Naar hoofdinhoud

B LT -03- Plattegronden - TheModus Suite LT (Nordined LT)

How to - Bouwkunde LT

Laatst gewijzigd op 20 mei 2021

INHOUDSOPGAVE



Plattegronden

Starten / Stoppen


NOR-Bouwtechniek LT wordt opgestart vanuit het Start-menu van Windows


Bij het maken van een nieuwe tekening moeten tekeningformaat, plotschaal en teksthoogte (op de plot) worden opgegeven. Achteraf kunnen plotschaal en tekeningformaat aangepast worden. Bij aanpassing van de plotschaal veranderen de arceringen mee voor zover verschillende arceringen bij verschillende plotschalen is aangegeven bij de materiaalinstellingen.


Tevens kan een kader en (eigen) stempel op de tekening geplaatst worden.


Als kader en stempel in paperspace (op een layout) geplaatst worden kan een referentiekader in modelspace gezet worden, dat correspondeert naar vorm en verschaling met het binnenkader op paperspace (layout). 

Met welk papierformaat de pagina-instelling op de layout verschijnt hangt af van instellingen van AutoCAD zelf (via Options), zoals welke printer/plotter aan nieuwe lay-outs gekoppeld moeten worden en of er een viewport wel/niet aangemaakt moet worden. Via de PageSetup zijn dan de fijnregelingen te maken. Waarschijnlijk zullen dus aanpassingen moeten gebeuren via rolmenu File, PageSetup en zal de viewport aangepast moeten worden: leggen op de hoekpunten van het binnenkader.


Starten nieuwe tekening

  1. Klik op icon NOR-Bouwtechniek LT op het werkblad of via [ Start ], Cadac Group, Bouwtechniek LT V7
  2. Klik op knop [ Nieuwe tekening ]
  3. Klik op knop [ OK ]
  4. Geef tekeninginstellingen op in venster
  5. Klik op knop [ OK ]


Starten bestaande tekening van schijf

  1. Klik op icon NOR-Bouwtechniek LT op het werkblad of via [ Start ], Cadac Group, Bouwtechniek LT V7
  2. Klik op knop [ Bestaande tekening ]
  3. Selecteer tekening in venster
  4. Klik op knop [ Open ]


Starten NOR-Bouwtechniek LT met actieve tekening

  1. Selecteer  Bouwtechniek LT via [ Start ], Cadac Group, Bouwtechniek LT V7
  2. Klik op knop [ Huidige tekening ]


Stoppen

  1. Klik op knop [ Einde ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT:
    • NOR LT Afsluiten?
      Klik op knop [ Ja ]
      of
      Klik op knop [ Nee ]
    • AutoCAD LT ook afsluiten?
      Klik op knop [ Ja ]
      of
      Klik op knop [ Nee ]
    • Tekening opslaan?
      Klik op knop [ Ja ]
      of
      Klik op knop [ Nee ]


Terug naar Inhoudsopgave


Stramienen opzetten


De gegevens van de  stramienen worden in een venster opgegeven.

Kolommen kunnen op elk snijpunt van stramienlijnen worden geplaatst.

De stramienen kunnen worden bemaat.

Stramienen kunnen worden opgeslagen, en opgehaald voor toepassing in andere tekeningen. 


Daarna wordt het complete stramienenplan getekend. De stramienlaag wordt 'gelocked'.

 


Maken stramienplan

  1. Selecteer knop [ Stramien ] 
  2. Selecteer menukeuze 'Stramien plattegrond' in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  3. Om die getoonde stramieninstellingen te wissen:
    klik op knop [ Wissen ]
  4. Vul gegevens in venster in
    • Hoek stramien = helling ‘horizontale’ stramienlijnen
    • Doorsteekafstand = afstand tussen buitenste stramienlijn en stramienbol
    • Kolommen plaatsen = op alle snijpunten stramienlijnen
    • Voeg stramienlijnen door een afstand te selecteren en vervolgens op knop [ …Stramienen toevoegen ] te klikken
    • (Stramien)bolteksten en afstanden zijn ook handmatig aan te passen door op tekst of afstand te dubbelklikken.
  5. Klik op knop [ OK ]
    Indien aangegeven dat kolommen moeten worden geplaatst:
  6. Selecteer kolomvorm in venster en klik op knop [ OK ]
  7. Geef maten op in venster Kolom en klik op knop [ OK ]
Stramienen, stramienbollen en -teksten en kolommen (indien opgegeven) worden getekend.
De bemating wordt tussen stramienbollen en buitenste stramienlijn geplaatst.
De stramienlaag wordt 'gelocked'.


Opslaan stramienplan

Indien eenzelfde stramien meermalen toegepast moet worden kan een stramienplan worden opgeslagen. Na ophalen van het stramienplan kunnen daarna zonodig nog wijzigingen worden aangebracht voordat het stramienplan wordt geplaatst op tekening. 
  • Venster 'Stramienen' actief; gegevens stramien al ingevuld.
  1. Selecteer knop [ Opslaan ]
  2. Geef naam op voor stramienplan
  3. Klik op knop [ OK ]


Ophalen stramienplan

Een opgeslagen stramienplan kan worden opgehaald. Na ophalen van het stramienplan kunnen daarna zonodig nog wijzigingen worden aangebracht voordat het stramienplan wordt geplaatst op tekening. 
  • Venster 'Stramienen' actief.
  1. Selecteer knop [ Ophalen ]
  2. Selecteer in het venster het gewenste stramienplan
  3. Klik op knop [ OK ]


Wijzigen stramienplan

  • Venster 'Stramienen' actief, gegevens al ingevuld of opgehaald.
  1. Dubbelklik op te wijzigen tekst of afstand
  2. Wijzig de tekst of afstand
  3. Leg wijziging vast met <Enter> of door klikken in ander veld.


Afstanden stramienraster wissen

  • Venster 'Stramienen' actief, gegevens al ingevuld of opgehaald.
  1. Klik op knop [ Wissen ]
    Popup-venster met vraag: huidige afstanden wissen?
  2. Klik op knop [ Ja ]
    De vakken met de horizontale en verticale stramienafstanden worden leeg gemaakt.


Stramienlijn uit stramienraster verwijderen

  • Venster Stramienen actief, gegevens al ingevuld of opgehaald.
  1. Selecteer de te wissen stramien (nummer, Boltekst of afst tov vorige)
  2. Toets [ Delete ]
    Popup-venster met vraag: Stramien verwijderen?
  3. Klik op knop [ Ja ]
    De betreffende stramien wordt uit het vernster verwijderd.


Stramienlijn uit de tekening verwijderen

1.    Selecteer knop [ Stramien ] 

2.    Selecteer menukeuze 'Stramienen verwijderen' in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT

3.    Selecteer de te verwijderen lijnstukken van het stramien

4.    Klik op knop [ OK ] in het commandovenster 

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen kolommen

Kolommen kunnen op het snijpunt van twee stramienlijnen worden geplaatst, of vrij in de ruimte.

Zie ook 'Speciale plaatsingsfuncties'


Kolommen op stramienen

  1. Selecteer knop [ Stramien ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Kolommen op stramienen' in menu 'Stramien'
  3. Selecteer kolomvorm in venster 'Soort kolommen' en klik op knop [ Plaats ]
  4. Geef maten op in venster 'Kolom' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer van gewenste plaatsingspunten (stramiensnijpunt) beide stramienen
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster.
Kolommen op stramienen geplaatst.
De eerst aangewezen stramienlijn bepaald de rotatiehoek van de kolom.
Kolommen kunnen achteraf worden geroteerd via knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT


Kolommen vrij plaatsen

  1. Selecteer knop [ Stramien ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Kolommen vrij' in menu 'Stramien'
  3. Selecteer kolomvorm in venster 'Soort kolommen' en klik op knop [ Plaats ]
  4. Geef maten op in venster 'Kolom' en klik op knop [ OK ] 
  5. Geef het plaatsingspunt op, eventueel met behulp van de Tracking-optie
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster.

Terug naar Inhoudsopgave


Aanmaken eigen kolommen


Afwijkende kolomvormen kunnen toegepast worden. 

  • De eigen kolommen kunnen met de keuze Eigen Symbool uit het kolom-iconenmenu worden geplaatst. De kolommen kunnen dan ook tijdens het plaatsen van het stramien worden geplaatst. De kolommen worden automatisch op de juiste laag geplaatst.
  • De eigen kolommen kunnen worden opgenomen in het Eigen Symbolenmenu. Opgave van de invoeglaag is bij het aanmaken van het symbool dan wel nodig.
    Eigen kolommen moeten worden getekend in AutoCAD, of met NOR-Bouwtechniek LT


Eigen kolom aanmaken

  • Tekenen kolom
    • Teken kolom op ware grootte met het commando <PLINE>
      geen speciale laag, kleur en lijntype is nodig
  • Maken lokaal symbool (Block)
    Het symbool is dan alleen binnen deze tekening bekend.
    • Type: block 
    • Geef naam op
    • Geef insertiepunt op
    • Selecteer de polylijn
      Het 'symbool' verdwijnt van de tekening.
  • Maken algemeen symbool (Wblock)
    Het symbool wordt dan als tekening op de harde schijf gezet.
    • Kolom is al als block gedefinieerd
      • Type: wblock
      • Geef blocknaam op
      • Plaats symbool op schijf (de tekeningdirectory wordt getoond)
    • Kolom is nog niet als block is gedefinieerd:
      • Type: wblock
      • Bij vraag naar block-naam: Toets <Enter>
      • Geef naam op
      • Plaats symbool op schijf (de tekeningdirectory wordt getoond)
      • Geef insertiepunt op
      • Selecteer de polylijn
        Het symbool verdwijnt van de tekening.


Aanwijzing

  • Gebruik het <LINE>-commando niet.
  • Bij opname in het Gebruikers-menu moet als laag BL281---_KOLOM worden opgegeven. De kolom wordt dan automatisch op de kolommenlaag geplaatst.
    Zie ook 'Eigen symbolen maken'

Terug naar Inhoudsopgave


Wanden - Algemeen


Diverse soorten wanden kunnen worden geplaatst via knop [ Wanden ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT. Hierbij wordt een enkele lijn (polylijn, rood) getekend, die daarna wordt omgezet in de gekozen wand.


Aaneensluitende rechte wanddelen kunnen achter elkaar door worden getekend; hierbij wordt automatisch een hoekoplossing getekend.


Rechte en gebogen wanddelen moeten afzonderlijk worden getekend. Gebogen wanden worden opgedeeld in een aan te geven aantal rechte segmenten.


Aansluitingen tussen verschillende soorten wanden en de isolatie kunnen via de knop [ Bewerk ] worden gemaakt.


Voor elk van de zes wandsoorten kan een materiaalsoort worden ingesteld (actief gemaakt). 


Tevens kan van geplaatste wanden worden opgevraagd welk materiaal is opgegeven voor die wand: met knop [ Bewerk ], keuze Materiaal, Arcering., optie Uitlezen materiaal wanden.


Knop [ Wanden ] 


  • Spouwmuur; dialoogvenster 'Gevel'
    Selectie van afmetingen van Buitenblad-Spouw-Binnenblad via venster 'Gevel'.
    De gevel bestaat uit 4 wandlijnen, op twee verschillende lagen.
    Selectie van WANDDIKTE via venster 'Wanden'
  • Overige wanden; dialoogvenster 'Wanden'
    • Metselwand
      bestaat uit 2 wandlijnen
    • Betonwand
      bestaat uit 2 wandlijnen
    • Binnenwand
      bestaat uit 2 wandlijnen plus hartlijn
    • Systeemwand
      bestaat uit 2 wandlijnen plus hartlijn
  • Woning scheidende wand; dialoogvenster 'Woningscheidende wand'
    Selectie van afmetingen van Buitenblad-Spouw-Binnenblad via venster 'Woningscheidende Wand'.
    De woningscheidende wand bestaat uit 4 wandlijnen op de laag van de Binnenwanden. De arceringen komen ook bij de arceerlaag van de binnenwanden.


Knop [ Bewerk ], keuze Wanden, Tabblad Wanden

  • Hoekoplossing
    tussen twee gelijksoortige wanden.
  • T-splitsing
    één aansluitende wand op één doorgaande wand.
  • Kruising
    met zowel gelijksoortige als ongelijksoortige wanden.
  • Maak wandkop (excl. Isolatie)
    Open wandkop dicht zetten, inclusief de wandarcering
  • Heel Wanden
    Onderbroken (wand/hart)lijn tot een lijn maken en isolatie tot geheel maken.
  • Breek Wanden
    Opening in wand maken, zowel wandarcering als spouwisolatie (bij gevels).
  • Wijzig lengte Wanden
    Wand verlengen of verkorten, zowel wandarcering als spouwisolatie (bij gevels).
  • Kolomuitsnede
    Wand ter plaatse van kolom onderbreken.


Knop [ Bewerk ], keuze Wanden, Tabblad Isolatie

  • Plaats isolatie in spouw
    voor het achter plaatsen, of vervangen van de spouwisolatie
  • Verwijder isolatie uit spouw
    bestaande isolatie uit de spouw verwijderen
  • Breek isolatie
    Deel van de isolatie verwijderen
  • Heel isolatie
    Onderbroken isolatie in gevel en gevellijnen en –arcering tot geheel maken
  • Wijzig lengte isolatie
    Isolatie(lengte) verlengen of verkorten
  • Afsluiten isolatie
    Isolatie(arcering) wordt door lijn afgesloten


Opmerking

Bij het tekenen van wanden worden hulplijntjes gezet op alle hoekpunten. 

De lagen waarop deze hulplijntjes staan kunnen 'uit’- en ‘aan’ gezet worden .

Deze  hulplijnen en de hartlijnen zijn nodig om ruimtedefinities te kunnen genereren.

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen wand


Bij het  plaatsen van Gevels, Metsel-, Beton-, Binnen- en Systeem- en Woningscheidende wanden moet de maat van de wand worden opgegeven en welke wandlijn (linker, rechter of middenlijn) als basislijn (tekenlijn) moet worden gebruikt.


Nadat de basislijn is getekend wordt deze omgezet in de gewenste wand.

  • Gevels en woningscheidende wanden bestaan uit 2 spouwbladen;
  • Binnenwanden en systeemwanden worden met een hartlijn getekend.

Wanden kunnen als rechte wand(delen) worden getekend, of als gebogen wand(delen). De gebogen wanddelen worden als rechte segmenten getekend met of zonder arcering.

Bij het tekenen van wanden worden t.b.v. het maken van ruimtedefinities hulplijntjes gezet op alle hoekpunten. Deze hulplijntjes kunnen worden ‘uit’- en ‘aan’gezet met de optie Lagenbeheer onder knop Lagen in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT.

 

 


  • Basislijn is wandlijn
    R = Rechter zijde wand
    M = Hartlijn wand (Midden)
    L = Linkerzijde wand
    B = Binnenspouwblad = wandlijn binnenspouwblad in spouw (bij gevels)
    O = Offset, afstand van basislijn tot linker wandlijn
           (+ = wandlijn rechts t.o.v. de basislijn; - = wandlijn links t.o.v. de basislijn
  • Klikpunten plaatsen wand
    1 = Beginpunt wand
    2 = Tweede punt wand


Teken rechte wand

  1. Selecteer knop [ Wanden ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer wandtype in Rolmenu Wanden 
  3. Geef instellingen op in het dialoogvenster
    • Wanddikte
    • materiaal wand
    • wel/geen arcering)
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Teken de aaneengesloten wanden volgens de gekozen basislijn
    Let op: bij gevels moet de basislijn (bij meerdere segementen) altijd met de klok mee worden getekend. Anders komen de binnen- en buitenspouwbladen verkeerd om te liggen.
  6. Klik op [ OK ] in venster 'Plaats Basislijn'
Achteraf moeten nog nette wandaansluitingen worden gemaakt van de nieuw geplaatste wand met eventueel bestaande wanden.


Gebogen wanden

  1. Selecteer knop [ Wanden ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer wandtype in Rolmenu 'Wanden'
  3. Geef instellingen op in het dialoogvenster
    1. Wanddikte
    2. materiaal wand
    3. wel/geen arcering
    4. Gebogen wand aanvinken
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Teken de gebogen wand volgens de gekozen basislijn
    Dit is een “arc”, d.w.z. deze wordt getekend door aan te geven: beginpunt, radius en eindpunt.
  6. Klik op [ OK ] in venster Plaats 'Basislijn'
  7. Geef het aantal segmenten op in het venster en klik op knop [ OK ]
Achteraf moeten nog nette wandaansluitingen worden gemaakt van de nieuw geplaatste wand met eventueel bestaande wanden.

Terug naar Inhoudsopgave


Kopiëren van wanden


In NOR-Bouwtechniek LT wordt aan wanden en arceringen specifieke informatie toegevoegd, die deze wand uniek maakt voor deze tekening.


Daarom kunnen wanden niet met het standaard AutoCAD-commando <Copy> of <Offset> worden gekopieerd. Het wel gebruiken van dit commando kan problemen veroorzaken bij de verschillende wandbewerkingen.


Gebruik de speciale functie Kopiëren (incl. wanden) voor kopieeracties waarbij wanden voorkomen.


Wanden kopiëren

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Kies 'Kopiëren (incl. wanden)' in het vervolgmenu
  3. Selecteer en kopieer de te kopiëren entiteiten in de tekening ,zoals met het AutoCAD commando ‘Copy’. (Volg hierbij de aanwijzingen op de commandoregel van AutoCAD). 
  4. Klik na het maken van de kopie op [ OK ]in het commandovenster.
    Dit laatste is nodig om na afloop van het kopiëren aan de wanden nieuwe informatie te koppelen die deze onderscheiden van de originele wanden.

Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken wandaansluitingen


Wand(delen) die niet in één keer getekend zijn moeten nog netjes worden aangesloten.

Indien wanden verwijderd zijn moeten bij de oude aansluitingen de opengebroken wanden weer gesloten worden.

Het is mogelijk de wandbewerkingen inclusief of exclusief de arceringen te doen.

Ingesteld kan worden, dat het venster na afloop van de bewerking opnieuw getoond wordt.

Bij deze bewerkingen worden tevens de hulplijnen getekend die nodig zijn om z.g. ruimtedefinities (oppervlakken) automatisch te kunnen genereren.

 

 


  • Klikpunten 1, 2, 3, 4
    De nummering geeft de  volgorde aan voor selectie van wandlijnen. (crossing-optie)


Maken Hoekoplossing

Wandeinden mogen niet voorbij het te maken hoekpunt steken.
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Hoekoplossing' op Tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van eerste wand:
    klikpunten 1. en 2.    (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van tweede wand:
    klikpunten 3. en 4.    (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster


Maken T-Splitsing

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'T-Splitsing' op Tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van doorgaande wand:
    klikpunten 1. en 2.    (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van aansluitende wand:
    klikpunten 3. en 4.    (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster


Maken Kruising - wanden ongelijke soort

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Kruising' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van doorgaande wand:
    klikpunten 1. en 2.    (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van te onderbreken wand:
    klikpunten 3. en 4.    (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster
De volgende hiërarchie bestaat voor het bepalen van welke wand(en) onderbroken moeten worden:
1. Gevels
2. Metselwand en betonwand (gelijke soort)
3. Binnenwand en systeemwand (gelijke soort)
Bij kruising van wanden van ongelijke soort wordt de lagere soort wand onderbroken
Bij kruising van wanden van gelijke soort wordt alleen de 2e geselecteerde wand onderbroken.


Maken Kruising - wanden gelijke soort

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Kruising' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van eerste wand:
    klikpunten 1. en 2.    (crossing-optie)
  6. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van tweede wand:
    klikpunten 3. en 4.    (crossing-optie)
  7. Klik op [ OK ] in het commandovenster
Alle gelijke wanden (metselwand/metselwand of systeemwand/systeemwand) worden t.p.v. de kruising onderbroken;
Bij gelijksoortige wanden (metselwand/betonwand en binnenwand/systeemwand) wordt alleen de 2e geselecteerde wand onderbroken.


Dicht maken Wandkop bij gevels

  • De volgorde van selecteren van de wandlijnen bepaalt of het binnenspouwblad of het buitenspouwblad wordt doorgetrokken.
  • De drie achtereenvolgend te gebruiken functies zijn repeterend. 
  1. Verwijder eerst de spouwisolatie
    • Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
    • Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
    • Selecteer 'Verwijder isolatie uit spouw' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk'
    • Klik op knop [ OK ]
    • Selecteer met de <crossing>-optie de te verwijderen isolatie en de wandlijnen
    • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    • Selecteer de volgende gevel
      of
      klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster
  2. Maak vervolgens de wandkop dicht
    • Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
    • Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
    • Selecteer 'Wandkop' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
    • Klik op knop [ OK ]
    • Selecteer achtereenvolgend bij-elkaar-horende wandlijnen
      De eerst geselecteerde wandlijnen (binnen- of buitenspouwblad) worden doorgetrokken op de laatst geselecteerde wandlijnen (buiten- of binnenspouwblad)
    • Selecteer vervolgens de arceringen van de gevel
    • Klik op [ OK ] in het commandovenster.
    • Selecteer de volgende gevel of klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster
  3. Plaats de spouwisolatie opnieuw:
    • Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
    • Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
    • Selecteer 'Plaats isolatie in spouw' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk' 
    • Klik op knop [ OK ]
    • Selecteer de lijnen en arceringen van de gevel waarin de spouwmuurisolatie moet worden aangebracht. 
    • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    • Selecteer de volgende gevel of klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster


Dicht maken Wandkop bij overige wanden

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Wandkop' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5.  Selecteer achtereenvolgend de bij-elkaar-horende wandlijnen
  6. Klik op [ OK ] in het commandovenster


Heel Wanden

De wanden moeten in elkaars verlengde liggen, op dezelfde lagen staan en van hetzelfde materiaal zijn.
Bij selectie van wanden, arceringen en isolatie moet de <crossing>-optie gebruikt worden.
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Heel Wanden' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van de beide wanden met de <crossing>-optie.
  6. Klik op [ OK ]in het commandovenster
    De wanden, en eventueel de arcering en isolatie, worden geheeld.


Breek Wanden

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Breek Wanden' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van de te breken wand.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  7. Geef de twee punten op waartussen de wand gebroken moet worden
    Als slechts een breekpunt nodig is moet twee keer hetzelfde punt worden aangewezen.
  8. Klik op [ OK ]in het commandovenster
    De wand wordt tussen de twee aangegeven punten gebroken (onderbroken).


Verlengen of verkorten wanden

De arceringen van de wanden en de isolatie worden niet associatief geplaatst.
Dit betekent, dat het standaard AutoCAD-commando <STRETCH> niet kan worden gebruikt bij het verlengen of verkorten van wanden zonder daarna de wand opnieuw te moeten arceren via knop [ Bewerk ], Materiaal,Arceringen, Opnieuw arceren wanden. Als alternatief kan de volgende functie worden gebruikt.
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Wijzig lengte wanden' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef het nieuwe eindpunt van de wand.
    De wand zal verlengd of verkort worden tot de lijn door dit punt die haaks op de nog te selecteren wand staat.
  6. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van de te verlengen of te verkorten wand aan de zijde van de wand waar die moet worden verlengd of ingekort.
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster.


Wat kan er fout gaan

  • De bewerking wordt niet goed uitgevoerd. 
    • Over het algemeen komt dit doordat een verkeerde wandselectie is gemaakt. (Bijvoorbeeld door bij een T-Splitsing eerst de aansluitende en daarna de doorgaande wand te selecteren). De beste manier om dit op te lossen is om de wanden die verkeerd zijn bewerkt uit de tekening te verwijderen m.b.v. het AutoCAD commando <ERASE> en deze hierna opnieuw te plaatsen. Gebruik van het AutoCAD commando <UNDO> kan tot ongewenste resultaten leiden, omdat één bewerking van de applicatie is opgebouwd uit een groot aantal AutoCAD commando’s.
  • Na een bewerking komt er een dubbele arcering in de wand te staan.
    • Dit gebeurt als bij het selecteren van de wand voor een bewerking de arcering niet  mee geselecteerd is.
      • Arceer de wand opnieuw: via knop [ Bewerk ] in de Knoppenbalk van NOR-Bouwtechniek LT, vervolgmenu 'Wanden', tabblad 'Materiaal', optie 'Opnieuw arceren wanden'
  • Na een bewerking is de arcering uit de wand verdwenen
    • Op tabblad 'Wanden' stond 'Inclusief arcering' uitgevinkt
      • Arceer de wand opnieuw: via knop [ Bewerk ] in de Knoppenbalk van NOR-Bouwtechniek LT, vervolgmenu 'Wanden', tabblad 'Materiaal', optie 'Opnieuw arceren wanden' 

Terug naar Inhoudsopgave


Kolomuitsnede wanden


Bij het plaatsen van kolommen op wanden, of het tekenen van wanden over kolommen worden de wandlijnen niet onderbroken.


Met de functie kolomuitsnede  kunnen de wanden ter plaatse van de kolommen worden onderbroken. Als een kolom een wand gedeeltelijk onderbreekt moeten daarna betreffende wandlijnen weer worden hersteld.


Voor kolommen in een (enkele) wand en voor kolommen op de kruising/aansluiting van wanden moeten afzonderlijke procedures worden vervolgd.


Voor elke kolom zal een aparte kolomuitsnede moeten worden uitgevoerd.


Kolomuitsnede maken in recht gedeelte  van de wand

  1. Zoom in op de betreffende kolom
  2. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  3. Selecteer 'Wanden' in het rolmenu
  4. Selecteer 'Kolomuitsnede' in venster 'Bewerk wanden' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer met de <crossing>-optie alle wandlijnen van de betreffende wand en de betreffende kolom.
    Bij hoeken is het vaak eenvoudiger om de wanden met de <crossing>-optie en de kolom met de <window>-optie te selecteren.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
    De wand wordt om de kolom heen opgebroken.
  7. Klik op 
    • [ Stoppen ] om de functie te beëindigen
    • [ Volgende ] om de functie op de volgende wand-kolom combinatie uit te voeren;
      herhaal de stappen 5. en 6.

Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken isolatie


Met het tabblad 'Isolatie' kan de spouwmuurisolatie van gevels worden bewerkt, zonder dat de gevel zelf bewerkt wordt.


Met de optie 'Plaats isolatie in spouw' kan isolatie worden aangebracht in de spouw van een gevel. Ook kan deze optie worden gebruikt om bestaande isolatie te vervangen.


Met de optie 'Verwijder Isolatie uit spouw' kan de isolatie uit de spouw worden verwijderd, zonder dat de wand ook weggehaald wordt. Aangezien er altijd een lijn van de wand en een lijn van de isolatie over elkaar getekend worden is het eenvoudiger om de spouwmuurisolatie met deze optie te verwijderen dan met het AutoCAD commando ‘Erase’.


Met de opties 'Heel Isolatie', 'Breek Isolatie' en 'Wijzig Isolatie' kan de isolatie van een gevel resp. worden gebroken, geheeld, verlengd of verkort, zonder dat de gevel zelf bewerkt wordt.


De optie 'Afsluiten Isolatie' kan worden gebruikt om met een lijn de isolatie aan de uiteinden af te sluiten. Als hierna bewerkingen op de isolatie worden uitgevoerd mogen deze lijnen niet mee worden geselecteerd, en zullen ze met de hand (AutoCAD commando ‘Erase’) moeten worden verwijderd.

 


Plaats isolatie in spouw

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Plaats isolatie in spouw' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk wanden' 
  4. Geef de dikte van de isolatie op en geef eventueel op dat de hoekpunten van de wand aangepast moeten worden (= afgeschuind)
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer de lijnen en arceringen van de gevel waarin de spouwmuurisolatie moet worden aangebracht.
    Isolatie kan slechts in 1 gevel tegelijk worden geplaatst.
    Als de bestaande spouwmuurisolatie moet worden vervangen moeten de lijnen en arcering hiervan ook geselecteerd worden. (m.b.v. crossing -optie)
  7. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    • Indien bij de Instellingen 'Isolatie Gevel' het plaatsen van isolatie nietis ingesteld komt venster met vraag of dit alsnog ingesteld moet worden
      • Klik op knop [ Ja ]
      • Vink 'Plaats isolatie' 'aan'
      • Klik op knop [ OK ]
        Eventuele bestaande isolatie wordt verwijderd.
        Nieuwe isolatie wordt nu in de spouw geplaatst volgens de instellingen die gemaakt zijn in het dialoogvenster Instellingen Isolatie gevel (knop Arcering, Isolatie instelling).
  8. Selecteer de lijnen van de volgende gevel,
    of
    klik op knop [ Stoppen ] in het commandovenster, of toets <F12>


Verwijder isolatie uit spouw

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Verwijder isolatie uit spouw' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ] 
  5. Selecteer de lijnen en arceringen van de gevel en de isolatie waarvan de spouwmuurisolatie moet worden verwijderd. (m.b.v. crossing -optie)
  6. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    De isolatie wordt nu verwijderd.


Breek Isolatie 

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Breek isolatie' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk'
  4. Klik op knop [ OK ] 
  5. Selecteer de gevel waarvan de isolatie moet worden gebroken (inclusief alle lijnen en arceringen van de gevel en de isolatie). (m.b.v. crossing -optie)
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  7. Geef twee punten op waartussen de isolatie gebroken moet worden.
    Hiertussen zal een lijn worden getrokken. Als slechts één breekpunt gewenst is moet twee keer hetzelfde punt worden opgegeven.
  8. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster.
    De isolatie wordt nu opgebroken.


Heel Isolatie

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Heel isolatie' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ] 
  5. Selecteer de gevel(s) waarvan de isolatie geheeld moet worden. De gevel(s) en de isolatie moeten in elkaars verlengde liggen, op dezelfde laag staan en van hetzelfde materiaal zijn. Alle lijnen en arceringen van de gevel(s) en de isolatie  moeten geselecteerd worden.  (m.b.v. crossing -optie)
  6. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    De isolatie wordt nu geheeld.


Verleng of verkorten Isolatie

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Wijzig lengte isolatie' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk'
  4. Klik op knop [ OK ] 
  5. Geef het nieuwe eindpunt van de isolatie. De isolatie zal worden verlengd of verkort tot een denkbeeldige lijn door dit punt, loodrecht op de isolatie.
  6. Klik op [ OK ] in het commandovenster
  7. Selecteer de lijnen en arceringen van de gevel en de spouwmuurisolatie. (m.b.v. crossing -optie)
  8. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    De lengte van de isolatie wordt nu gewijzigd.


Afsluiten Isolatie

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Selecteer 'Afsluiten isolatie' op tabblad 'Isolatie' in Venster 'Bewerk' 
  4. Klik op knop [ OK ] 
  5. Selecteer de gevel en de isolatie aan de kant waar de isolatie afgesloten moet worden. (m.b.v. crossing -optie)
  6. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    De isolatie wordt nu door een lijn tussen de eindpunten van de bestaande lijnen afgesloten.


Wat kan er fout gaan

  • Bij het opnieuw plaatsen van de isolatie, bijvoorbeeld bij een wandkop, zijn de lijnen van de isolatie niet even lang: de isolatie wordt schuin afgesneden, zoals bij een hoekoplossing van 2 gevels.
    • Klik op knop [ Bewerk ] in de knoppenbalk
    • Selecteer 'Wanden' in het rolmenu
    • Open tabblad 'Isolatie'
    • Selecteer 'Plaats isolatie in spouw' 
    • Zorg er voor dat de optie 'Aanpassen bij hoekpunt wand' niet staat aangevinkt
    • Klik op knop [ OK ] om de isolatie opnieuw te plaatsen
    • Selecteer de wand inclusief de isolatie
    • Klik op [ OK ]in het commandovenster
      De isolatie wordt vervangen.

Terug naar Inhoudsopgave


Achteraf / Opnieuw arceren wanden


Omdat de mogelijkheid bestaat met NOR-Bouwtechniek wanden te plaatsen zonder arcering is ook de optie opgenomen wanden achteraf te arceren met de op dat moment ingestelde arceerpatronen. 


Ook is het mogelijk wanden en de wandaansluitingen opnieuw te arceren, als bijvoorbeeld een arceerpatroon van de wand gewijzigd is. 


Bovenstaande geldt ook voor de spouwmuurisolatie, als de lijnen hiervan al aanwezig zijn en als deze in de selectie van de wand worden meegenomen.

Op deze manier arceren van wanden is alleen mogelijk met wanden die zijn geplaatst met NOR-Bouwtechniek LT.
De wandlijnen hiervan bevatten informatie m.b.t. het materiaal van de wand en de begrenzing van de arceringen.

 

Arceren wanden met actuele instelling

  • Voor elk wandtype is een materiaalsoort ingesteld. De bijbehorende arcering wordt op de geselecteerde wanden geplaatst
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het vervolgmenu
  3. Open tabblad 'Materiaal'
  4. Kies optie 'Opnieuw arceren wanden' en klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer met de <crossing>-optie de wanden waarvan de arcering moet worden vervangen of nieuw moet worden geplaatst
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    Alle arceringen van de wanden in de selectie worden opnieuw gearceerd met arceerpatronen volgens de huidige instellingen.


Arceren wanden met andere instelling

  • Voor elk wandtype is een materiaalsoort ingesteld. De bijbehorende arcering wordt op de geselecteerde wanden geplaatst
  1. Wijzig via knop [ Bewerk ], menukeuze 'Wanden', op tabblad 'Materiaal' de materiaalsoort voor de gewenste soort wand.
  2. Klik op knop [ OK ]
  3. Selecteer met de <crossing>-optie de wanden waarvan de arcering moet worden vervangen of nieuw moet worden geplaatst
  4. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    Alle arceringen van de wanden in de selectie worden opnieuw gearceerd met arceerpatronen volgens de huidige instellingen.


Arceren kruispunten en T-splitsingen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het menu
  3. Open tabblad 'Materiaal'
  4. Selecteer optie 'Arcering aansluitingen wanden' 
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer de kruising in T-Splitsing met de optie <crossing>
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>


Richting arcering wijzigen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wanden' in het menu
  3. Open tabblad 'Materiaal'
  4. Selecteer optie 'Richting arcering wijzigen' 
    • Vaste hoek
    • Richting wand
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer de wandlijnen en arceringen met de optie <crossing>
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>


Opmerkingen

  • NB: Zowel aan de wandlijnen als aan de arceringen van een wand wordt informatie toegekend over de materiaalsoort van de wand. Als de materiaalsoort van een bestaande wand wordt gewijzigd veranderen dus zowel de arcering als de wandlijnen. Het plaatsen van de informatie in de tekening en het wijzigen van bestaande wanden kan enige tijd in beslag nemen.
  • Nieuwe materialen kunnen aan de lijst met materialen toegevoegd worden door deze te definiëren via knop
    [ Toevoegen ] in het dialoogvenster 'Instellen Arceerpatronen'. (Via 'Algemene instellingen', 'Materiaalinstellingen')
    Zie Instellingen Arceringen
  • Met dit dialoogvenster kan slechts 1 materiaalinstelling tegelijk worden gewijzigd.

Terug naar Inhoudsopgave


Opvragen materiaal / plaatsen renvooi


Aan de wanden zijn materiaalgegevens gekoppeld. Deze gegevens kunnen worden opgevraagd.

Voor de geplaatste arceringen kan een renvooi worden opgesteld.


Materiaalgegevens wand opvragen

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wand' in het menu
  3. Open tabblad 'Materiaal'
  4. Selecteer optie 'Uitlezen materiaal wanden' 
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer de wandlijnen en arcering van de betreffende wand met de <crossing>-optie
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    In het venster worden de materiaalgegevens van de wand getoond.
  8. Klik op knop [ OK ]
  9. Selecteer de lijnen van de volgende wand
    of
    klik op knop [ Stoppen ] of toets <F12>


Plaatsen renvooi materialen

  • Wanden zijn voorzien van arceringen
  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wand' in het menu
  3. Open tabblad 'Materiaal'
  4. Selecteer optie 'Renvooi materiaal'
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Selecteer alle wanden (arceringen) die in de legenda moeten worden opgenomen
  7. Klik op knop [ OK ] on het commandovenster of toets <F11>
  8. Geef het linker bovenpunt van de legenda aan op tekening

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen deuren


Enkele en dubbele deuren kunnen zowel als buiten- en als binnendeur worden geplaatst.

Bij dubbele deuren kunnen zowel gelijke als ongelijke deurvleugels worden opgegeven.

De breedte en de dikte van de kozijnstijl en de breedte van de deur of deuren kunnen worden opgegeven. Bij dubbele deuren kan ook de totale breedte worden opgegeven: de deuren krijgen dan een gelijke breedte.

Aangegeven kan worden of een zijlicht moet worden geplaatst.

Bij het plaatsen moet het plaatsingspunt van de deur (kozijn aan scharnierzijde of midden kozijn) aangegeven worden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een referentiepunt.

Na aangeven van het plaatsingspunt op de wand moet aangegeven worden in welke richting de rest van de deur op de wand moet komen; de aangewezen kant van de wand bepaalt de draairichting van de deur.

De deuren kunnen alleen op wanden getekend worden.

 

 



  • Plaats in wand: Rand
    Als een deur op de rand van de wand wordt geplaatst, bepaalt een extra plaatsingspunt welke wandzijde dat is.
  • Plaats in wand: Negge
    Als een deur met een negge wordt geplaatst, bepaalt een extra plaatsingspunt van waaruit de negge moet worden berekend.
  • Openingszijde deur:
    De wandzijde waarop het basispunt wordt geplaatst is tevens de kant waar de deur naar toe open gaat.
  • Kozijninstelling [ Opvragen ]
    Als aanzichten van kozijnen zijn gemaakt (via menuknop [ Aanzichten en Overig ] en dan knop
    [ Aanzichten ]) en de instellingen daarvan zijn opgeslagen, zijn deze instellingen in te lezen voor de plattegrondtekening.


Deur plaatsen – direct (door tekenen hulplijn) 

  1. Selecteer knop [ Deuren ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer het soort deur in Venster 'Deuren'
  3. Geef gegevens van de te plaatsen deur op in Venster 'Deuren'
    Basispunt=Scharnier betekent buitenkant van het kozijn aan de scharnierzijde van de deur.
    Bij plaatsing van een enkele deur met plaatsingspunt Midden bepaalt de applicatie zelf aan welke zijde het scharnier wordt geplaatst: met AutoCAD commando <MIRROR> is de deur te spiegelen.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin deur moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
  7. Bepaal plaatsingspunt (zijde van de wand bepaalt opening deur)
  8. Geef plaatsingspunt op  (is beginpunt van hulplijn)
  9. Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
  10. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    • Bij Schuifdeuren:
      • Geef de schuifrichting op
    • Bij plaats in wand ‘Rand’
      • Geef een punt op aan de wandzijde waarop de deur moet worden geplaatst
    • Bij plaats in wand met ‘Negge
      • Geef een punt op aan de wandzijde van waaruit de negge moet worden berekend.
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
  12. Nog eenzelfde deur plaatsen
    • Nee
      Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster of toets <F12>
    • Ja    
      • in dezelfde wand
        • Klik op knop [ Volgend ]
        • Ga naar Stap 7
      • in andere wand
        • Klik op knop [ Wand ]
        • Ga naar Stap 5
Gebruik de optie <ORTHO> bij het bepalen van de richting van het kozijn (Knop O of  functietoets <F8>)
Bij gevels wordt de wand t.p.v. deuren en ramen altijd onderbroken. Bij andere wanden kan de wand  t.p.v. deuren en ramen worden onderbroken; dit is in te stellen onder knop Opties, Algemene instellingen in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT.


Deur plaatsen – indirect met AutoCAD Object Snap functies

  1. Selecteer knop [ Deuren ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer het soort deur in Venster 'Deuren'
  3. Geef gegevens van de te plaatsen deur op in Venster 'Deuren'
    Basispunt=Scharnier betekent buitenkant van het kozijn aan de scharnierzijde van de deur.
    Bij plaatsing van een enkele deur met plaatsingspunt Midden bepaalt de applicatie zelf aan welke zijde het scharnier wordt geplaatst: met AutoCAD commando <MIRROR> is de deur te spiegelen.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin deur moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
  7. Klik op knop  [Snap From] van AutoCAD LT
  8. Geef referentiepunt in tekening op
  9. Bepaal de waarde @x,y of @a<hoek vanaf dit punt
    Dit wordt dan het beginpunt van de hulplijn, of het basispunt van de deur bij de optie plaatsingspunt=midden.
  10. Bij optie plaatsingspunt=scharnier:
    • Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    • Bij schuifdeuren:
      Geef de schuifrichting op
    • Bij plaats in wand ‘Rand’
      Geef een punt op aan de wandzijde waarop de deur moet worden geplaatst
    • Bij plaats in wand met ‘Negge'
      Geef een punt op aan de wandzijde van waaruit de negge moet worden berekend.
  12. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
  13. Nog eenzelfde deur plaatsen
    • Nee
      • Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster of toets <F12>
    • Ja    
      • in dezelfde wand
        • Klik op knop [ Volgend ]
        • Ga naar Stap 7
      • in andere wand
        • Klik op knop [ Wand ]
        • Ga naar Stap 5
Gebruik de optie <ORTHO> bij het bepalen van de richting van het kozijn (Knop ORTHO of  functietoets <F8>)
Bij gevels wordt de wand t.p.v. deuren en ramen altijd onderbroken. Bij andere wanden kan de wand  t.p.v. deuren en ramen worden onderbroken; dit is in te stellen onder knop Opties, Algemene instellingen in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT.


Deur plaatsen – indirect door tekenen basislijn 

  1. Selecteer knop [ Deuren ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer het soort deur in Venster 'Deuren'
  3. Geef gegevens van de te plaatsen deur op in Venster 'Deuren'
    Basispunt=Scharnier betekent buitenkant van het kozijn aan de scharnierzijde van de deur.
    Bij plaatsing van een enkele deur met plaatsingspunt 'Midden' bepaalt de applicatie zelf aan welke zijde het scharnier wordt geplaatst: met AutoCAD commando <MIRROR> is de deur te spiegelen.
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin deur moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
  7. Geef startpunt basislijn
  8. Bepaal met @x,y of @a<hoek de volgende punten van de basislijn, totdat het plaatsingspunt van de deur is bereikt
  9. Geef als laatste lijnstuk van de basislijn de richting van de rest van het kozijn op
  10. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    • Bij schuifdeuren:
      Geef de schuifrichting op
    • Bij plaats in wand ‘Rand’
      Geef een punt op aan de wandzijde waarop de deur moet worden geplaatst
    • Bij plaats in wand met ‘Negge
      Geef een punt op aan de wandzijde van waaruit de negge moet worden berekend.
  11. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
  12. Nog eenzelfde deur plaatsen
    • Nee
      • Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster of toets <F12>
    • Ja    
      • in dezelfde wand
        • Klik op knop [ Volgend ]
        • Ga naar Stap 7
      • in andere wand
        • Klik op knop [ Wand ]
        • Ga naar Stap 5
Gebruik de optie <ORTHO> bij het bepalen van de richting van het kozijn (Knop ORTHO of  functietoets <F8>)
Bij gevels wordt de wand t.p.v. deuren en ramen altijd onderbroken. Bij andere wanden kan de wand  t.p.v. deuren en ramen worden onderbroken; dit is in te stellen onder knop Opties, Algemene instellingen in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT.


Wat kan er fout gaan

  • Deur wordt foutief geplaatst
    1. Verwijder de deur zoals aangegeven bij 'Verwijderen deuren en ramen'
    2. Plaats de deur opnieuw.
  • Door de arcering van de wand is het moeilijk de juiste plaats van het basispunt op één van de lijnen van de wand aan te geven (bijvoorbeeld m.b.v. ‘midpoint’)
    1. Verwijder alleen de arcering van de wand m.b.v. het AutoCAD commando <ERASE>
    2. Plaats de deur in de wand 
    3. Arceer de wand opnieuw met de functie 'Arceren wanden' in het vervolgmenu van de knop [ Arcering ] in de Knoppenbalk van NOR-Bouwtechniek LT 
  • Arcering van de wand wordt niet onderbroken en komt door de deur heen te staan
    Waarschijnlijk is er in de wand een fout ontstaan, die als volgt kan worden opgelost:
    1. Verwijder de deur zoals aangegeven bij 'Verwijderen deuren en ramen'
      Dit moet ook het probleem in de wand oplossen.
    2. Plaats de deur opnieuw.
      Als hiermee het probleem niet is opgelost zal de wand uit de tekening moeten worden verwijderd met het AutoCAD commando <ERASE> en zal deze opnieuw moeten worden geplaatst.

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen raam


Geplaatst kunnen worden in binnen- of buitenwand:

  • enkele ramen (2 stijlen)
  • zijlichten (1 stijl)
  • glaswanden (of pui)
    • los (losse kozijnen tegen elkaar: dubbele tussenstijlen)
    • verdeel (kozijn met meerdere ramen: enkele tussenstijlen)

Bij de binnen- en buitenramen kunnen tot 3 ramen per kozijn worden opgegeven. Deze ramen kunnen van verschillende afmeting zijn.


De breedte en dikte van de kozijnstijl en de breedte van het raam kunnen worden opgegeven.


Bij het plaatsen moet het plaatsingspunt van het raam (zijkant kozijn of midden kozijn) aangegeven worden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van een referentiepunt.


Na aangeven van het plaatsingspunt - bij zijkant kozijn - op de wand moet aangegeven worden in welke richting de rest van het raam op de wand moet komen.

Ramen kunnen alleen op wanden getekend worden.

 

  • Plaats in wand: Rand
    Als een raam op de rand van de wand wordt geplaatst, bepaalt het plaatsingspunt welke wandzijde dat is.
  • Plaats in wand: Negge
    Als een raam met een negge wordt geplaatst, bepaalt het plaatsingspunt van waaruit de negge moet worden berekend.
  • Kozijninstelling [ Opvragen ]
    Als aanzichten van kozijnen zijn gemaakt (via menuknop [ Aanzichten en Overig ] en dan knop
    [ Aanzichten ]) en de instellingen daarvan zijn opgeslagen, zijn deze instellingen in te lezen voor de plattegrondtekening.


Ramen plaatsen

  1. Selecteer knop [ Ramen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Geef gegevens van het te plaatsen raam op in Venster 'Ramen'
    Alleen bij de binnen- en buitenramen kunnen tot 3 ramen tegelijk worden opgegeven.
  3. Als (instellingen van) aanzichten van kozijnen zijn opgeslagen kunnen deze instellingen via knop [ Opvragen ] worden ingelezen  
  4. Klik op knop [ OK ] 
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin het raam moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
    • 6.A.   Direct plaatsen raam/zijlicht (door tekenen van hulplijn (polylijn))
      • Geef plaatsingspunt op (is beginpunt van hulplijn)
      • Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen
      • (alleen bij plaatsen via kozijnpunt) (eindpunt hulplijn)
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
    • 6.B.   Indirect plaatsen ramen/zijlicht met behulp van AutoCAD Object Snap functies 
      • Klik op knop [ Snap From ] AutoCAD LT
      • Geef referentiepunt in tekening op
      • Bepaal de waarde @x,y of @a<hoek vanaf dit punt
        Dit wordt dan het beginpunt van de hulplijn, of het basispunt van het raam  bij de plaatsingsoptie=midden.
      • Bij de plaatsingsoptie=kozijn:
        • Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen    (eindpunt hulplijn)
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
        • Bij plaats in wand ‘Rand’
          Geef een punt op aan de wandzijde waarop het raam moet worden geplaatst
        • Bij plaats in wand met ‘Negge'
          Geef een punt op aan de wandzijde van waaruit de negge moet worden berekend.
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
    • 6.C.   Indirect plaatsen ramen/zijlicht door tekenen van een basislijn
      • Geef het startpunt op
      • Bepaal met @x,y of @a<hoek de volgende punten van de basislijn, totdat het plaatsingspunt van het raam is bereikt
      • Geef als laatste lijnstuk van de basislijn de richting van de rest van het kozijn op
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
  7. Nog eenzelfde raam plaatsen?
    • Nee
      Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster, of toets <F12>
    • Ja
      Ga naar stap 5.


Glaswand plaatsen

  1. Selecteer knop [ Ramen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2.  Selecteer 'Ramen' in Rolmenu
  3. Geef gegevens van het te plaatsen raam op in Venster 'Ramen'
    • Bij Glaswand, los moeten de afzonderlijke raammaten later worden opgegeven
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer alle lijnen van wand waarin het raam moet worden geplaatst.
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
  7. Plaatsen glaswand (ook pui)
    • 7.A.   Plaatsen Glaswand, Verdeel
      (Kozijn, verdeeld in aantal raamvakken; enkele tussenstijl)
      • Geef plaatsingspunt op    (is beginpunt van hulplijn)
      • Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen    (eindpunt hulplijn)
      • Klik op knop [OK] in het commandovenster, of toets <F11>
      • Geef aantal ramen op
      • Klik op knop [OK]
    • 7.B   Plaatsen Glaswand, Los
      (Aantal losse raamkozijn tegen elkaar; dubbele tussenstijlen)
      • Geef plaatsingspunt op (is beginpunt van hulplijn)
      • Geef richting op waarin rest van kozijn moet komen (eindpunt hulplijn)
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster, of toets <F11>
      • Geef maat eerste raam op in venster
      • Volgende raam
        • Volgende raam met dezelfde maat
          Klik op knop [ OK ]
        • Volgende raam met andere maat
          • Geef maat volgende raam op
          • Klik op knop [ OK ]
        • Geen volgend raam, Stoppen
          Klik op knop [ Stoppen ] 
  8. Nog eenzelfde raam plaatsen?
    • Nee
      Klik op knop [ Stop ] in het commandovenster, of toets <F12>
    • Ja
      Ga naar stap 5.


Aanwijzing

Ook bij Glaswanden is het mogelijk kozijnen indirect te plaatsen met AutoCAD Object Snap functies of door tekenen van een basislijn.


Wat kan er fout gaan

  • Raam wordt foutief geplaatst
    1. verwijder het raam zoals aangegeven bij 'Verwijderen deuren en ramen'
    2. plaats het raam opnieuw
  • Door de arcering van de wand is het moeilijk de juiste plaats van het basispunt op één van de lijnen van de wand aan te geven (bijvoorbeeld m.b.v. ‘midpoint’)
    1. Verwijder alleen de arcering van de wand m.b.v. het AutoCAD commando <ERASE>
    2. Plaats het raam in de wand 
    3. Arceer de wand opnieuw met de functie Arceren wanden in het vervolgmenu van de knop [ Arcering ] in de Knoppenbalk van NOR-Bouwtechniek LT 
  • Arcering van de wand wordt niet onderbroken en komt door het raam heen te staan.
    Waarschijnlijk is er in de wand een fout ontstaan, die als volgt kan worden opgelost:
    1. Verwijder het raam zoals aangegeven bij 'Verwijderen deuren en ramen'
      Dit moet ook het probleem in de wand oplossen.
    2. Plaats het raam opnieuw.
      Als hiermee het probleem niet is opgelost zal de wand uit de tekening moeten worden verwijderd met het AutoCAD commando <ERASE> en zal deze opnieuw moeten worden geplaatst.

Terug naar Inhoudsopgave


Verwijderen deuren en ramen


Deuren en ramen kunnen verwijderd worden met het standaard AutoCAD commando <Erase>.

Daarna zal het gat in de wand moeten worden 'geheeld'.

 

Volgorde van klikken bij het selecteren van de te verwijderen deur of raam (<window.-optie)


Deur of raam verwijderen, wand helen

  1. Start het verwijdercommando <Erase>
    • door intypen E gevolgd door <Enter>, of
    • door klikken op AutoCAD-knop  
  2. Selecteer de complete deur of het complete raam (inclusief eventueel aanwezige wandlijnen over de breedte van deur of raam) met de window-optie. 
  3. Geef <ENTER>of klik met de linker muisknop.
    Nu moet het gat in de wand nog gedicht worden.
  4. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  5. Selecteer 'Bewerk Wanden', enz in het vervolgmenu
  6. Selecteer 'Heel Wanden' op tabblad 'Wanden' in Venster 'Bewerk' 
  7. Klik op knop [ OK ]
  8. Selecteer alle wandlijnen (plus arcering en isolatie) van de beide wanden met de <crossing>-optie.
  9. Klik op [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen trap


De volgende trappen kunnen worden geplaatst:

  • enkele trap
  • dubbele rechte trap
  • wenteltrappen (spiltrap)
  • hoektrap (trap met 1 of 2 kwarten)

In een venster worden de maten opgegeven

De trap wordt schematisch getekend:

  • De aantrede kan worden opgegeven;
    Bij kwarten wordt de aantrede in 1e instantie uitgezet op 2/3 van de trapbreedte vanuit de spil, daarna vindt afronding plaats om op een heel aantal treden uit te komen.
  • Bij de dubbele trap kan de maat voor de binnenste trapbomen en de breedte van het schalmgat worden opgegeven.
  • met looprichting, breeklijnen, bijschriften, gestippelde weergave.
Met de AutoCAD functies < LINE> en <OFFSET> zijn de trappen eventueel aan te passen. Zorg dan wel op de juiste laag te tekenen.
Gebruik voor het tekenen van bordessen bijvoorbeeld het AutoCAD commando <LINE>.

 

  • Hoekpunt onder, links of rechts geeft het plaatsingspunt van de trap in de tekening
  • Trapboom=dikte trapboom (buitenkant)
  • Schalmgat=ruimte tussen de binnenste trapbomen bij een dubbele trap
  • Trbm.Midden=dikte van de trapbomen rond het schalmgat 
  • Kwarten kunnen met knoppen 3 en 4 gedraaid worden

 

  • Breedte=diameter
  • Begin Hoek / Eind Hoek
  • Het plaatsingspunt is het middelpunt van de wentel(spil)trap


Plaatsen rechte trappen (enkel / dubbel)

  1. Selecteer knop  [Trap] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer gewenste trap-type in het Rolmenu
  3. Geef gegevens van te plaatsen trap op in Venster Trappen
    • Links: Beginpunt trap en richting trap door klikken op linkerzijde trap
    • RechtsBeginpunt trap en richting trap door klikken op rechterzijde trap
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef beginpunt van trap op in tekening
  6. Geef richting van de trap op in tekening
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    Afhankelijk van de gekozen opties zullen aanvullende handelingen moeten worden verricht:
    • Stippelen delen van de trap
      • Selecteer de te stippelen delen van de trap
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    • Plaatsen looprichtingpijlen
      • Geef het beginpunt en het eindpunt van de looprichtpijl op
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
        Indien voor een dubbele pijl was gekozen:
      • Geef het beginpunt en het eindpunt van de tweede looprichtpijl op
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    • Plaatsen bijschriften
      • Plaats het bijschrift


Plaatsen hoektrap (trap met 1 of 2 kwarten)

  1. Selecteer knop [ Trap ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT 
  2. Selecteer 'Hoektrap' in het Rolmenu
  3. Geef gegevens van te plaatsen trap op in Venster 'Trappen'
    • LinksBeginpunt trap en richting trap door klikken op linkerzijde trap
    • RechtsBeginpunt trap en richting trap door klikken op rechterzijde trap
    • Geef met knoppen 3 en 4 de richting van de kwarten op
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef beginpunt van trap op in tekening 
  6. Geef richting van de trap op in tekening 
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    Afhankelijk van de gekozen opties zullen aanvullende handelingen moeten worden verricht:
    • Stippelen delen van de trap
      • Selecteer de te stippelen delen van de trap
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    • Plaatsen looprichtingpijlen
      Melding: Looprichting als boog plaatsen (bij trap met kwarten)
    • Plaatsen bijschriften
      • Plaats het bijschrift


Plaatsen wenteltrap (spiltrap)

  1. Selecteer knop [ Trap ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Wenteltrap' in Rolmenu
  3. Geef gegevens van te plaatsen trap op in Venster 'Trappen'
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef middelpunt van trap op in tekening
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster of toets <F11>
    Afhankelijk van de gekozen opties zullen aanvullende handelingen moeten worden verricht:
    • Stippelen delen van de trap
      • Selecteer de te stippelen delen van de trap
      • Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
    • Plaatsen looprichtingpijlen
      Melding: Looprichting als boog plaatsen (bij trap met kwarten)
    • Plaatsen bijschriften
      • Plaats het bijschrift


Tekenen bordessen

  1. Maak de trap-laag <current>
  2. Knop [ Lagen ], keuze 'Laag Actief'
  3. Wijs een trap aan
  4. Start het <LINE>commando:
    Type L, gevolgd door <Enter>
  5. Gebruik eventueel de tekenhulpmiddelen
    • Toolbar AutoCAD LT – Vangfuncties
    • <F9> : SNAP aan
    • <F8> : ORTHO aan


Opslaan/opvragen van trappen

  • Trappen formuleren 
    1. Vul venster 'Trappen' in met de verschillende trapgegevens/opties
    2. Geef voor deze instelling een naam op in vak 'Trapinstellingen'
    3. Klik op knop [ Opslaan ]
      Melding verschijnt, dat de instellingen zijn opgeslagen
    4. Klik op knop [ OK ] in het meldingvenster
  • Trapinstellingen opvragen
    1. Klik op knop [ Overzicht ] in venster 'Trappen'
      Venster 'Trapinstellingen' verschijnt
    2. Selecteer de gewenste trapinstelling en klik op knop [ OK ]

Terug naar Inhoudsopgave


Bewerken trappen


Nadat trappen getekend zijn kunnen deze nog bewerkt worden:

  • Toevoegen van looprichtingpijlen
  • Omzetten van lijntype Getrokken/Gestippeld
  • Opgeven en plaatsen van bijschriften

 


Achteraf bewerken van trappen - Looprichting

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Trappen' in het menu
  3. Selecteer optie 'Plaatsen looprichting pijlen'
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Geef begin- en eind-punt van de pijl op
  6. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster


Achteraf bewerken van trappen – Getrokken/Gestippeld

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Trappen' in het menu
  3. Selecteer optie 'Wijzig doorgetrokken/gestippeld'
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Selecteer de lijnen die aangepast moeten worden
  6. Klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    Getrokken lijnen worden gestippeld; gestippelde lijnen worden getrokken.


Achteraf bewerken van trappen - Looprichting

  1. Klik op knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Trappen' in het menu
  3. Selecteer optie 'Plaats bijschrift' en vink de gewenste gegevens aan
    • Aantal (treden)
    • Optrede
    • Aantrede
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Plaats het bijschrift op de tekening

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen sanitair


Sanitaire toestellen kunnen in de tekening worden geplaatst.

In een viertal symboolbibliotheken zijn symbolen beschikbaar.

  • Toiletten, Bidets
  • Bad, Douchebakken
  • Wastafels, Fonteinen
  • Spoelbakken

Het is mogelijk extra symbolen op te nemen in eigen symbolenmenu's..

Zie ook: Speciale plaatsingsfuncties

 

Plaatsen sanitaire toestellen

  1. Selecteer knop [ Symbolen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Installatie' in het rolmenu
  3. Selecteer 'Sanitair' in het vervolgmenu
  4. Dubbelklik op het type sanitair in het iconenmenu
  5. Selecteer in venster gewenste symbool
  6. Klik op knop [ Plaats ]
  7. Geef invoegpunt (insertiepunt) op in tekening
  8.  Geef rotatiehoek op in venster 'Rotatie'
  9. Zelfde symbool naderhand nogmaals plaatsen
    • Ja
      Klik op knop [ Volgend ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
    • Nee
      Klik op knop [ Stoppen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen elektra-symbolen


Voor de elektrische installatie kunnen symbolen geplaatst worden.

In een vijftal symboolbibliotheken zijn symbolen beschikbaar.

  • Schakelaars
  • Wandcontactdozen (WCD)
  • Aansluitpunten (ASP)
  • Verlichting
  • Communicatie

Het is mogelijk extra symbolen op te nemen in eigen symbolenmenu's..

Zie ook: Speciale plaatsingsfuncties

 


Plaatsen symbolen elektra

  1. Selecteer knop [ Symbolen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2.  Selecteer 'Installatie' in het menu
  3. Selecteer 'Elektra' in het vervolgmenu
  4. Dubbelklik op het type symbool in het iconenmenu
  5. Selecteer in venster gewenste symbool
  6. Klik op knop [ Plaats ]
  7. Geef invoegpunt (insertiepunt) op in tekening
  8. Geef rotatiehoek op in venster 'Rotatie'
  9. Zelfde symbool naderhand nogmaals plaatsen
    • Ja
      Klik op knop [ Volgend ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
    • Nee
      Klik op knop [ Stoppen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen meubilair


Meubilair kan in de tekening worden geplaatst.

In een drietal symboolbibliotheken zijn symbolen beschikbaar.

  • Banken, Zithoeken
  • Eethoeken
  • Bedden

Het is mogelijk extra symbolen op te nemen in eigen symbolenmenu's..

Zie ook: Speciale plaatsingsfuncties

 


Plaatsen meubilair

  1. Selecteer knop [ Symbolen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Meubilair' in het menu
  3. Dubbelklik op het type meubilair in het iconenmenu
  4. Selecteer in venster gewenste symbool
  5. Klik op knop [ Plaats ]
  6. Geef invoegpunt (insertiepunt) op in tekening
  7. Geef rotatiehoek op in venster Rotatie
  8. Zelfde symbool naderhand nogmaals plaatsen
    • Ja
      Klik op knop [ Volgend ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
    • Nee
      Klik op knop [ Stoppen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen bomen en struiken


Bomen en struiken kunnen in de tekening worden geplaatst.

In een tweetal symboolbibliotheken zijn symbolen beschikbaar. De symbolen zijn in plattegrond en in aanzicht beschikbaar.

  • Bomen
  • Struiken

Het is mogelijk extra symbolen op te nemen in eigen symbolenmenu's..

Zie ook: Speciale plaatsingsfuncties

 

Plaatsen omgevingssymbolen

  1. Selecteer knop [ Symbolen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer 'Omgeving' in het rolmenu
  3. Dubbelklik op het type symbool in het iconenmenu
  4. Selecteer in venster gewenste symbool
  5. Klik op knop [ Plaats ]
  6. Geef invoegpunt (insertiepunt) op in tekening
  7. Geef rotatiehoek op in venster 'Rotatie'
  8. Zelfde symbool naderhand nogmaals plaatsen
    • Ja
      Klik op knop [ Volgend ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
    • Nee
      Klik op knop [ Stoppen ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT

Terug naar Inhoudsopgave


Plaatsen algemene symbolen


De volgende algemene symbolen zijn te plaatsen:

  • Noordpijlen
  • Schaallatten
  • Wijzigingspijlen


Noordpijl en schaallat plaatsen

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer functie 'Algemene symbolen' in het rolmenu
  3. Klik op knop en selecteer een Noordpijl of Schaallat
  4. Klik op knop [ OK ]
  5. Plaats de Noordpijl of Schaallat op de tekening en geef de rotatie op
  6. Klik op knop [ Volgend ] om het volgende identieke symbool te plaatsen
    of
    klik op knop [ OK ] of [ Annuleren ] in het commandovenster
  7. Selecteer in venster 'Aanvullende symbolen' een ander symbool
    of
    klik op knop [ Annuleren ] om de functie af te sluiten


Wijzigingspijl plaatsen

  1. Kies knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer functie 'Algemene symbolen' in het rolmenu
  3. Klik op knop en selecteer de wijzigingspijl
  4. Geef de wijzigingsletter en de wijzigingsdatum op
  5. Klik op knop [ OK ]
  6. Plaats de wijzigingspijl op de tekening en geef de rotatie op
  7. Klik op knop [ Volgend ] om de volgende wijzigingspijl (met dezelfde wijzigingsletter en –datum) te plaatsen
    of
    klik op knop [ OK ]in het commandovenster
    Pas na klikken op knop [ OK ] worden de gegevens in de wijzigingpijl geplaatst.
    De teksten worden "leesbaar" binnen de pijl geplaatst (horizontaal of vanaf links).
  8. Selecteer in venster 'Aanvullende symbolen' een ander symbool
    of
    klik op knop [ Annuleren ] om de functie af te sluiten

Terug naar Inhoudsopgave


Achteraf roteren en verschalen symbolen


Nadat de symbolen zijn geplaats zijn deze te roteren en te verschalen rond het eigen invoegpunt.


Achteraf roteren van symbolen 

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer keuze 'Overig' in het rolmenu
  3. Selecteer keuze 'Roteer symbolen' in venster 'Bewerk overig' 
  4. Selecteer de te roteren symbolen
  5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  6. Geef de rotatie op in het dialoogvenster
  7. Klik op knop [ OK ]
    De geselecteerde symbolen worden rond hun eigen invoegpunt geroteerd.


Achteraf verschalen van symbolen 

  1. Selecteer knop [ Bewerk ] in Knoppenbalk NOR-Bouwtechniek LT
  2. Selecteer keuze 'Overig' in het rolmenu
  3. Selecteer keuze 'Verschaal symbolen' in venster 'Bewerk overig'
  4. Selecteer het type te verschalen symbool
  5. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  6. Selecteer de te verschalen symbolen (met de optie <crossing> of <window>)
  7. Klik op knop [ OK ] in het commandovenster
  8. Geef de schaalfactor op in het dialoogvenster
  9. Klik op knop [ OK ]
    De geselecteerde symbolen worden rond hun eigen invoegpunt verschaald.


Terug naar Inhoudsopgave



Bij Cadac maken we onderscheid tussen Sales, Service & Support. Sales & Service vinden wij vanzelfsprekend. Wij helpen u met de aanschaf van uw product, dienst, training of expert en zorgen ervoor dat u probleemloos aan de slag kunt. Gratis en voor niets. U kunt zorgeloos met uw software starten, wij zorgen ervoor dat u het meeste uit uw software kunt halen.

Loopt u tegen technische softwareproblemen aan? Dan kunt u gebruik maken van Cadac Support. Door de juiste informatie in te dienen kunnen wij u zo snel mogelijk helpen

Stel een vraag

Waar heeft u een vraag over?

Kies een locatie

Europa

Wereld