Naar hoofdinhoud

Onderlegger LT -04- Plattegrond tekenen - TheModus Suite LT (Nordined LT)

How to - Onderlegger LT

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Plattegrond tekenen

Stramienen opzetten


De gegevens van de stramienen worden in een venster opgegeven.

Kolommen kunnen op elk snijpunt van stramienlijnen worden geplaatst.

De stramienen kunnen worden bemaat.

Stramienen kunnen worden opgeslagen, en opgehaald voor toepassing in andere tekeningen. 

Daarna wordt het complete stramienenplan getekend. De stramienlaag wordt ‘gelocked’.

 


Maken stramienplan

  1. Selecteer knop [ Stramien ]
  2. Selecteer menukeuze Stramienen in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
    De laatst gebruikte stramieninstellingen worden in het venster getoond.
  3. Om die getoonde stramieninstellingen te wissen:
    klik op knop [ Wissen ]
  4. Vul gegevens in venster in:
    • Hoek stramien =  helling ‘horizontale’ stramienlijnen
    • Doorsteekafstand =  afstand tussen buitenste stramienlijn en stramienbol
    • Kolommen plaatsen =  op alle snijpunten stramienlijnen
    • Lijnen toevoegen door kiezen afstand en klikken op knop [ … stramien toevoegen ]
    • (Stramien)bolteksten en afstanden zijn ook handmatig aan te passen door op tekst of afstand te dubbelklikken.
  5. Klik op knop [ OK ]
    De opgegeven stramieninstellingen worden automatisch opgeslagen om de volgende keer te worden getoond.
  • Indien aangegeven dat kolommen moeten worden geplaatst:
    1. Selecteer kolomvorm in venster en klik op knop [ OK ]
    2. Geef maten op in venster Kolom en klik op knop [ OK ]
      Stramienen, stramienbollen en -teksten en kolommen (indien opgegeven) worden getekend. De bemating wordt tussen stramienbollen en buitenste stramienlijn geplaatst.
      De stramienlaag wordt ‘gelocked’.

Opslaan stramienplan

Indien eenzelfde stramien meermalen toegepast moet worden kan een stramienplan worden opgeslagen. Na ophalen van het stramienplan kunnen daarna zonodig nog wijzigingen worden aangebracht voordat het stramienplan wordt geplaatst op tekening. 
  • Venster 'Stramienen' actief; gegevens stramien al ingevuld.
  1. Selecteer knop [ Opslaan ]
  2. Geef naam op voor stramienplan
  3. Klik op knop [ OK ]

Ophalen stramienplan

Een opgeslagen stramienplan kan worden opgehaald. Na ophalen van het stramienplan kunnen daarna zonodig nog wijzigingen worden aangebracht voordat het stramienplan wordt geplaatst op tekening. 
  • Venster 'Stramienen' actief.
  1. Selecteer knop [ Ophalen ]
  2. Selecteer in het venster het gewenste stramienplan
  3. Klik op knop [ OK ]

Wijzigen stramienplan

  • Venster 'Stramienen' actief, gegevens al ingevuld of opgehaald.
  1. Dubbelklik op te wijzigen tekst of afstand
  2. Wijzig de tekst of afstand
  3. Leg wijziging vast met <Enter> of door klikken in ander veld.

Afstanden stramienraster wissen

  • Venster 'Stramienen' actief, gegevens al ingevuld of opgehaald.
  1. Klik op knop [ Wissen ]
    Popup-venster met vraag: huidige afstanden wissen?
  2. Klik op knop [ Ja ]
    De vakken met de horizontale en verticale stramienafstanden worden leeg gemaakt.

Stramienlijn uit stramienraster verwijderen

  • Venster 'Stramienen' actief, gegevens al ingevuld of opgehaald.
  1. Selecteer de te wissen stramien (nummer, Boltekst of afst tov vorige)
  2. Toets [ Delete ]
    Popup-venster met vraag: Stramien verwijderen?
  3. Klik op knop [ Ja ]
    Het betreffende stramien wordt uit het venster verwijderd.

Stramienlijn uit de tekening verwijderen

  1. Selecteer knop [ Stramien ]
  2. Selecteer menukeuze 'Stramienen verwijderen' in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  3. Selecteer de te verwijderen lijnstukken van het stramien
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster 


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen kolommen


Kolommen kunnen op het snijpunt van twee stramienlijnen worden geplaatst, of vrij in de ruimte.

 


Kolommen op stramienen

  1. Selecteer knop [ Stramien ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Kolommen op stramienen' in menu 'Stramien'
  3. Selecteer kolomvorm in venster 'Soort kolommen' en klik op knop [ Plaats ]
  4. Geef maten op in venster 'Kolom' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer van gewenste plaatsingspunten (stramiensnijpunt) beide stramienen
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>.
    Kolommen op stramienen geplaatst.
    De eerst aangewezen stramienlijn bepaald de rotatiehoek van de kolom.
    Kolommen kunnen achteraf worden geroteerd via knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT


Kolommen vrij plaatsen

  1. Selecteer knop [ Stramien ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Kolommen vrij' in menu 'Stramien'
  3. Selecteer kolomvorm in venster 'Soort kolommen' en klik op knop [ Plaats ]
  4. Geef maten op in venster 'Kolom' en klik op knop [ OK ]
  5.  Geef het plaatsingspunt op, eventueel met de Referentie-optie
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>.

Terug naar Inhoudsopgave


Aanmaken eigen kolommen


Afwijkende kolomvormen kunnen toegepast worden. 

  • De eigen kolommen kunnen met de keuze 'Eigen Symbool' uit het kolom-iconenmenu worden geplaatst. De kolommen kunnen dan ook tijdens het plaatsen van het stramien worden geplaatst. De kolommen worden automatisch op de juiste laag geplaatst.
  • De eigen kolommen kunnen worden opgenomen in het 'Eigen Symbolenmenu'. Opgave van de invoeglaag is bij het aanmaken van het symbool dan wel nodig.

Eigen kolommen moeten worden getekend in AutoCAD, of met NOR-Onderlegger LT

Eigen kolom aanmaken

  • Tekenen kolom:
    Teken kolom op ware grootte met het commando <PLINE>
    geen speciale laag, kleur en lijntype is nodig
  • Maken lokaal symbool (Block):
    Het symbool is alleen binnen deze tekening bekend.
    1. Type: block
    2. Geef naam op
    3. Geef insertiepunt op
    4. Selecteer de polylijn
      het ‘symbool’ verdwijnt van de tekening
  • Maken algemeen symbool (Wblock)
    Het symbool wordt als tekening op de harde schijf gezet.
    • Kolom is al als block gedefinieerd
      1. Type: wblock
      2. Geef blocknaam op
      3. Plaats symbool in map C:\Program Files (x86)\Cadac Group\LT 7\OLT\S
        In deze map staan ook de standaard kolommen
    • Kolom is nog niet als block is gedefinieerd:
      1. Type: wblock
      2. Bij vraag naar block-naam: Toets <Enter>
      3. Geef naam op
      4. Plaats symbool in map C:\Program Files (x86)\Cadac Group\LT 7\OLT\S
        In deze map staan ook de standaard kolommen
      5. Geef insertiepunt op
      6. Selecteer de polylijn
het symbool verdwijnt van de tekening


Aanwijzing

  • Gebruik het <LINE>-commando niet.
  • Bij opname in het Gebruikers-menu moet als laag BL281---_KOLOM worden opgegeven. De kolom wordt dan automatisch op de kolommenlaag geplaatst.

Terug naar Inhoudsopgave


Wanden - Algemeen


Diverse soorten wanden kunnen worden geplaatst via knop Wanden in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT. Hierbij wordt een enkele lijn (polylijn, rood) getekend, die daarna wordt omgezet in de gekozen wand.

Aaneensluitende rechte wanddelen kunnen achter elkaar door worden getekend; hierbij wordt automatisch een hoekoplossing getekend.

Rechte en gebogen wanddelen moeten afzonderlijk worden getekend. Gebogen wanden worden opgedeeld in een aan te geven aantal rechte segmenten.

Aansluitingen tussen verschillende soorten wanden kunnen via de knop Bewerk worden gemaakt.


Knop WANDEN

  • Gevel:
    Selectie van afmetingen van 'Buitenblad-Spouw-Binnenblad' via venster 'Gevel'.
    De gevel bestaat uit 4 wandlijnen.
    Selectie van 'Wanddikte' via venster 'Wanden'
  • Metselwand bestaat uit 2 wandlijnen
  • Betonwand:
    bestaat uit 2 wandlijnen
  • Binnenwand:
    bestaat uit 2 wandlijnen plus hartlijn
  • Systeemwand:
    bestaat uit 2 wandlijnen plus hartlijn


Knop BEWERK, keuze Wanden, Trappen, Symbolen

  • Hoekoplossing wanden:
    tussen twee gelijksoortige wanden
  • T-splitsing wanden:
    één aansluitende wand op één doorgaande wand
  • Kruising wanden:
    met zowel gelijksoortige als ongelijksoortige wanden
  • Roteer Symbolen:
    symbolen rond hun invoegpunt roteren
  • Heel lijnen:
    Onderbroken (wand/hart)lijn tot een lijn maken
  • Maak wandkop:
    Open wandkop dicht zetten
  • Kolomuitsnede:
    wanden ter plaatse van kolommen onderbreken.

Opmerking

  • Bij het tekenen van wanden worden hulplijntjes gezet op alle hoekpunten.
    De lagen waarop deze hulplijntjes staan kunnen worden uit’- en ‘aan’ gezet.
    Deze hulplijnen en de hartlijnen zijn nodig om ruimtedefinities (vloerbedekking-oppervlak/netto en NEN-oppervlak/bruto te kunnen genereren.

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen wand


Bij het plaatsen van gevels, metsel-, beton-, binnen- en systeemwanden moet de maat van de wand worden opgegeven en welke wandlijn (linker, rechter of middenlijn) als basislijn (tekenlijn) moet worden gebruikt.

Nadat de basislijn is getekend wordt deze omgezet in de gewenste wand.

Wanden kunnen als rechte wand(delen) worden getekend, of als gebogen wand(delen). De gebogen wanddelen worden als rechte segmenten getekend.

Bij het tekenen van wanden worden t.b.v. het maken van ruimtedefinities hulplijntjes gezet op alle hoekpunten. Deze hulplijntjes kunnen worden ‘uit’- en ‘aan’gezet onder knop Lagen in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT.

 

  • Basislijn is wandlijn
    R = Rechter zijde wand
    M = Hartlijn wand (Midden)
    L = Linkerzijde wand
    B = Binnenspouwblad = wandlijn binnenspouwblad in spouw (bij gevels)
    O  = Afstand tot Linkerzijde (- = links van de basislijn; + = rechts van de basislijn)
  • Klikpunten plaatsen wand
    1 = Beginpunt wand
    2 = Tweede punt wand

Teken rechte wand

  1. Selecteer knop [ Wanden ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer wandtype in Rolmenu 'Wanden'
  3. Geef instellingen op in venster en klik op knop [ OK ]
  4. Teken de aaneengesloten wanden volgens de gekozen basislijn
    Als de gevel uit meerdere aaneengesloten segmenten bestaat moet de basislijn altijd "met de klok mee" worden getekend, anders komen binnen- en buitenspouwblad verkeerd om te liggen.
  5. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    Achteraf moeten nog nette wandaansluitingen worden gemaakt van de nieuw geplaatste wand met eventueel bestaande wanden.


Gebogen wanden

  1. Selecteer knop  [ Wanden ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer wandtype in Rolmenu 'Wanden' 
  3. Vink aan: Gebogen wand
  4. Geef instellingen op in venster en klik op knop [ OK ]
  5. Teken de gebogen wand volgens de gekozen basislijn
    Dit is een “arc”, d.w.z. deze wordt getekend door aan te geven: beginpunt, radius en eindpunt.
  6. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  7. Geef het aantal segmenten op in het venster en klik op knop [ OK ]
    Achteraf moeten nog nette wandaansluitingen worden gemaakt van de nieuw geplaatste wand met eventueel bestaande wanden.

Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken wandaansluitingen


Wand(delen) die niet in één keer getekend zijn moeten nog netjes worden aangesloten.

Indien wanden verwijderd zijn moeten bij de oude aansluitingen de opengebroken wanden weer gesloten worden.


Bij deze bewerkingen worden tevens de hulplijnen getekend die nodig zijn om in NOR-Onderlegger en NOR-Ruimtebeheer z.g. ruimtedefinities (oppervlakken) te kunnen maken.

 

 

  • Klikpunten 1, 2, 3, 4
    De nummering geeft de  volgorde aan voor selectie van wandlijnen. (crossing-optie)

Maken Hoekoplossing

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Wanden, trappen, symbolen' in het rolmenu
  3. Open tabblad 'Wanden'
  4. Selecteer 'Hoekoplossing wanden' in venster 'Bewerk' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen van eerste wand: klikpunten 1 en 2. (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen van tweede wand: klikpunten 3 en 4. (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster


Maken T-Splitsing

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Wanden, trappen, symbolen' in het rolmenu
  3. Open tabblad 'Wanden'
  4. electeer 'T-splitsing wanden' in venster 'Bewerk' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen van doorgaande wand: klikpunten 1 en 2. (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen van aansluitende wand: klikpunten 3 en 4. (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>

Maken Kruising - wanden ongelijke soort

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Wanden, trappen, symbolen' in het rolmenu
  3. Open tabblad 'Wanden'
  4. Selecteer 'Kruising wanden' in venster 'Bewerk' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen van doorgaande wand: klikpunten 1. en 2. (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen van te onderbreken wand: klikpunten 3. en 4. (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>


De volgende hiërarchie bestaat voor het bepalen van welke wand(en) onderbroken moeten worden:
1. Gevels
2. Metselwand en betonwand (gelijke soort)
3. Binnenwand en systeemwand (gelijke soort)
Bij kruising van wanden van ongelijke soort wordt de lagere soort wand onderbroken
Bij kruising van wanden van gelijke soort wordt alleen de 2e geselecteerde wand onderbroken.


Maken Kruising - wanden gelijke soort

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Wanden, trappen, symbolen' in het rolmenu
  3. Open tabblad 'Wanden'
  4. Selecteer 'Kruising wanden' in venster 'Bewerk' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen van eerste wand: klikpunten 1 en 2. (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen van tweede wand: klikpunten 3 en 4. (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
Alle gelijke wanden worden t.p.v. de kruising onderbroken;
bij gelijksoortige wanden (metselwand/betonwand en binnenwand/systeemwand) wordt alleen de 2e geselecteerde wand onderbroken.


Heel lijnen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Wanden, trappen, symbolen' in het rolmenu
  3. Open tabblad 'Wanden'
  4. Selecteer 'Heel lijnen' in venster 'Bewerk' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen van de eerste wand: klikpunten 1 en 2. (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen van de tweede wand: klikpunten 3 en 4. (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>

Dicht maken Wandkop

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Wanden, trappen, symbolen' in het rolmenu
  3. Open tabblad 'Wanden'
  4. Selecteer 'Maak wandkop' in venster 'Bewerk' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer achtereenvolgend bij-elkaar-horende wandlijnen
    • Bij Gevels: Selecteer eerst de wandlijnen van het spouwblad dat door moet lopen
  6. Klik op [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>

Terug naar Inhoudsopgave


Kolomuitsnede wanden


Bij het plaatsen van kolommen op wanden, of het tekenen van wanden over kolommen worden de wandlijnen niet onderbroken.

Met de functie kolomuitsnede kunnen de wanden ter plaatse van de kolommen worden onderbroken. 

Als een kolom op de kruising/T-splitsing van meerdere wanden staat moet de kolomuitsnede voor elke wand afzonderlijk worden uitgevoerd

Voor elke kolom zal een aparte kolomuitsnede moeten worden uitgevoerd. 

Het uitsnijden van kolommen is noodzakelijk voor het juist genereren van de ruimtedefinities.

 


Kolomuitsnede maken in wand

  1. Zoom in op de betreffende kolom
  2. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  3. Selecteer 'Wanden, trappen, symbolen' in het rolmenu
  4. Open tabblad 'Wanden'
  5. Selecteer Kolomuitsnede in venster 'Bewerk' en klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer met de <crossing>-optie alle wandlijnen van de betreffende wand en de betreffende kolom.
    Bij hoeken is het vaak eenvoudiger om de wanden met de <crossing>-optie en de kolom met de <window>-optie te selecteren.
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    De wand wordt om de kolom heen opgebroken.
  8. Klik op
    • [ Stoppen ] om de functie te beëindigen
      of
      toets <F12>
    • [ Volgende ] om de functie op de volgende wand-kolom combinatie uit te voeren en herhaal de stappen 5 en 6.


Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen deuren


Enkele en dubbele deuren kunnen zowel als buiten- en als binnendeur worden geplaatst.

Bij dubbele deuren kunnen zowel gelijke als ongelijke deurvleugels worden opgegeven.

De breedte en de dikte van de kozijnstijl en de breedte van de deur of deuren kunnen worden opgegeven. Bij dubbele deuren kan ook de totale breedte worden opgegeven: de deuren krijgen dan een gelijke breedte.

Aangegeven kan worden of een of twee zijlichten moeten worden geplaatst.

Bij het plaatsen moet het plaatsingspunt van de deur (buitenkant kozijn aan scharnierzijde of midden kozijn) aangegeven worden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een referentiepunt.

Na aangeven van het plaatsingspunt op de wand moet aangegeven worden in welke richting de rest van de deur op de wand moet komen; de aangewezen kant van de wand bepaalt de draaiingsrichting van de deur.

De deuren kunnen alleen op wanden getekend worden.

   

Plaats in wand: Rand
Als een deur op de rand van de wand wordt geplaatst, bepaalt een extra plaatsingspunt welke wandzijde dat is.
Plaats in wand: Negge
Als een deur met een negge wordt geplaatst, bepaalt een extra plaatsingspunt van waaruit de negge moet worden berekend.
Openingszijde deur:
De wandzijde waarop het basispunt wordt geplaatst is tevens de kant waar de deur naar toe open gaat.

Deur plaatsen – direct (door tekenen hulplijn)

  1. Selecteer knop [ Deuren ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer het soort deur in venster 'Deuren'
  3. Geef gegevens van de te plaatsen deur op in venster 'Deuren'
    Basispunt=Scharnier betekent buitenkant van het kozijn aan de scharnierzijde van de deur.
    Bij plaatsing van een enkele deur met plaatsingspunt
    'Midden' bepaalt de applicatie zelf aan welke zijde het scharnier wordt geplaatst: met AutoCAD commando <MIRROR> is de deur te spiegelen.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin deur moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  7. Bepaal plaatsingspunt (zijde van de wand bepaalt opening deur)
  8. Geef plaatsingspunt op (beginpunt van hulplijn)
  9. Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
  10. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    • Bij Schuifdeuren:
      • Geef de schuifrichting op
    • Bij plaats in wand ‘Rand’
      • Geef een punt op aan de wandzijde waarop de deur moet worden geplaatst
    • Bij plaats in wand met ‘Negge
      • Geef een punt op aan de wandzijde van waaruit de negge moet worden berekend.
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  12. Nog eenzelfde deur plaatsen
    • nee
      • Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster
        of
        toets <F12>
    • ja    
      • in dezelfde wand
        1. Klik op knop [ Volgend ]
        2. Ga naar Stap 7
      • in andere wand
        1. Klik op knop [ Wand ]
        2. Ga naar Stap 5.
Gebruik de optie <ORTHO> bij het bepalen van de richting van het kozijn (Knop ORTHO of  functietoets <F8>)
Bij gevels wordt de wand t.p.v. deuren en ramen altijd onderbroken. Bij andere wanden kan de wand  t.p.v. deuren en ramen worden onderbroken; dit is in te stellen onder knop Opties, Algemene instellingen in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT.

Deur plaatsen – indirect met AutoCAD Object Snap functies

  1. Selecteer knop [ Deuren ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer het soort deur in venster 'Deuren'
  3. Geef gegevens van de te plaatsen deur op in venster 'Deuren'
    Basispunt=Scharnier betekent buitenkant van het kozijn aan de scharnierzijde van de deur.
    Bij plaatsing van een enkele deur met plaatsingspunt Midden bepaalt de applicatie zelf aan welke zijde het scharnier wordt geplaatst: met AutoCAD commando <MIRROR> is de deur te spiegelen.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin deur moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  7. Klik op knop [ Snap From ] van AutoCAD LT
  8. Geef referentiepunt in tekening op
  9. Bepaal de waarde @x,y of @a<hoek vanaf dit punt
    Dit wordt dan het beginpunt van de hulplijn, of het basispunt van de deur bij de optie plaatsingspunt=midden.
  10. Bij optie plaatsingspunt=scharnier: 
    • Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    • Bij schuifdeuren:
      • Geef de schuifrichting op
    • Bij plaats in wand ‘Rand’
      • Geef een punt op aan de wandzijde waarop de deur moet worden geplaatst
    • Bij plaats in wand met ‘Negge'
      • Geef een punt op aan de wandzijde van waaruit de negge moet worden berekend.
  12. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  13. Nog eenzelfde deur plaatsen
    • nee
      • Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster
        of
        toets <F12>
    • ja    
      • in dezelfde wand
        1. Klik op knop [ Volgend ]
        2. Ga naar Stap 7.
      • in andere wand
        1. Klik op knop [ Wand ]
        2. Ga naar Stap 5.
Gebruik de optie <ORTHO> bij het bepalen van de richting van het kozijn (Knop ORTHO of  functietoets <F8>)
Bij gevels wordt de wand t.p.v. deuren en ramen altijd onderbroken. Bij andere wanden kan de wand  t.p.v. deuren en ramen worden onderbroken; dit is in te stellen onder knop Opties, Algemene instellingen in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT.

Deur plaatsen – indirect door tekenen basislijn

  1. Selecteer knop [ Deuren ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer het soort deur in venster 'Deuren'
  3. Geef gegevens van de te plaatsen deur op in venster 'Deuren'
    Basispunt=Scharnier betekent buitenkant van het kozijn aan de scharnierzijde van de deur.
    Bij plaatsing van een enkele deur met plaatsingspunt Midden bepaalt de applicatie zelf aan welke zijde het scharnier wordt geplaatst: met AutoCAD commando <MIRROR> is de deur te spiegelen.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin deur moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  7. Geef startpunt basislijn
  8. Bepaal met @x,y of @a<hoek de volgende punten van de basislijn, totdat het plaatsingspunt van de deur is bereikt
  9. Geef als laatste lijnstuk van de basislijn de richting van de rest van het kozijn op
  10. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    • Bij schuifdeuren:
      • Geef de schuifrichting op
    • Bij plaats in wand ‘Rand’
      • Geef een punt op aan de wandzijde waarop de deur moet worden geplaatst
    • Bij plaats in wand met ‘Negge
      • Geef een punt op aan de wandzijde van waaruit de negge moet worden berekend.
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  12. Nog eenzelfde deur plaatsen
    • nee
      • Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster
        of
        toets <F12>
    • ja    
      • in dezelfde wand
        1. Klik op knop [ Volgend ]
        2. Ga naar Stap 7.
      • in andere wand
        1. Klik op knop [ Wand ]
        2. Ga naar Stap 5.
Gebruik de optie <ORTHO> bij het bepalen van de richting van het kozijn (Knop ORTHO of  functietoets <F8>)
Bij gevels wordt de wand t.p.v. deuren en ramen altijd onderbroken. Bij andere wanden kan de wand  t.p.v. deuren en ramen worden onderbroken; dit is in te stellen onder knop Opties, Algemene instellingen in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT.

Wat kan er fout gaan

  • Deur wordt foutief geplaatst
    • Verwijder de deur en de bijbehorende lijnen met ERASE met <window>-optie
    • Heel zonodig de wand met de functie Heel-lijnen (knop 'Bewerk, Bewerk wanden, symbolen')
    • Plaats de deur opnieuw.

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen raam


Geplaatst kunnen worden in binnen- of buitenwand:

  • Kozijnen; met 1 tot 3 ramen
  • zijlichten; (1 stijl)
  • glaswanden (of pui)
    • los (losse kozijnen tegen elkaar: dubbele tussenstijlen)
    • verdeel (kozijn met meerdere ramen: enkele tussenstijlen)

Bij de binnen en buitenramen kunnen tot 3 ramen per kozijn worden opgegeven. Deze ramen kunnen van verschillende afmeting zijn.

De breedte en dikte van de kozijnstijl en de breedte van het raam kunnen worden opgegeven.

Bij het plaatsen moet het plaatsingspunt van het raam (zijkant kozijn of midden kozijn) aangegeven worden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een referentiepunt.

Na aangeven van het plaatsingspunt - bij zijkant kozijn - op de wand moet aangegeven worden in welke richting de rest van het raam op de wand moet komen.

 


Ramen kunnen alleen op wanden getekend worden.
Plaats in wand: Rand
Als een raam op de rand van de wand wordt geplaatst, bepaalt het plaatsingspunt welke wandzijde dat is.
Plaats in wand: Negge
Als een raam met een negge wordt geplaatst, bepaalt het plaatsingspunt van waaruit de negge moet worden berekend.

Ramen plaatsen

  1. Selecteer knop [ Ramen ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Ramen' in Rolmenu
  3. Geef gegevens van het te plaatsen raam op in venster 'Ramen'
    Alleen bij de binnen- en buitenramen kunnen tot 3 ramen tegelijk worden opgegeven.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin het raam moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
    • (6a) Direct plaatsen raam/zijlicht (door tekenen van hulplijn (polylijn))
      1. Geef plaatsingspunt op (beginpunt van hulplijn)
      2. Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
        (alleen bij plaatsen via kozijnpunt) 
      3. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
    • (6b) Indirect plaatsen ramen/zijlicht met behulp van AutoCAD Object Snap functies 
      1. Klik op knop [ Snap From ] AutoCAD LT
      2. Geef referentiepunt in tekening op
      3. Bepaal de waarde @x,y of @a<hoek vanaf dit punt
        Dit wordt dan het beginpunt van de hulplijn, of het basispunt van het raam  bij de plaatsingsoptie=midden.
      4. Bij de plaatsingsoptie=kozijn:
        • Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
      5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
    • (6c) Indirect plaatsen ramen/zijlicht door tekenen van een basislijn
      1. Geef het startpunt op
      2. Bepaal met @x,y of @a<hoek de volgende punten van de basislijn, totdat het plaatsingspunt van het raam is bereikt
      3. Geef als laatste lijnstuk van de basislijn de richting van de rest van het kozijn op
      4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        of
        toets <F11>
  7. Nog eenzelfde raam plaatsen?
    • Nee
      • Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster
        of
        toets <F12>
    • Ja
      • In dezelfde wand
        1. Klik op knop [ Volgend ] in het commandovenster
        2. Ga naar stap 6a of 6b.
      • In andere wand
        1. Klik op knop [ Wand ] in het commandovenster
        2. Ga naar stap 5.

Glaswand plaatsen

  1. Selecteer knop [ Ramen ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Ramen' in Rolmenu
  3. Geef gegevens van het te plaatsen raam op in venster 'Ramen'
    • Bij Glaswand, Los moeten de afzonderlijke raammaten later worden opgegeven
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin het raam moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
  7. Plaatsen glaswand (ook pui)
    • (7a) Plaatsen Glaswand, Verdeel
      (Kozijn, verdeeld in aantal raamvakken; enkele tussenstijl)
      1. Geef plaatsingspunt op (beginpunt van hulplijn)
      2. Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
      3. Klik op knop [ OK ] in venster
      4. Geef aantal ramen op
      5. Klik op knop [ OK ]
    • (7b) Plaatsen Glaswand, Los
      (Aantal losse raamkozijn tegen elkaar; dubbele tussenstijlen)
      1. Geef plaatsingspunt op (beginpunt van hulplijn)
      2. Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
      3. Klik op knop [ OK ] in venster
      4. Geef maat eerste raam op in venster
      5. Volgende raam
        • Volgende raam met dezelfde maat
          1. Klik op knop [ OK ]
        • Volgende raam met andere maat
          1. Geef maat volgende raam op
          2. Klik op knop [ OK ]
        • Geen volgend raam, Stoppen
          1. Klik op knop [ Stoppen ]
  8. Nog eenzelfde raam plaatsen?
    • Nee  Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster
      of
      toets <F12>
    • Ja
      • In dezelfde wand
        1. Klik op knop [ Volgend ]
        2. Ga naar stap 7a of 7b.
      • In andere wand
        1. Klik op knop [ Wand ]
        2. Ga naar stap 5.

Aanwijzing

  • Gebruik de optie <ORTHO> bij het bepalen van de richting van het kozijn (Knop O of  functietoets <F8>)
  • Bij gevels wordt de wand t.p.v. deuren en ramen altijd onderbroken. Bij andere wanden kan de wand  t.p.v. deuren en ramen worden onderbroken; dit is in te stellen onder knop [ Opties ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT

Wat kan er fout gaan

  • Raam wordt foutief geplaatst
    • verwijder het raam met <UNDO> met ERASE met <window>-optie
    • Heel zonodig de wand met de functie Heel-lijnen (knop 'Bewerk, Bewerk wanden, symbolen')
    • plaats het raam opnieuw

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen trap


De volgende trappenkunnen worden geplaatst:

  • enkele trap
  • dubbele rechte trap
  • wenteltrappen (spiltrap)
  • hoektrap (trap met 1 of 2 kwarten)

In een venster worden de maten opgegeven

De trap wordt schematisch getekend:

  • De aantrede kan worden opgegeven;
    Bij kwarten wordt de aantrede in 1e instantie uitgezet op 2/3 van de trapbreedte vanuit de spil, daarna vindt afronding plaats om op een heel aantal treden uit te komen.
  • Bij de dubbele trap kan de maat voor de binnenste trapbomen en de breedte van het schalmgat worden opgegeven.
  • Met aanduiding looprichting, breeklijnen, bijschriften en gestippelde gedeelte.
Met de AutoCAD functies < LINE> en <OFFSET> zijn de trappen eventueel aan te passen. Zorg dan wel op de juiste laag te tekenen.
Gebruik voor het tekenen van bordessen bijvoorbeeld het AutoCAD commando <LINE>.

 


  • Hoekpunt onder, links of rechts geeft het plaatsingspunt van de trap in de tekening
  • Trapboom = dikte trapboom (buitenkant)
  • Schalmgat = ruimte tussen de binnenste trapbomen bij een dubbele trap
  • Trbm.Midden = dikte van de trapbomen rond het schalmgat 
  • Kwarten kunnen met knoppen [ < ] en [ > ] gedraaid worden

 


  • Breedte = diameter
  • Begin Hoek / Eind Hoek
  • Het plaatsingspunt is het middelpunt van de wentel(spil)trap
Trappen kunnen net als deuren en ramen op drie manieren worden geplaatst: direct, indirect met AutoCAD Object Snap functies, of indirect door tekenen van een basislijn.

Plaatsen rechte trappen (enkel / dubbel)

  1. Selecteer knop [ Trap ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer gewenste trap-type in het Rolmenu
  3. Geef gegevens van te plaatsen trap op in venster 'Trappen'
    • Links: klikpunten 1. naar 2. op linkerzijde trap
    • Rechts: klikpunten 1. naar 2. op rechterzijde trap
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef beginpunt van trap op in tekening (klikpunt 1.)
  6. Geef richting van de trap op in tekening (klikpunt 2.)
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
Afhankelijk van de opgegeven opties moet nog worden opgegeven:
  • Stippelen van gedeelte van de trap:
    1. Selecteer het te stippelen gedeelte van de trap
    2. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  • Looprichtingpijl(en):
    1. Geef begin en eindpunt (pijlpunt) van de looprichtingpijl
    2. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster 
  • Bijschriften:
    1. Geef de plaats en de rotatie van de bijschriften op

Plaatsen hoektrap (trap met 1 of 2 kwarten)

  1. Selecteer knop [ Trap ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Hoektrap' in het Rolmenu
  3. Geef gegevens van te plaatsen trap op in venster 'Trappen'
    • Links: klikpunten 1. naar 2. op linkerzijde trap
    • Rechts: klikpunten 1. naar 2. op rechterzijde trap
    • Geef met knoppen [ < ] en [ > ] de richting van de kwarten op
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef beginpunt van trap op in tekening (klikpunt 1.)
  6. Geef richting van de trap op in tekening (klikpunt 2.)
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
Afhankelijk van de opgegeven opties moet nog worden opgegeven:
  • Stippelen van gedeelte van de trap:
    1. Selecteer het te stippelen gedeelte van de trap
    2. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  • Looprichtingpijl(en):
    1. Geef begin en eindpunt (pijlpunt) van de looprichtingpijl
    2. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster 
  • Bijschriften:
    1. Geef de plaats en de rotatie van de bijschriften op


Plaatsen wenteltrap (spiltrap)

  1. Selecteer knop [ Trap ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer 'Wenteltrap' in Rolmenu
  3. Geef gegevens van te plaatsen trap op in venster 'Trappen'
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef middelpunt van trap op in tekening
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    of
    toets <F11>
Afhankelijk van de opgegeven opties moet nog worden opgegeven:
  • Stippelen van gedeelte van de trap:
    1. Selecteer het te stippelen gedeelte van de trap
    2. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  • Looprichtingpijl(en):
    1. Geef begin en eindpunt (pijlpunt) van de looprichtingpijl
    2. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster 
  • Bijschriften:
    1. Geef de plaats en de rotatie van de bijschriften op

Tekenen bordessen

  1. Maak de trap-laag <current>
  2. Knop [ Lagen ], keuze 'Laag Actief'
  3. Wijs een trap aan
  4. Start het <LINE>commando:
    Type L, gevolgd door <Enter>
  5. Gebruik eventueel de tekenhulpmiddelen
    • Knoppenbalk AutoCAD LT – Vangfuncties
    • <F9> ; SNAP aan/uit
    • <F8> ; ORTHO aan/uit

Terug naar Inhoudsopgave


Achteraf bewerken van trappen


Nadat trappen getekend zijn kunnen deze nog bewerkt worden:

  • Toevoegen van looprichtingpijlen
  • Omzetten van lijntype Getrokken/gestippeld
  • Opgeven en plaatsen van bijschriften

 


Achteraf bewerken van trappen - Looprichting

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Trappen' in het menu
  3. Selecteer optie 'Plaatsen looprichting pijlen'
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef begin- en eind-punt van de pijl op
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster


Achteraf bewerken van trappen – Getrokken/Gestippeld

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Trappen' in het menu
  3. Selecteer optie 'Wijzig doorgetrokken/gestippeld'
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de lijnen die aangepast moeten worden
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
Getrokken lijnen worden gestippeld; gestippelde lijnen worden getrokken.


Achteraf bewerken van trappen - Looprichting

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Trappen' in het menu
  3. Selecteer optie 'Plaats bijschrift'en vink de gewenste gegevens aan
    • Aantal (treden)
    • Optrede
    • Aantrede
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Plaats het bijschrift op de tekening

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen sanitair


Sanitaire toestellen kunnen in de tekening worden geplaatst.

In een viertal symboolbibliotheken zijn symbolen beschikbaar.

  • Toiletten, Bidets
  • Bad, Douchebakken
  • Wastafels, Fonteinen
  • Spoelbakken

Het is mogelijk extra symbolen op te nemen in eigen symbolenmenu’s.

 

Plaatsen sanitaire toestellen

  1. Selecteer knop [ Sanitair ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer in het rolmenu het type 'sanitair'
  3. Selecteer in venster gewenste symbool
  4. Vink zonodig aan of weer naar dit venster teruggegaan moet worden.
  5. Klik op knop [ Plaats ]
  6. Geef invoegpunt (insertiepunt) op in tekening
  7. Geef rotatiehoek op in venster 'Rotatie'
  8. Zelfde symbool nogmaals plaatsen?
    • Ja:
      Klik op knop [ Volgend ]
    • Nee:
      Klik op knop [ Stoppen ]


Achteraf roteren van symbolen 

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer keuze 'Wanden trappen, symbolen'
  3. Activeer tabblad 'Overig'
  4. Kies 'Roteer Symbolen'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer de te roteren symbolen
  7. Klik op knop [ OK ]
  8. Geef de rotatiehoek in venster 'SymboolRotatie'
    De opgegeven hoek is de uiteindelijke rotatie t.o.v. de 0 stand. de rotatie wordt niet bij de huidige rotatie opgeteld.
  9. Klik op knop [ OK ]
    De geselecteerde symbolen worden geroteerd



Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen algemene symbolen


Behalve de sanitair-symbolen zijn ook algemene standaard symbolen te plaatsen:

  • Noordpijlen
  • Schaallatten
  • Wijzigingspijlen

 

Noordpijl en schaallat plaatsen

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer functie 'Algemene symbolen' in het rolmenu
  3. Klik op knop [ v ] en selecteer een Noordpijl of Schaallat
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Plaats de Noordpijl of Schaallat op de tekening en geef de rotatie op
  6. Klik op knop:
    • [ Volgend ] om het volgende identieke symbool te plaatsen
    • [ OK ]
      of
      [ Stoppen ]
    • Klik op knop [ Annuleer ]
  7. Selecteer in venster 'Aanvullende symbolen' een ander symbool
    of
    klik op knop [ Annuleren ] om de functie af te sluiten


Wijzigingspijl plaatsen

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Onderlegger LT
  2. Selecteer functie 'Algemene symbolen' in het rolmenu
  3. Klik op knop [ v ] en selecteer de Wijzigingspijl
  4. Geef de wijzigingsletter en de wijzigingsdatum op
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Plaats de wijzigingspijl op de tekening en geef de rotatie op
  7. Klik op knop
    • [ Volgend ] om de volgende wijzigingspijl (met dezelfde wijzigingsletter en –datum) te plaatsen
      of
      [ OK ]in het commandovenster
      Pas na klikken op knop [ OK ] worden de gegevens in de wijzigingspijl geplaatst.
      De teksten worden "leesbaar" binnen de pijl geplaatst (horizontaal of vanaf links).
  8. Selecteer in venster 'Aanvullende symbolen' een ander symbool
    of
    klik op knop [ Annuleren ] om de functie af te sluiten


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld