volgorde'
    De hoek-aansluiting wordt gemaakt.
    Volgende hoekaansluiting maken?
  9. Klik in het pop-up venster op knop:
    • [ Ja ] voor genereren volgende Hoek-aansluiting
    • [ Nee ] voor het beëindigen van de functie

Aftakking maken

  1. Selecteer knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Aftakking' in het rolmenu
  3. Selecteer de doorgaande draad aan de kant van de aftakking (klikpunt 1.)
  4. Klik op knop [OK] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  5. Selecteer de aftakkende draad (klikpunt 2.)
  6. Klik op knop [OK] in het commandovenster
    of
    toets <F11>.


Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken alle gegevens van 1 symbool


Afhankelijk van het type symbool wordt een specifiek venster getoond om waarden in te vullen.

Als een symbool geen specifieke waarden bevat wordt het venster 'Overige typen' getoond.

  • Voor symbolen uit Sklt menu's komt :
    • het dialoogvenster 'Overige symbolen'alleen op: 
      • als bij de extra gegevens het veld 'Soort symbool' is leeggelaten
        en
      • de attributen Ek-oms, Ek-Fab en Ek-mtl aan het symbool zijn toegevoegd
        Hierdoor zijn gegevens als fabrikaat, type en afmetingen op te geven; dit laatste is van belang voor de kastindeling.
    • het dialoogvenster 'Edit Attributes'op
      • als bij de extra gegevens het veld 'Soort symbool' is leeggelaten
        en
      • de attributen Ek-oms, Ek-Fab en Ek-mtl niet aan het symbool zijn toegevoegd

Voor een aantal van de gegevens van een symbool zijn slechts een beperkt aantal waarden mogelijk. Deze waarden kunnen via selectielijsten gekozen worden. 

Een aantal selectiewaarden kan zelf worden opgegeven, via Relaties, Eigen Type.

De gegevens van één symbool kunnen op twee manieren worden bewerkt:

  • Door het intypen van gegevens in de dialoogvensters
  • Door, waar mogelijk, waarden te kiezen uit een selectielijst met standaardwaarden voor dat specifieke type onderdeel

   

  

 

   

 

Alle gegevens van één symbool bewerken

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Waarden' in het rolmenu
  3. Selecteer het symbool waarvan gegevens moeten worden bewerkt
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  5. Vul de gegevens in het venster in, of selecteer uit de mogelijke waarden
    • Veiligheid
      De waarde van de houder wordt automatisch aangepast aan het type.
    • Relaiscontact
      • De codering kan direct worden ingevuld
      • De codering kan worden gekozen uit een lijst van reeds gecodeerde spoelen
      • De codering kan worden overgenomen van een te selecteren spoel in de tekening
      • De mogelijke klemmen zijn afhankelijk van het type relais en de reeds gebruikte klemmen in de tekening. 
      • Bij de standaardinstellingen (menu Relaties, Type relais) zijn eigen typen relais op te geven.
      • Omkeren = verwisselen van klemnummers
      • Spiegelen = symbool grafisch spiegelen; klemmen blijven ongewijzigd.
    • Relaisspoel
      • Type wordt gekozen
      • De mogelijke klemnummers zijn afhankelijk van het type.
        Door een vinkje kan worden aangegeven of bij wijziging van de code gelijk gecodeerde contacten door de gehele tekening ook moeten worden aangepast.
      • Bij afsluiten met knop [ OK ] wordt gecontroleerd of er niet meer spoelen met dezelfde codering voorkomen. 
    • Thermisch relais
    • Automaten/Schakelaars
    • Overige symbolen
      De waarde van het bereik wordt automatisch aangepast aan het type.
  6. Klik op knop [ OK ]
  7. Selecteer een volgend symbool en klik op knop [ OK ] in het commando veld
    of
    klik op knop [ Stoppen ] om de functie te beëindigen.


Terug naar Inhoudsopgave


Codering overnemen van ander symbool


Als meerdere symbolen identiek gecodeerd moeten worden is het mogelijk van een symbool de codering over te nemen en dit te kopiëren naar een ander symbool.

Overnemen codering van ander symbool - algemeen

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Code' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Gelijke Code' in het vervolgmenu
  4. Selecteer het symbool waarvan de attributen moeten worden overgenomen (Lezen)
  5. Klik op knop [ OK ] in het commando venster
  6. Selecteer de symbolen waarvan de attributen moeten worden ingevuld (Schrijven)
  7. Klik op knop [ OK ] in het commando venster
  8. Selecteer opnieuw een symbool waarvan de attributen moeten worden overgenomen en klik in het commando venster op knop [ OK ]
    of
    klik op knop [ Stoppen ] om de functie te beëindigen
Als een verkeerd symbool is aangewezen kan met knop [ Opnieuw ] in het commandoblok de selectie ongedaan worden gemaakt. Daarna kan het juiste symbool worden geselecteerd.

Overnemen codering relaiscontact van relaisspoel uit tekening

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Waarde' in het rolmenu
  3. Selecteer de te coderen relaisspoelen in de tekening
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  5. Klik in het dialoogvenster op knop […] bij 'Code'
  6. Selecteer de spoel waarvan de codering moet worden overgenomen
  7. Klik op knop [ OK ]

Overnemen willekeurige attribuutwaarden naar ander symbool

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Attributen' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Codering wijzigen' in venster 'Bewerk attributen'
  4. Geef de methode van wijzigen op
    • Per Block
    • Per stuk
    • Gelijk
  5. Klik op knop [ OK ]


Terug naar Inhoudsopgave


Controle relaiscodering


De tekening kan gecontroleerd worden op:

  • contacten zonder spoel
  • dubbele spoelen
  • onbekende typen relais

Aangegeven wordt waar deze zich bevinden.

 


Relaiscodering controleren

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Relaiscontrole'in het rolmenu
    Afhankelijk van de gevonden fouten komen een of meer venster (na elkaar) op
    Het venster wordt geopend
  3. Klik op knop [ Markeer ] om de contacten zonder spoel op te zoeken op tekening
  4. Klik in het commandovenster op
    • Knop [ OK ] om door te gaan en de markering te laten staan
    • Knop [ Schonen ]om door te gaan en de markeringen te verwijderen
      Het controlevenster verschijnt weer
  5. Klik op knop [ Doorgaan ]voor het volgende controlevenster
    Als er geen volgende vensters meer zijn wordt de functie afgesloten


Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken gegevens van symbolen, groepsgewijs


Symbolen kunnen groepsgewijs bewerkt worden:

    Het opvolgend nummeren van aan te wijzen symbolen

    Het automatisch nummeren van symbolen in een gebied

    Het coderen van een groep

Voor klemmen zijn aparte nummeringsmethoden beschikbaar.

 

 

Opvolgend nummeren van symbolen

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Code' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Nummeren' in het vervolgmenu
  4. Wijs het type symbool aan dat genummerd moet worden
    Hieruit worden de defaults afgeleid.
  5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  6. Geef de voorlooptekst op in het dialoogvenster
  7. Klik op knop [ OK ]
    Default wordt dit afgeleid uit het aangewezen symbool.
  8. Geef het beginnummer op in het dialoogvenster
  9. Klik op knop [ OK ] 
    Default wordt dit afgeleid uit het aangewezen symbool.
  10. Wijs de te nummeren symbolen aan
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    De aangewezen symbolen worden genummerd.
  12. Met knop [ Stoppen ] in het commando venster kan de functie beëindigd worden.

Automatisch nummeren van symbolen in een gebied

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Code' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Doornummeren' in het vervolgmenu
  4. Wijs het type symbool aan dat genummerd moet worden
    Hieruit worden de defaults afgeleid. Tevens wordt hiermee het filter bepaald voor het selecteren/aanwijzen van symbolen.
  5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  6. Geef de voorlooptekst op in het dialoogvenster
  7. Klik op knop [ OK ]
    Default wordt dit afgeleid uit het aangewezen symbool.
  8. Geef het beginnummer op in het dialoogvenster
  9. Klik op knop [ OK ] 
    Default wordt dit afgeleid uit het aangewezen symbool.
  10. Geef het gebied aan waarbinnen de symbolen genummerd moeten worden
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    De symbolen worden van links naar rechts en van boven naar beneden genummerd.
  12. Met knop [ Stoppen ] in het commandovenster kan de functie worden beëindigd.

Coderen van een groep, per groep

Deze methode van coderen wordt toegepast:
bij de standaardgroepen door het toekennen van eenzelfde groepnummer aan het hoofdstroom- en het stuurstroomdeel de relatie uniek is gemaakt.
  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Coderen groep' in het rolmenu
  3. Geef in het venster op
    • Methode van coderen: Groep
    • Groep: nummer (door ingeven, of door selecteren van ander symbool op tekening via knop […] )
  4. Klik op knop [ Coderen ]
  5. Selecteer alle symbolen van een groep
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    Bij de geselecteerde symbolen wordt het nummer voor de codeletter geplaatst:
    bijv. Groep = '7', dan '5K3' wordt '7K3 en '5U' wordt '7U'
  7. Klik in het venster 'Coderen'op
    • Knop [ Coderen ] om de volgende groep te coderen (stap 3 t/m 6)
    • Knop [ Sluiten ] om de functie te beëindigen
    • Knop [ Undo ] om de laatste codering ongedaan te maken.

Coderen van een groep, met Tag's

Deze methode van coderen wordt toegepast:
bij omvangrijke installaties krijgt elke aandrijving en elk meetcircuit een eigen tag- nummer. Per tekeningblad komt (als regel) maar een tag voor. Meer bladen per tag is wel mogelijk.
Niet elk onderdeel wordt met de volledige code gemerkt, maar dan wordt het tag-nummer op het compartiment vermeld.
Het tagnummer kan per blad worden opgegeven in de inhoudsopgave via knop [ Opzet ], keuze 'Blad' in het rolmenu. Dubbelklikken op "Tag" in dialoogvenster 'Inhoudsopgave'.
  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Coderen groep' in het rolmenu
  3. Geef in het venster op
    • Methode van coderen: Tag
    • Tag: (het nummer ligt vast)
  4. Klik op knop [ Coderen ]
    Alle symbolen op het huidige blad worden voorzien van hetzelfde tag-nummer; een groepsnummer vervalt.:
    bijv. Tag = '1234', dan '5K3' wordt '1234' + 'K3'
  5. Klik in het venster 'Coderen'op
    • Knop [ Coderen ] om de volgende groep te coderen (stap 3 t/m 4)
    • Knop [ Sluiten ] om de functie te beëindigen
    • Knop [ Undo ] om de laatste codering ongedaan te maken.

Coderen van een groep, per blad

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Coderen' groep in het rolmenu
  3. Geef in het venster op
    • Methode van coderen: Blad
    • Blad: bladnummer – ligt vast
    • Aan-/Uitvinken Alleen dit blad
  4. Klik op knop [ Coderen ]
    OP ALLE BLADEN wordt de codering gewijzigd.
    De codering bestaat uit: <bladnummer><codeletter><volgnummer>
    Op elk blad begint voor elke codeletter het volgnummer bij 1.
  5. Klik in het venster 'Coderen'op
    • Knop [ Coderen ] om de volgende groep te coderen (stap 3 t/m 4)
    • Knop [ Sluiten ] om de functie te beëindigen
    • Knop [ Undo ] om de laatste codering ongedaan te maken.

Coderen van een groep, per kast

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Coderen groep' in het rolmenu
  3. Geef in het venster op
    • Methode van coderen: Kast
  4. Klik op knop [ Coderen ]
    OP ALLE BLADEN wordt de codering gewijzigd.
    De codering bestaat uit: <codeletter><volgnummer>
    Per codeletter begint het volgnummer bij 1.
  5. Klik in het venster 'Coderen' op knop [ Sluiten ]

Coderen van een groep, per stramien

Per stramien komt (als regel) maar één symbool per soort voor, waarbij de code van het stramien wordt afgeleid. Bij meerdere symbolen met dezelfde codeletter – van dezelfde soort – binnen één stramien wordt de codering automatisch aangepast.
  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Coderen groep' in het rolmenu
  3. Geef in het venster op
    • Methode van coderen: Stramien
    • Aan-/Uitvinken Alleen dit blad
  4. Klik op knop [ Coderen ]
    OP ALLE BLADEN wordt de codering gewijzigd indien “Alleen dit blad” niet is aangevinkt.
    De codering bestaat uit: <bladnummer><codeletter><stramiennummer>.
    Bij meerdere gelijke codes wordt een volgnummer toegevoegd: <bladnummer><codeletter><stramiennummer>.<.volgnr.>

    Als bij de algemene instellingen is gekozen voor doornummeren kolommen vervalt het bladnummer.
    De codering wordt dan <codeletter><stramiennummer>
    Bij meerdere gelijke codes wordt een volgnummer toegevoegd: <codeletter><stramiennummer>.<.volgnr.>

    Het stramiennummer staat in de bovenrand van het kader.
  5. Klik in het venster 'Coderen' op knop [ Sluiten ]
    Mocht er iets fout gaan bij het coderen, dan kan de bewerking ongedaan worden gemaakt door te klikken op knop [ Undo ] in het commando venster
    -    voordat met knop [Coderen] een nieuwe coderingsbewerking wordt uitgevoerd, en
    -    voordat met knop [Sluiten] de functie wordt afgesloten


Klemmen coderen

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Klemmenstrook' in het rolmenu
  3. Selecteer een type klem
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  5. Geef de opbouw van de codering op in venster 'Klemnummers'
  6. Geef aan hoe de nummering rond/naast de klem geplaatst moet worden
  7. Geef op hoe genummerd moet worden
    • per Stuk
    • Selectie, met sortering
    • Per Strook, met sortering
  8. Klik op knop [ OK ]
  9. Selecteer de te nummeren klemmen
  10. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  11. Selecteer de volgende klemmen
    of
    beëindig de functie door te klikken op knop [ Stoppen ] in het commandovenster
    of
    toets <F12> 
  12. Klik in venster 'Klemnummers' op knop [ Selecteer nieuw klemtype ]
    of
    klik op knop [ Sluiten ]
Voor eigen symbolen van klemmen kunnen in het dialoogvenster voor de klemmenstrook eigen klemtypen worden toegekend. Voorwaarde is dat zowel het eigen symbool als het eigen type zijn aangemaakt. Zie Eigen typen symbolen maken/wijzigen.


Terug naar Inhoudsopgave


Teksten bij motorgroepen


Bij de geplaatste motorgroepen kunnen achteraf tekstuele gegevens in de vorm van tekstblokken worden geplaatst.

    Plaatsen teksten (als attribuutgegevens in AutoCAD-blocks)

    Coderen van de tekstblokken (invullen attribuutgegevens)

    Overnemen gegevens uit tekstblokken van gerelateerde (motor)groepen

    Invullen van labels bij kastaanzicht met gegevens uit de tekstblokken

Er is een tekstblok met attributes meegeleverd (..\Sklt\B\GrpLabel.dwg); u kunt dit aanpassen of zelf een tekstblok maken en deze activeren met de functie Instellen.

Voor de afzonderlijke attributen kunnen keuzelijsten met standaardgegevens worden gemaakt met een configuratiebestand met dezelfde naam als de naam van het tekstblok

Bijvoorbeeld: Tekstblok=GrpLabel.dwg en Configuratiebestand=GrpLabel.ini.

Deze tekstblokken kunnen automatisch als labels op het kastaanzicht worden geplaatst. Zie daarvoor: Plaatsen labels op kastaanzicht op bladzijde 71.

 


Aanmaken keuzelijsten voor standaard gegevens in tekstblokken

  • Tekstblok met de gewenste attributen is aangemaakt
  1. Maak met Notepad/Kladblok een nieuw tekstbestand aan
    of
    wijzig een bestaand configuratiebestand
  2. Geef als eerste sectie op [BLOCK]
    Met daaronder: Blockname=<tekeningnaam van het tekstblock>
  3. Geef per attribuut een sectie op, met daaronder de standaard gegevens
  4. Sla het configuratiebestand met als naam <tekeningnaam van tekstblok>.ini in dezelfde map als die van het tekstblok

Instellen tekstblok

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Tekstblok groep' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Instellen'in het vervolgmenu
    In het dialoogvenster wordt gemeld op welk symbool de applicatie is ingesteld. Gevraagd wordt of de instelling moet worden gewijzigd.
  4. Klik op knop [ Ja ]
  5. Selecteer de tekening (.dwg) van het gewenste tekstblok en klik op knop [ Open ]
  6. Klik op knop [ OK ]

Plaatsen tekstblok

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Tekstblok groep' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Plaatsen' in het vervolgmenu
  4. Geef het plaatsingspunt en rotatie op in de tekening
  5. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    In venster 'Tekstblok groep' worden de attributen getoond die in het tekstblok voorkomen
  6. Vul de attributen in
    • Selecteer gegeven per attribuut uit lijst door klikken op knop [ v ] 
    • Selecteer gegevens van ander tekstblok uit lijst door klikken op knop [ v ] in vak 'Overnemen'
    • Selecteer gegevens van ander tekstblok uit tekening door klikken op knop […] in vak 'Overnemen'
    • Door intypen van gegevens
  7. Klik op knop [ Codeer ] om de gegevens op tekening te plaatsen

Achteraf of opnieuw coderen van tekstblokken

  1. Klik op knop [ Bewerk ]
  2. Selecteer 'Tekstblok groep' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Coderen' in het vervolgmenu
  4. Selecteer het tekstblok dat gecodeerd moet worden
  5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  6. Geef in venster 'Tekstblok groep'de codering op
    • Selecteer gegeven per attribuut uit lijst door klikken op knop [ v ]
    • Selecteer gegevens van ander tekstblok uit lijst door klikken op knop [ v ] in vak 'Overnemen'
    • Selecteer gegevens van ander tekstblok uit tekening door klikken op knop […] in vak 'Overnemen'
    • Door intypen van gegevens
  7. Klik op knop [ Codeer ] om de gegevens op tekening te plaatsen


Terug naar Inhoudsopgave


Verwijzingen genereren


De verwijzingen tussen de onderdelen in het Stroomkringschema kunnen automatisch worden gegenereerd.

Vlaggen worden automatisch geplaatst. Er vindt een controle plaats op ontbrekende coderingen.

De hoogte van het invoegpunt van de vlag kan worden opgegeven. De verwijzingsvlag wordt onder het symbool waar het bij hoort geplaatst. 

Tijdens het genereren van de verwijzingen worden vensters getoond waarin symbolen met ontbrekende of onjuiste gegevens staan.

Bij 'Contact niet beschikbaar' kan dit betekenen dat dat klemnummer reeds gebruikt is, of dat de klemnummers niet bij dat type relais beschikbaar zijn.

 

 


Alle verwijzingen genereren, bestaande vervangen

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Verwijzing' in het rolmenu
    In opeenvolgende vensters worden ontbrekende of dubbele gegevens getoond.
  3. Geef in de opeenvolgende vensters op
    • Optie 'Bestand': om de getoonde gegevens in een bestand op te slaan
    • Optie 'Printer': om de gegevens af te drukken
    • Optie 'MS-Excel'om de gegevens te exporteren naar MS Excel
    • Knop [ Exporteren ] : om met de aangevinkte optie gegevens te exporteren
    • Knop [ Markeer ] : om naar het geselecteerde onderdeel op tekening te gaan
    • Knop [ Doorgaan ] : om naar het volgende venster te gaan
    • Knop [ Annuleren ] : om te stoppen zonder verwijzingen te genereren
      In venster 'Verwijzing Spoelen' wordt de standaard hoogte van het invoegpunt van de vlaggen getoond.
  4. Geef eventueel een afwijkende hoogte op en klik op knop [ OK ]
De vlaggen worden automatisch geplaatst onder de spoel met de verwijzingen naar de contacten. Bij de contacten worden de verwijzingen naar de spoelen geplaatst.


Terug naar Inhoudsopgave


Verwijzingen rails en symbolen aangeven en bijwerken


Verwijzingen naar rails op een ander blad kunnen worden aangegeven.

Na bewerking van rails, bijvoorbeeld met het Stretch-commando, kunnen verwijzingen niet meer kloppen. Met de functie Update worden alle verwijzingen door de hele tekening bijgewerkt.

N.b. De railverwijzingen moeten geplaatst zijn met de plaatsingsfunctie van NOR-Stroomkringschema LT. Gekopieerde verwijzingen worden niet goed verwerkt bij Update. 

 

 


Railverwijzing opgeven

  • Blad waarop de verwijzing moet worden geplaatst is actief.
  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Railverwijzing' rolmenu
  3. Selecteer 'Plaats' in het vervolgmenu
  4. Selecteer de draden van de rail waar de verwijzing bij moet komen
  5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    Venster 'Railverwijzing' verschijnt.
    Onder
    'Bron' staan de geselecteerde rails
    Onder
    'Doel' staan lijstjes met de overeenkomstige rails in de tekening
  6. Geef in het dialoogvenster Railverwijzing op naar welk stramien verwezen moet worden
    • door deze uit de lijst te selecteren
      of
    • door rails/draden in de tekening te selecteren via knop […].
  7. Dubbelklik eventueel in het vak onder 'Bijschrift' om een bijschrift op te geven
  8. Geef op of er:
    • Wel/Geen verwijsteken moet worden geplaatst (“>” of “<”)
    • Wel/Geen automatische terugverwijzing moet worden geplaatst.
    • Wel/Niet vervangen bestaande verwijzingen
      Als voor automatische terugverwijzing wordt gekozen, wordt bij de rail waar naar wordt verwezen een verwijzing geplaatst naar de geselecteerde rail.
  9. Klik op knop [ Plaats ]
  10. Selecteer eventueel een nieuwe rail met knop [ Selecteer ]
    of
    klik op knop [ Annuleren ] om de functie te beëindigen

Railverwijzing bijwerken

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Railverwijzing' rolmenu
  3. Selecteer 'Update'in het vervolgmenu
    Alle railverwijzingen in de gehele tekening worden bijgewerkt
    Het commandovenster wordt getoond
  4. Klik op knop [ < ] of [ > ] in het commandovenster om ter controle door de tekening te bladeren
  5. Klik op knop [ Undo ] in het commandovenster om de update-bewerking ongedaan te maken
    of
    klik op knop [ OK ] om de bewerking af te sluiten

Symboolverwijzing opgeven

  • Blad waarop de verwijzing moet worden geplaatst is actief.
  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Verwijs gelijke symbolen' in het rolmenu
  3. Selecteer het symbool
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  5. Geef de positie van de verwijzing op
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  7. Geef in venster 'Verwijs symbool' op naar welk stramien moet worden verwezen
    of
    selecteer deze uit de lijst van gelijke symbolen
    In deze lijst staan alleen de posities van dezelfde symbolen in deze tekening.
  8. Vink eventueel aan dat er daar ook automatisch een terugverwijzing geplaatst moet worden. 
  9. Klik op knop [ Plaats ]
  10. Bij het symbool wordt de stramienverwijzing geplaatst; en indien de automatische terugverwijzing is aangevinkt zal ook bij het andere symbool de (terug)verwijzing worden geplaatst met een identieke positionering
  11. Selecteer het volgende symbool om een verwijzing bij te plaatsten
    of
    klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster
    of
    toets <F12>


Terug naar Inhoudsopgave


Type relais met hulpcontact maken/wijzigen


De benodigde typen relais met hulpcontacten kunt u zelf aanmaken en de gegevens daarbij vastleggen.

  • De eigenschappen van relais worden onafhankelijk van het symbool opgeslagen.

 

 


Toevoegen of wijzigen eigen type relais en hulpcontact

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Eigen Type' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Relais'in het vervolgmenu
    Het dialoogvenster 'Instellingen Relais' verschijnt.
  4. Geef in het dialoogvenster de gegevens in d.m.v.:
    • Selectie van gegevens uit selectielijst
    • Intypen van nieuwe gegevens
      De gegevens die in het dialoogvenster 'Instellingen Relais' worden ingegeven, worden onafhankelijk van het symbool opgeslagen.
      Voor elk symbool dat een relais voorstelt kunnen deze waarden dus worden gebruikt.
  5. Selecteer
    of
    typ een fabrikaat achter 'Fabrikaat'
  6. Geef het type in achter 'Type'.
  7. Vul de overige velden in
  8. Klik op knop [ Nieuw Relais ] om een nieuw type in te voeren
  9. Klik op knop [ Wijzigen ] bij item 'Hulpcontact', om hulpcontacten toe te voegen of te wijzigen.
    Het dialoogvenster 'Hulpcontacten' verschijnt.
  10. Geef de gegevens in en klik op: 
    • [ Nieuw / Wijzig ] om een nieuw type in te voeren of een bestaand type te wijzigen
    • [ Verwijderen ]om een bestaand type hulpcontact te verwijderen
      N.b. Hulpcontacten van een bepaald fabrikaat kunnen pas worden aangemaakt als van het bewuste fabrikaat een type relais aangemaakt is

Verwijderen van een type relais

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Eigen Type' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Relais'in het vervolgmenu
    Het dialoogvenster 'Instellingen Relais' verschijnt.
  4. Geef in het dialoogvenster de gegevens in d.m.v.:
    • Selectie van gegevens uit selectielijst
  5. Selecteer
    of
    typ een fabrikaat achter 'Fabrikaat'.
  6. Geef het  type in achter 'Type'.
  7. Klik op knop [ Verwijderen ]om een bestaand type te verwijderen.
    Als dit het laatste type van het huidige fabrikaat is, wordt ook het fabrikaat uit de database verwijderd.


Terug naar Inhoudsopgave


Eigen typen symbolen maken/wijzigen


De benodigde overige typen,  schakelaars/automaten, thermische relais en smeltveiligheden, kunt u zelf aanmaken en de gegevens daarbij vastleggen.

    De eigenschappen van thermische relais en schakelaars/automaten worden bij het symbool opgeslagen

    Eigenschappen kunnen worden overgenomen van een ander symbool

   

 

 

Toevoegen of wijzigen eigen type beveiliging, schakelaar/automaat, klem

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Eigen Type' in het vervolgmenu
  3. Selecteer een van de onderdelen in het vervolgmenu
    • Beveiliging
    • Automaat / Schakelaar
    • Automaat + hulpcontact
    • Overig
    • Klemmen
      Het dialoogvenster dat nu verschijnt is afhankelijk van het geselecteerde symbool.
  4. Geef in het dialoogvenster de gegevens in d.m.v.:
    • Selectie van gegevens uit selectielijst
    • Intypen van nieuwe gegevens
      Bij 'Fabrikaat' in het dialoogvenster worden alle fabrikaten getoond die voor de bewuste sectie (Beveiliging, schakelaars/automaten) al aanwezig zijn.
  5. Selecteer
    of
    typ een fabrikaat achter 'Fabrikaat'
  6. Geef het type in achter 'Type'.
  7. Geef eventueel de afmetingen op
    De afmetingen worden alleen gebruikt voor de kastindeling; als alleen de x-waarde wordt ingevuld wordt een rond symbool geplaatst met diameter=x.
  8. Vul de overige velden in
    • Klik op knop [ Overzicht ] om een overzicht te krijgen van alle aangemaakte eigen typen van de gekozen sectie (relais, beveiliging, etc.)
    • Klik op knop [ Nieuw / Wijzig ] om een nieuw type in te voeren of een bestaand type te wijzigen
  9. Klik op [ Sluiten ]om het venster af te sluiten.
    De ingegeven typen kunnen nu geselecteerd worden in de dialoogvensters van de functie 'Waarden'
    (onder knop [ Bewerk ]).

Achteraf wijzigen toegekend apparaat

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Eigen Type' in het vervolgmenu
  3. Selecteer een symbool waaraan het verkeerde apparaat is toegekend en klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11> 
  4. Klik op knop [ Overzicht ] in het venster
  5. Selecteer in het overzicht venster het juiste type apparaat
  6. Klik op knop [ Wijzig apparaat ]
  7. Klik op knop [ Opslaan ]
  8. Klik in venster 'Eigen type …' op knop [ Opslaan ]
  9. Klik op knop [ Sluiten ]

Verwijderen van een type

  1. Klik op knop [ Relaties ]
  2. Selecteer 'Eigen Type' in het vervolgmenu
  3. Selecteer een symbool in de tekening en klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    Het dialoogvenster dat nu verschijnt is afhankelijk van het geselecteerde symbool.
  4. Klik op knop [ Verwijderen ]om een bestaand type te verwijderen
    • Bij het verwijderen van deze typen wordt gecontroleerd of deze typen (via knop [ Overnemen ]) zijn toegewezen aan meer dan één symbool.


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld